Vietnam aan de mississippi

Robert Olen Butler, Geuren van een berg. Vertaling Pauline Moody, uitgeverij De Kern/Bodoni, 240 blz., 3 34,50
Twee maanden geleden vloog Robert Olen Butler naar Amsterdam om een lezing te geven. De vertaling van zijn bundel A Good Scent From a Strange Mountain (1992) was net uitgekomen. In het vliegtuig werd het 30 april, noteerde Butler in zijn ‘Hollands Dagboek’ voor NRC Handelsblad. De schrijver droomde over zijn eerste roman The Alleys of Eden, over wat precies twintig jaar eerder in Vietnam gebeurde: de val van Saigon en de aftocht van de laatste Amerikanen. ‘Ik werd wakker met het beeld voor ogen van een deserteur uit het Amerikaanse leger die verstrikt raakt in de panische menigte voor de hekken van de Amerikaanse ambassade, waar hij ineens gescheiden raakt van de Vietnamese vrouw met wie hij heeft samengeleefd.’

Butler moest in 1969 in dienst. Twee jaar later werd hij, na een jaar studie van de Vietnamese taal, naar Saigon gestuurd waar hij ’s nachts rondzwierf en in gesprek raakte met Vietnamezen. Zijn ontvankelijkheid voor de slapeloze nachtstad is een goudmijn geweest voor Geuren van een berg.
Het perspectief van de bundel is opmerkelijk: elk verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van een Vietnamese balling in of nabij New Orleans. Binnen dat gezichtspunt brengt Butler nog de nodige variatie aan zodat er een fijngevoelig mozaiek onstaat van het verscheurde bestaan van Vietnamezen in de Verenigde Staten, die hun verleden en voorouders niet los kunnen laten.
Butler kruipt in de huid van een voormalig barmeisje in Saigon, schrijft een monoloog die een vrouw tot haar ongeboren kind richt, vertelt over succesvolle zakenlui en militaire spionnen die jaloers worden, beschrijft een ontmoeting tussen een stokoude man en de geest van Ho Tsji-minh en schept een ‘kind van stof’, dat wil zeggen een dochter van een Amerikaanse vader en een Vietnamese moeder. De ballingen hebben huis en haard in de steek moeten laten maar wel hun oude controverses meegenomen: 'De Vietnamezen van de Westbank zijn niet gesteld op de Vietnamezen van Versailles (een buitenwijk in New Orleans met veel katholieke Vietnamezen uit het noorden - gb). Die van de Westbank zeggen dat vrijheid voor die van Versailles alleen de vrijheid om geld te verdienen betekent. Het zijn kille mensen, ambitieuze mensen, noorderlingen. De zuiderlingen (veelal boeddhisten - gb) zeggen dat vrijheid voor hen de vrijheid om te denken betekent, om van het leven te genieten.’
Butlers verhalen becommentarieren deze al te simpele indeling met veel inzicht in het familieleven en de religieuze belevingswereld van de Vietnamees, vooral zijn gevoeligheid voor de geesten van de doden. In een aantal verhalen laat Butler de Mississippi-delta rond New Orleans als het ware overvloeien in de Mekong-delta om de gespletenheid van zijn personages te suggereren. Als een Vietnamese zakenman zijn in Amerika geboren zoon het spel met 'vechtkrekels’ wil leren, merkt hij dat er wel slome houtskoolkrekels voorhanden zijn maar geen enkele felle vuurkrekel. Zijn zoon verliest zijn belangstelling als hij een vlek op zijn Reebok- sportschoenen bespeurt. De wereld van de vader is een heel andere dan die van de zoon. Het gezin groeit uit elkaar, de tradities verwateren.
Butlers gevoeligheid voor taal en wezen van de Vietnamezen zorgt ervoor dat zijn verhalen - waarin spoken, bijgeloof en de mythe van het ontstaan van Vietnam een vanzelfsprekend onderdeel vormen - zeer geloofwaardig zijn en uitgroeien tot een spannende, soms zelfs humoristische, mengeling van sprookje (traditie) en harde werkelijkheid (balling in Amerika).
Het mooiste verhaal heet ook 'Sprookje’. Een Saigons hoertje denkt na over het woord 'upon’ uit de bekende beginzin 'Once upon a time’. De tijd ziet ze als een stier bereden door een cowboy: 'Ik vind dat het heel mooi is, dat je op de rug van de tijd klimt en erop gaat rijden en je weet niet waar hij heen gaat of hoe hij zal proberen je af te werpen.’