Vietnam ‘zing harder dan de bommen’

De jury Graa Boomsma, Yves van Kempen, Xandra Schutte en Jacq Vogelaar koos Duong Thu Huong, Blind paradijs tot Boek van de Maand (uit het Frans vertaald door Han Meijer, uitg. Nijgh & Van Ditmar, 248 blz., f39,90).
De overige drie mededingers waren: 1. Imre Kertesz, Kaddisj voor een niet geboren kind (vertaling Henry Kammer, uitg. Van Gennep, 116 blz., f26,50): Hier klinkt de stem van iemand die als jongen Auschwitz overleefde en om die reden zelf weigerde een kind op de wereld te zetten. Hij brengt zijn drang tot zelfvernietiging onder woorden. Schrijven is voor hem overleven en het boek is dan ook een beklemmend doodslied. 2. Italo Calvino, Een dag op het stembureau (vertaling Linda Pennings, uitg. Prometheus, 79 blz., f24,90). Het had vroeger in Nederland kunnen spelen: christen-democraten die op een stembureau in een gesticht misbruik maken van de stemplicht. Een satirische novelle van de ongemakkelijke Italiaanse ‘communist’ Calvino. 3. Caryl Phillips, De rivier over (vertaling Rene Kurpershoek, uitg. De Bezige Bij, 233 blz., f42,50): Phillips beschrijft de levens van drie kinderen die door hun vader als slaaf worden verkocht. De levensverhalen, die een periode van 250 jaar bestrijken, zijn vaak hartverscheurend.
Wel heeft men het over zondagsschilders en zondagsschrijvers, maar over naieve literatuur hoor je zelden. Naieve schilderkunst is een herkenbaar genre, dat amateuristisch kan zijn maar kwalitatief niet voor professionele schilderkunst hoeft onder te doen. Wat het aantrekkelijke is in een naief schilderij, ziet er in een literair werk al gauw uit als onhandigheid, zoals slechte zinnen, verkeerde woordkeus en kreupele beeldspraak. Zo er al van een naieve roman kan worden gesproken, dan heeft dat, vermoed ik, eerder met de vertelvorm, het type beschrijvingen, de tekening van personages en de compositie te maken. Wat dus zeer wel met een gave schrijfstijl kan samengaan.

Bij Blind paradijs van de Vietnamese schrijfster Duong Thu Huong (1947) heb ik inderdaad het zeldzame gevoel met een naieve roman te maken te hebben. Om de vergelijking met een naief schilderij door te trekken: het boek wekt de indruk dat de schrijver alle personen en situaties in een schildering heeft willen onderbrengen, alles tegelijkertijd op een plat vlak. Lezen betekent dan dat je in elke nieuwe passage een deel van dat totaalbeeld ingevuld ziet. Doordat er een perspectief ontbreekt, neemt bij voorbeeld de beschrijving van de toebereidselen voor een nieuwjaarsmaal evenveel plaats in als de dramatische levensgeschiedenis van de verdreven vader van de vertelster. Sterker nog: die levensgeschiedenis lijkt bijna een terloops detail, terwijl de geurige en kleurige hapjes in het boek door de gedetailleerde beschrijving van hun bereiding letterlijk de hoofdschotel vormen.
Merkwaardig hoe belangrijk de kleuren en geuren zijn in deze verder zo grauwe geschiedenis. Het liefst had Duong Thu Huong, zo lijkt het, alleen maar over geuren en kleuren geschreven, bij voorkeur over die van haar jeugd, van de geraffineerd bereide etenswaren en de melancholiek getinte landschappen. Maar de geschiedenis gooide roet in het eten. Voor de vertelster wordt de vroege jeugd alsnog een paradijs, een blind paradijs omdat zij er pas later oog voor krijgt; waar nog bijkomt dat zij, zoals de schrijfster van zichzelf zegt, tot een generatie behoort die pas na de oorlog is gaan nadenken. ‘Ik heb nooit schrijfster willen zijn’, zei Duong Thu Huong begin van dit jaar in een interview. 'Tot het moment kwam dat ik mijn ziel wilde bevrijden van alle gevoelens van woede, desillusies en wanhoop. Mijn eerste boosheid ontstond toen ik zag hoe Noordvietnamese soldaten in 1971 Zuidvietnamese gevangen soldaten escorteerden. Pas toen werd ik letterlijk met m'n neus op de broederoorlog gedrukt.’
