De prijs van oorlog

Vier ton oorlog per minuut

De kosten van de oorlog in Irak zijn zo hoog dat ze alleen maar in vergelijkingen begrepen kunnen worden. ‘Negen miljoen Amerikaanse kinderen verzekeren tegen ziektekosten? Anderhalve week Irak.’

Sommige adviezen lijken gemaakt om voor eeuwig in de wind te worden geslagen. Zoals de aanbeveling van de Chinese strateeg Sun Tzu, die heersers in 400 voor Christus al aanraadde om oorlogen kort te houden en het geld al voor aanvang voorradig te hebben. Anders, schreef hij, zullen de prijzen stijgen en ‘raakt de welvaart van de mensen uitgeput’. Misschien een handvol heersers heeft dat advies sindsdien gevolgd. George W. Bush zat daar in ieder geval niet bij. De Verenigde Staten hebben de afgelopen jaren een peperdure oorlog gevochten waarvan de kosten (via de staatsschuld) zijn doorgeschoven naar de toekomst. Het berekenen van de ware prijs van de oorlog in Irak, inclusief alle economische effecten en de gezondheidszorg, is een lastige zaak. Maar economen die het proberen, komen uit op astronomische bedragen die een normaal mens niets meer zeggen. Politici die hun stemmers willen bereiken, kiezen dan ook voor vergelijkingen om de omvang duidelijk te maken: ‘De prijs om negen miljoen onverzekerde Amerikaanse kinderen tegen ziektekosten te verzekeren? Anderhalve week Irak.’

Medium oorlog

Het bespreken van de economische kosten van oorlogen heeft iets cynisch. Een greep uit het nieuws van afgelopen week – elf familieleden van een journalist doodgeschoten, veertig vrouwen gemarteld en gedood in Basra vanwege hun ‘on-islamitische’ kledij, vier Amerikanen op een mijn gereden – toont de hoogste prijs van de oorlog: die van verwoeste levens. En verder zijn er de decennialange gevolgen van een kapotgemaakt land, de destabilisatie van de regio en de mondiaal groeiende weerzin tegen het belangrijkste land ter wereld.

Het tellen van die kosten is een klinische exercitie. Websites als iraqbodycount.org of icasualties.org houden een teller bij van omgekomen Irakezen en Amerikanen. Onderzoeksbureau Pew peilt mondiale trends zoals anti-Amerikanisme, dat de afgelopen jaren steeds toenam. Maar de verhalen achter de cijfers komen op die websites niet aan de orde, net zo min als de financiële gevolgen.

Hoewel sommigen – neonazi’s bijvoorbeeld – graag de positieve economische effecten van oorlog benadrukken, wijzen alle serieuze studies uit dat oorlog een bijzonder efficiënte manier van kapitaalvernietiging is. Oorlogen met elkaar vergelijken is lastig, omdat studies naar oorlogskosten zelden dezelfde methodiek gebruiken. Maar duidelijk is dat het bij oorlog om enorme bedragen gaat. Een studie naar de totale kosten van de Eerste Wereldoorlog kwam bijvoorbeeld uit op vierhonderd miljard dollar in toenmalige waarde. Dat cijfer zegt niets, tot erbij vermeld wordt dat dit neerkwam op vijf maal de waarde van alles in Frankrijk plus België.

Op dezelfde wijze zegt de optelsom van de kosten van de Irakoorlog in eerste instantie niet zo veel. Op de website costofwar.com tikt de prijs van directe oorlogsbestedingen constant door, nu richting de 480 miljard. Dat is veel, maar het opdelen van dat bedrag geeft pas een goede indruk van de omvang: de klok tikt met een snelheid van 3200 dollar per seconde, 191.000 dollar per minuut, 11,5 miljoen per uur en 275 miljoen per dag. Tastbaar wordt het als Amerikanen op de site uitrekenen hoeveel hun gemeenschap aan belastinggeld bijdraagt aan de oorlog en wat er nog meer met dat geld gedaan had kunnen worden.

