Sociaal kapitaal en Deltaplannen

Vierkante wielen

Met een soort sociaal Deltaplan wil het kabinet het maatschappelijke vertrouwen terugbrengen op drie probleemterreinen: onderwijs, veiligheid en grootstedelijke verloedering. Alleen als het de afkalving van het beroepsethos weet te keren, lukt dat.

Wie in de aanloop naar prinsjesdag de Nederlandse politieke discussie volgde, kon de indruk krijgen dat het kabinet-Balkenende IV maar één beleidspunt heeft: lastenverzwaring. De vraag hoe de aldus verkregen extra inkomsten – in totaal 2,7 miljard euro – besteed gaan worden, bleef in de media vrijwel onaangeroerd. Dat is vreemd, want dit kabinet legt een grote ambitie aan de dag. Het oormerkt de vrijgekomen gelden voor de aanpak van een drietal dringende maatschappelijke problemen en, in het verlengde daarvan, voor een verandering van de hele samenleving.

Dat kon al worden opgemaakt uit het beleidsprogramma Samen werken, samen leven dat het kabinet deze zomer als uitkomst van zijn ‘kennismaking met de samenleving’ presenteerde. Balkenende c.s. willen dat Nederland grootscheeps investeert in zijn sociale cohesie, in de ‘samenhang tussen jong en oud, ziek en gezond, Nederlander en nieuwkomer’ zoals het programma het formuleerde. Hoeveel druk het kabinet hier achter wil zetten, bleek uit de brede financiering die minister Ella Vogelaar van Wonen, Wijken en Integratie opeiste voor haar ActiePlan Krachtwijken, bedoeld om verpauperde buurten in tien jaar tijd om te vormen tot ‘vitale woon- en leefomgevingen’. De achterliggende redenering luidt dat een samenleving slechts zo sterk is als haar sociaal kapitaal, oftewel het vertrouwen van burgers in elkaar en in hun voornaamste instituties. Waar dat vertrouwen ontbreekt, wordt het leven doelloos en destructief. Die denkwijze strookt met het gedachtegoed van de communitarist Amitai Etzioni, die een belangrijke inspiratiebron is voor de premier, met de binnen de ChristenUnie springlevende gedachte van soevereiniteit in eigen kring en met de overtuiging van Wouter Bos dat solidariteit tegenwoordig betekent ‘dat je moet durven moraliseren’.

Wat dit kabinet voor ogen staat is een soort sociaal Deltaplan dat het maatschappelijke vertrouwen moet terugbrengen op drie probleemterreinen: onderwijs, veiligheid en grootstedelijke verloedering. Maar hoe doe je dat? Auteurs als Etzioni, Francis Fukuyama en Szygmunt Baumann hebben fascinerende studies gewijd aan de vraag wat sociaal vertrouwen is en hoe het ontstaat. Maar als het gaat om praktische maatregelen waarmee een overheid sociaal vertrouwen kan opbouwen, laten ze het afweten. Zoveel is duidelijk: sociaal kapitaal is even spontaan en broos als persoonlijk vertrouwen. Het komt te voet en gaat te paard. Met andere woorden: het laat zich wel door slecht beleid afbreken, maar niet door goed beleid afdwingen. Het ontstaat uit de eigen inspanning en normering van burgers, en een overheid die het wil bevorderen, kan hoogstens faciliterend werken en algemeen aanvaarde normen handhaven.

Voor dat laatste is een institutioneel kader nodig, een combinatie van inzetbaar personeel en effectieve beleidsinstrumenten. De hamvraag luidt of Nederland nog over zo’n kader beschikt. Voor het uitvoeren van zijn Deltaplan doet het kabinet een beroep op scholen, buurtwerk, woningcorporaties, de politie en andere maatschappelijke instituties die de laatste dertig jaar onophoudelijk gereorganiseerd, geprivatiseerd, door de bezuinigingsmangel gehaald, systematisch overvraagd, door flexibilisering en toegenomen werkdruk uitgehold of door Haagse controle- en reguleringsdrift tot inactiviteit gedwongen zijn. Dat klinkt niet alleen dramatisch, de situatie is dramatisch.