Opmerkelijk is het tijdstip wel, want zij bevond zich toen al vier jaar als vrijwilligster aan het front van de Amerikaanse oorlog. Negen jaar werkte zij in het oorlogsgebied, als correspondente en cultureel werkster, dat wil zeggen: als zangeres voor de Noordvietnamese troepen, in het bataljon 'Zing harder dan de bommen’. Na de oorlog ging zij scenario’s schrijven en sinds 1979 publiceert zij romans, verhalen en artikelen. Om haar kritische houding werd zij in 1989 uit de partij en de schrijversbond gezet, en daarna ook nog eens een half jaar zonder proces gevangen gehouden, verdacht van deelname aan een staatsgevaarlijke internationale samenzwering, waarbij zij werd ondervraagd door militaire specialisten die in de oorlog Amerikaanse piloten aan de tand voelden.
Blind paradijs speelt in de tijd van de landbouwcollectivisatie in Noord-Vietnam, na 1955, en al is de roman niet direct autobiografisch, de eigen slechte herinneringen zijn bespeurbaar in de kennelijke weerzin waarmee Duong Thu Huong de politieke realiteit van toen in haar roman verwerkt. Die kan worden samengevat met de termen Landhervorming, Rectificatiecampagne, Collectivisatie. Chinh, de oom van het meisje Hang, de broer van haar moeder, kan als belichaming van deze begrippen dienen. Als Chinh uit de guerrilla terugkeert, dwingt hij zijn zuster van haar man te scheiden omdat de onderwijzer tot een familie van grondbezitters behoort en dus een klassevijand is. Wat zijn familie aan grond bezit, is net voldoende om in leven te blijven, maar voor Chinh telt alleen de klassepositie. De man moet vluchten en de tien jaar later geboren dochter Hang zal haar vader nooit van nabij leren kennen. In zijn ballingsoord heeft hij een nieuw gezin, maar de schande zal hem desondanks de dood in drijven, aldus zijn zuster Tam.
Tante Tam is de grote tegenstrever van Chinh en misschien wel de hoofdpersoon van de roman. Mooi hoe zij in het begin wordt getypeerd: 'Ze was heel knap. Maar ze was ontwikkeld en afstandelijk. Het lukte haar dan ook niet om te trouwen.’ De woordjes 'maar’ en 'dan ook’ spreken boekdelen. Op eigen kracht slaat zij zich door het leven en wordt zelfs rijk, gedreven door wraakzucht die een leven lang meegaat. Haar nichtje is voor haar na de dood van haar broer diens plaatsvervanger voor wie zij alles in haar leven opoffert. Hang gaat gebukt onder deze liefde: door de tante overladen met sieraden, cadeaus en geld, en geketend aan het verleden omdat het lot van het geslacht Tran alleen van haar afhangt.
De moeder en de tante zijn elkaars spiegelbeeld. Beiden houden zich nauwkeurig aan de tradities van het dorp en de familie. Het beeld van Hangs toekomst verlost de tante van haar lijden en alle vernederingen. De moeder van haar kant heeft alles over voor haar broer, voor wie zij zelfs haar dochter opoffert; Chinh is namelijk de enige manlijke nakomeling. Als hij bij de Rectificatiecampagne, bedoeld om de Fouten van de Landhervormingen goed te maken, in ongenade valt, moet zij het als zijn zuster in het dorp ontgelden en vlucht zij naar de stad. Wanneer Chinh na tien jaar terugkeert als kaderlid van de partij, verbiedt hij haar op de markt te staan, omdat middenstanders, of het nu om grote of kleine handelaren gaat, parasieten zijn en hij zich in zijn positie een 'armzalig marktvrouwtje als zuster niet kan permitteren’.