De Democratische afgevaardigde John Murtha, jarenlang leider van de oppositie tegen de Irakoorlog in het Congres, greep naar dezelfde methode. In zijn oppositie tegen Bush’ oorlogsbudgetten rekende hij voor: ‘De bezuinigingen van de president op milieubescherming: één dag en drie uur in Irak. Bezuinigingen op onderwijs: dertien dagen. Geschatte nationale kosten voor essentiële verbeteringen aan treinen, bussen en metro’s: drie weken in Irak.’ Enzovoort. De ‘negen miljoen onverzekerde kinderen’ kwamen ook van hem.

Maar Murtha’s partijgenoten zijn bang om als saboteur te worden afgeschilderd. Als president Bush zijn budget voor 2008 door het Congres krijgt – en daar lijkt het op – dan heeft de Amerikaanse overheid tot eind volgend jaar 611 miljard dollar in de oorlog gepompt. The Boston Globe rekende zijn lezers voor wat daarvan allemaal kon worden gekocht: veertig maal de verbouwing van Bostons centrum, het duurste publieke project van de VS, of veertien miljoen studenten een jaar college aan Harvard, de beste universiteit ter wereld. En aangezien weinigen geloven dat de VS eind volgend jaar uit Irak weg zijn, komt boven op die 611 miljard nog de aanvraag van 2009, en mogelijk nog jaren daarna.

Hoe groot dit bedrag ook is, economen schatten de werkelijke kosten van de Irakoorlog nog een stuk hoger in. Want de 480 miljard dollar tot nu toe en de 611 miljard tot eind 2008, betreffen alleen directe oorlogsbestedingen door de overheid. Daar komen nog allerlei kosten bovenop: gezondheidszorg voor (gewonde) veteranen, verscherpte veiligheidsmaatregelen in de VS, rente op het geleende oorlogsgeld, heropbouw van het leger, een hogere olieprijs (die voor een klein deel aan de Irakoorlog wordt toegeschreven) en verlies van de economische productiviteit van omgekomen of invalide geraakte soldaten.

Alles bij elkaar opgeteld kwam de Amerikaanse econoom Joshua Goldstein in 2004 tot de rekensom dat de ‘Oorlog tegen Terreur’ de gemiddelde Amerikaanse familie vijfhonderd dollar per maand kostte. Goldstein wilde met die berekening helemaal niet kritisch zijn: hij pleitte juist voor meer uitgaven om die oorlog ook daadwerkelijk te winnen.

Dat gold bepaald niet voor Nobelprijswinnaar en Clinton-adviseur Joseph Stiglitz en Harvard-econoom Linda Bilmes, die vorig jaar uitrekenden dat de oorlog de VS in totaal 2,2 biljoen dollar zou kosten, nog zonder rente. Om dit getal op het netvlies te krijgen: twee biljoen is tweeduizend miljard. Dat ligt in dezelfde orde van grootte als de gehele economie van Zuid-Amerika, of de jaarlijkse Amerikaanse overheidsbegroting. ‘Kosten die zijn aangegaan, maar die nog niet zijn betaald, zijn veel groter dan wat nu wordt uitgegeven’, schreven Stiglitz en Bilmes.

Deze berekening kwam wel van Bush’ grootste economische criticus. Stiglitz betoogde het afgelopen jaar in diverse opiniestukken dat ‘verschillende generaties’ nog de prijs zullen betalen voor het ‘rampzalige’ economische beleid van Bush, die binnen een paar jaar een begrotingsoverschot van 2,4 procent omboog in een tekort van 3,6 procent en de staatsschuld met tweederde liet exploderen. Maar in zijn ijver om Bush’ beleid te fileren, telde Stiglitz alles wel erg voortvarend op. Zo rekende hij bijvoorbeeld uit welke economische groei was bereikt als de oorlogsuitgaven op een nuttige manier in de Amerikaanse economie waren gepompt, en voerde dat bedrag op als ‘verborgen oorlogskosten’.

