Wat gedronken op een terras in de zon. Voelde niet eens zo heel raar. Alsof het allemaal maar normaal is. Ergens een handtekening gezet om iets op de valreep maar eens officieel te maken. Niks gegeten en licht in je hoofd. Alsof iets je zintuigen uit het lood heeft geslagen. Alsof alles tegelijk aanweziger is en toch ook verder van je af lijkt te gebeuren. In een trein geklommen. Leeg op Centraal vertrokken, maar volgestroomd op de luchthaven. Zo vol dat het ongemakkelijk is. Aan echt terug naar normaal ben je nog niet toe. Nog lang niet. Hier ben je misschien zelfs nooit meer helemaal klaar voor.

Eerder op de dag had iemand voorzichtig gevraagd of je niet wat ver was gegaan. Je ging wel los, hè, op Twitter, zei hij. Van een afstandje bezien dan, hè. Voor mensen die de context misschien niet kennen. Wel grappig natuurlijk, dat ‘vieze rat’, maar hoeveel mensen wisten nog dat juist hij – om niets, als het ware – een vriend van je zo had genoemd, en dat dat de grap was. Was het een grap?

Ja, ja: je laat je een beetje meeslepen af en toe. Net wat te vaak misschien, zeker de laatste tijd. Hoewel, is het echt zo dat het vaker gebeurt? Of is het dat je zelf ook wel merkt dat er soms een zekere verbetenheid insluipt?

Je houdt je nog in, denk je. Maar je weet ook wel dat het, van een afstandje bezien, een soort napalmbombardement moet zijn. En die hebben eigenlijk nooit iets redelijks.

De man op de stoel voor je richt zich op en draait zich demonstratief om. Hij kijkt tussen de hoofdsteun en het raam door naar achteren en hij zucht luid. Je snapt niet waarom hij dat doet. Hij gaat weer zitten.

Het viel toch ook wel weer mee? De ambtenaar die mondkapjesimporteur was geworden kreeg van onderen uit de zak. Niet alleen van jou, maar eigenlijk van alles en iedereen. Hij was zijn aanvankelijk belangeloze betrokkenheid bij de helden in de zorg gaandeweg misschien toch ook een klein beetje gaan veinzen. Niet per se die betrokkenheid natuurlijk, hooguit dat onbelangrijke detail van die belangeloosheid. En uiteraard alleen naar buiten toe. Intern was alles al die tijd volstrekt helder geweest.

Was er iemand aan wiens zelfingenomen hardvochtigheid je de afgelopen jaren een hartgrondiger hekel had gekregen? Aan de hooghartige toon waarop hij kon pleiten tegen het ‘belonen’ van vluchtelingen in Moria die hun eigen kamp in brand zouden hebben gestoken – ondankbaar volk, zulke mooie tenten – terwijl hij zich even later al weer een slachtoffer van zijn onwillige Tesla kon wanen.

De ambtenaar die mondkapjesimporteur was geworden noemde het een ‘politieke afrekening’ van mensen die zijn kritische houding beu waren. ‘Boontje komt om zijn loontje’, voegde hij eraan toe. Het moeten hangen van Barbertje was vast waar hij naar op zoek was geweest, ook met het oog op de puinzooi op het betrokken ministerie, maar inderdaad, dacht je: Boontje komt toch ook wel echt om zijn loontje.

Voor wie er niet in deelt is leedvermaak altijd een smakeloos gezicht, maar was dat alles wat het was? Je probeerde ook vooral vrolijk te blijven om niet boos te worden. Over zoveel morele glibberigheid, over zoveel bestuurlijke incompetentie, over het gemak waarmee zulke duizelingwekkende bedragen in dezelfde soort zakken als altijd konden verdwijnen.

Je kijkt naar je aantekeningen. Boos… ik? Hoe kom je erbij?

Het duurde nog geen dag of iemand zei dat het allemaal verdacht veel op een gevalletje van ‘cancelcultuur’ leek. Alsof het verstrijken van één dag zonder nieuwe feiten onherroepelijk betekende dat de discussie nu naar de volgende fase moest worden geduwd: die van verontwaardiging over de vorm van eerdere verontwaardiging.

Je snapt wel dat mensen zich er ongemakkelijk bij voelen. Bij dat vallen van die mannen. Je voelt het zelf ook weleens, dat ongemak. Dat de bloeddorst iets beangstigends heeft is vast omdat je hem zelf, niet eens zo heel diep vanbinnen, ook voelt rommelen. Maar meer dan beangstigend is hij ergerniswekkend. De manier waarop het zo duidelijk een ritueel is geworden. De wijze waarop boosheid telkens weer wordt vervangen door nieuwe boosheid, zonder dat ze ooit de kans krijgt daadwerkelijke verandering teweeg te brengen.

‘Tering’, zegt de man op het bankje voor je. En nog eens, nu harder: ‘Tering hé.’ Hij draait zich weer om. Hij kijkt alsof hij in jaren niet zo is lastiggevallen als nu, door jou.

‘Wat is er?’ zeg je. Hij geeft geen antwoord maar hij haalt de oordopjes uit zijn oren en je begrijpt wat dat moet betekenen: ik hoor je hier doorheen. Hij zucht nog eens diep achter zijn mondkapje en gaat weer recht zitten.

Je snapt het nog steeds niet. Zit je zonder dat je het zelf door hebt enorm te hijgen of iets?

‘Ben je een boze mail aan het schrijven?’ zegt een van twee studenten die vanaf de overzijde van het gangpad geamuseerd naar jou en de geërgerde man kijken.

‘Een boze mail? Hoezo?’

De man draait zich weer om. Vertoornd, denk je. Hij kijkt vertoornd.

‘Je zit zo te rammen’, zegt de student.

Een boze mail? ‘Mijn toetsen plakken een beetje’, zeg je. ‘Sticky keys’, zeg je. ‘Een bekend probleem.’ Je hoort het jezelf zeggen en je denkt: tering, wat een nerd. Je kijkt naar je aantekeningen. Boos… jij? Hoe kom je erbij? Je doet gewoon je best om het allemaal een plekje te geven.