Een jonge opstandige Vietnamees die de vertelster later in Rusland ontmoet, waar zij na haar studie te hebben afgebroken uit armoede als geexporteerde arbeidster naartoe is gegaan, brengt scherp de positie van mensen als oom Chinh onder woorden: 'Je oom is niet anders dan een heleboel anderen die ik tegen ben gekomen. Ze hebben hun uiterste best gedaan om een stralend paradijs op aarde te scheppen. Maar hun intelligentie schoot te kort. Ze wisten niet waar zo'n paradijs van gemaakt moest worden, en ook niet hoe je het kon verwezenlijken. Toen ze ontwaakten, hadden ze nog maar nauwelijks de tijd om een paar kruimeltjes van het echte leven buit te maken, om een paar graantjes mee te pikken uit de modder. En toen vlogen ze er dan ook op af, om er tot elke prijs van mee te profiteren… Hun drama, dat zijn ze zelf. Het onze trouwens ook.’
Ondertussen heeft de opportunist de nodige verwoestingen in een aantal levens aangericht. Een mooi staaltje van opportunisme geeft hij ten beste wanneer hij op zijn zestigste voor een stage in Moskou is. Zijn positie blijkt hij vooral te danken aan zijn kookkunst. Niemand kan betere eendebloedpudding maken dan hij en in de flat van de buitenlandse kadercursisten bedrijft hij met zijn maaltijden een bloeiende handel. Vanuit de Russische provincie laat Chinh zijn nichtje overkomen, zogenaamd omdat hij ernstig ziek is, maar in feite vooral om van haar hulp gebruik te maken bij het verzenden van zijn handeltje naar Vietnam. Terloops blijkt ook Hang net als de moeder en de tante aan tradities gebonden. Dat neemt niet weg dat alle drie vrouwen als bewonderenswaardige karakters worden afgeschilderd, op een manier die nog alle sporen vertoont van de heroiserende literatuur zoals die ten tijde van de bevrijdingsoorlogen de boventoon voerde.
Twintig jaar geleden heb ik eens een honderdtal Vietnamese verhalen gelezen, toen een werkgroep van literatuurstudenten en een paar schrijvers in het kader van 'Kunstenaars voor Vietnam’ een bundel Verhalen uit de Vietnamese oorlog samenstelde. Verrassend was dat er, ondanks de oorlog, nog zoveel werd geschreven en ook nog eens (in het Frans) vertaald. Veel verhalen waren oorlogsreportages en hadden een sterk moralistische inslag, hoe kon het anders, maar ook waren er nogal wat verhalen die vertelden over het leven in de schaduw van de oorlog.
De roman van Duong Thu Huong lijkt als het ware een vervolg of een soort nawee hierop. Tegelijk biedt het boek een inkijk in de wereld achter de politieke heroiek, de keerzijde ervan. En dat maakt het een vreemd boek, dat het gevoel geeft over een wereld te gaan die nauwelijks met de onze te maken heeft. Het is een zelfde bevreemding als ontstaat bij het lezen van utopieen, waarin de beschrijvingen met hun opsommingen een uitstalling op een plat vlak lijken en het gedrag van mensen volledig wordt bepaald door machten buiten hen. In dit geval gaat het om een zwarte utopie. Daar komt bij dat Blind paradijs in niets herinnert aan de bekende westerse literatuur, of alleen in de verte.
Duong Thu Huong houdt haar verhaal bij elkaar door het meisje in de trein op weg naar haar zogenaamd zieke oom het verleden aan haar geestesoog voorbij te laten gaan. Ze maakt in dat verband zelf een vergelijking met een film, en misschien heeft haar roman ook meer aan de film te danken dan aan de literatuur; de roman lijkt dan ook eerder een aaneenschakeling van beelden, en toevallig zijn het geschreven beelden.