Andere economen die de totale oorlogskosten proberen te berekenen, gaan daarin niet mee met Stiglitz, rekenen minder royale ziektekosten voor veteranen en zien minder negatieve economische gevolgen. Een team onder de econoom Scott Wallsten kwam op totale kosten van ruim één biljoen, uitgaande van een gestage Amerikaanse afbouw en vertrek in 2016. Maar de huidige uitgaven aan de oorlog, schreven zij, bedragen wel tweehonderd miljard dollar per jaar. Oftewel dubbel zo veel als de directe oorlogsuitgaven waar nu mee wordt gerekend: geen 3200 maar 6400 dollar totale uitgaven aan de Irakoorlog per seconde; geen twee maar bijna vier ton per minuut; geen 11,5 maar 23 miljoen per uur; geen 275 maar 550 miljoen per dag.

Dat is een ontzagwekkend bedrag. Om wat voor de hand liggende politiek-correcte vergelijkingen te trekken: het is jaarlijks bijna vier maal zo veel als wat volgens de Wereldbank nodig is om honger en ondervoeding uit te bannen in 2015, en zeven maal wat nodig is om basisonderwijs aan alle kinderen ter wereld te geven. En het is meer dan het dubbele van wat volgens econoom Jeffrey Sachs jaarlijks nodig is om in 2015 de Millenniumdoelen te halen, die een minimum aan gezondheid, onderwijs, water, sanitair, voedselproductie en infrastructuur beogen in de arme regio’s van de wereld. Of minder verheven: zelfs bij de huidige ongekend hoge brandstofprijzen rijdt voor dat geld de helft van alle benzineverslaafde Amerikanen gratis.

Toch is het economische verhaal van de Irakoorlog niet alleen slecht nieuws voor de Amerikanen. Want hoe groot de kosten ook zijn als je kijkt wat er voor dat geld allemaal kan, afgezet tegen de omvang van de Amerikaanse economie valt het allemaal erg mee. Een biljoen dollar is een enorm bedrag, maar als het wordt uitgestreken over een periode van vijftien, twintig jaar is dat voor een land met een bruto nationaal product van ruim dertien triljoen per jaar geen fataal probleem.

De Irakoorlog is ook geen dure oorlog vergeleken met andere oorlogen in de Amerikaanse geschiedenis. Als de totale directe overheidsuitgaven aan de Irakoorlog uitkomen op 700 á 750 miljard dollar, waar economen nu van uitgaan, is dat gelijk aan minder dan zes procent van het Amerikaanse bruto nationaal product ten tijde van de oorlog. De Irakoorlog is daarmee bijna vier maal zo duur als de oorlog in Afghanistan en ruim vijf maal zo duur als de Golfoorlog, maar is historisch gezien een koopje. Zowel de Tweede Wereldoorlog als de Amerikaanse Burgeroorlog kostte meer dan de totale omvang van de Amerikaanse economie destijds. Anders gezegd: de Tweede Wereldoorlog kostte de Amerikanen bijna vijfentwintig maal zo veel als de Irakoorlog. Maar over dat geld valt iets te zeggen wat voor de Irakoorlog nog lang niet duidelijk is: het was goed besteed.

Websites die kosten en sterfgevallen bijhouden:

iraqbodycount.org

icasualties.org

costofwar.com

Studie Stiglitz:

milkeninstitute.org/publications/review/2006_12/76_83mr32.pdf

Historische studie:

nordhaus.econ.yale.edu/AAAS_War_Iraq_2.pdf

Overheidsuitgaven, in miljarden, gerekend naar waarde van 2002.

In dollar, gerekend naar waarde van 2002, per inwoner.

Gerekend naar omvang van de nationale economie destijds.

Bron: War with Iraq: Costs, Consequences, and Alternatives (2002), William Nordhaus, et al.