De uitholling van het beroepsethos in de (semi)publieke sector was in 2005 het thema van het baanbrekende dubbelnummer ‘Beroeps(z)eer’ van Christen-Democratische Verkenningen, nota bene het wetenschappelijke tijdschrift van Balkenendes eigen cda. Aan dit nummer werkten ervaringsdeskundigen en academische experts uit alle sectoren van de samenleving mee. De overheersende teneur was dat in veel maatschappelijke sectoren de traditionele beroepseer heeft plaatsgemaakt voor calculatie, vermarkting en kwantificatie van precies die onkwantificeerbare aspecten die aan een beroep of functie zijn openbare belang verlenen.

De openbare veiligheid bijvoorbeeld is in 25 jaar tijd gereduceerd tot een ‘politieproduct’, onderhevig aan marktkrachten en prijswijzigingen (in de vorm van prestatiecontracten) en zelfs aan inflatie, getuige het feit dat Nederland tegenwoordig meer particuliere beveiligers en stadswachten heeft dan politieagenten. Tegelijkertijd nam het aantal maatschappelijke problemen dat op de politie wordt afgeschoven explosief toe. Om aan al die trends tegemoet te komen is de politie keer op keer gereorganiseerd op grond van kwantitatieve normen die per definitie ontoereikend zijn om het begrip veiligheid weer te geven. Plichtsbesef maakte plaats voor calculatie, beleid voor ‘financiële prikkels’. Het gevolg is dat politieleiding steeds opnieuw het vierkante wiel uitvindt en verbaasd staat dat het niet wil rijden.

Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor het buurt- en welzijnswerk, dat sinds de jaren zeventig is verworden tot een zichzelf bestendigende en slechts in kwantificeerbare, subsidiabele grootheden geïnteresseerde bureaucratie. Maar het geldt misschien nog het meest voor het onderwijs. Ook daar is de afbraak van het beroepsethos de kern van de bijna onoverzienbare problemen waar minister Plasterk voor staat. Is het basisonderwijs gebaat bij een versnelde instroom van nieuwe onderwijzers als die op de pabo niet meer goed leren lezen, schrijven en rekenen? Moet de minister de exameneisen aanscherpen om de waarde van vwo-diploma’s te bewaken als daardoor de helft van de leerlingen voor zijn eindexamen zakt? En wie moet die gezakte leerlingen lesgeven als de verwachte dramatische uitstroom van leraren doorzet?

Ook hier is de beroepseer afgekalfd door onophoudelijke reorganisaties, administratiewoede en vermarkting, maar ook doordat de samenleving de sector als vuilnisvat voor eigen ongerief gebruikt. Alleen al de lijst van ongewenste gedragingen en gedachten die een docent tegenwoordig wordt geacht te bestrijden is schier eindeloos: racisme, seksisme, vandalisme, alcohol- en tabaksgebruik, snoepen, vet eten, huiselijk geweld, seksueel misbruik, bewegingsarmoede, tv- en computerverslaving, ontlezing, schuldenproblematiek, zinloos geweld, ontoereikende hygiëne, ongewenste kleding, grof taalgebruik en gebrek aan respect.

En net als in die andere sectoren heeft ten slotte zelfs de taal zich tegen het beroep gekeerd. Goede docenten bestaan wonder boven wonder nog steeds, maar ze heten tegenwoordig ‘excellent’ en hun competentie wordt afgemeten aan het aantal ‘rugzakjes’ in de klas dat ze kunnen aanvinken op Haagse competentielijstjes. Tegen zoveel institutionele droefenis is geen 2,7 miljard euro gewassen. Het dubbele bedrag trouwens ook niet. Het is te hopen dat dit kabinet ergens in de komende vier jaar het wiel van het beroepsethos herontdekt. En dat dat in de tussentijd niet vierkant is geworden.