Sophocles, Shakespeare, Alfred Jarry, Pirandello en Hélène Cixous

Vijf koningsdrama’s

Sophocles (496-406 v.C.): Oidipous Rex

De vader aller koningsdrama’s, ondanks het feit dat Voltaire het beroerd in elkaar getimmerd vond — maar volgens hem was ook Shakespeare een prutser. Het stuk is thriller én ritueel, horrorverhaal én Grote Vertelling over de menselijke existentie. Aristoteles liet aan de hand van dit stuk de werking zien van dramatische ironie: publiek weet meer dan personages, beiden gaan door een hel, personages gaan ten onder, publiek wordt gelouterd. Freud baseerde zijn beginselen van de psychologie op de wijze waarop verdrongen wensen van de toeschouwer worden weerspiegeld in de daden van Oedipus. Deze Thebaanse koning doet een onderzoek naar de moord op zijn voorganger, Laios. De moordenaar blijkt Oedipus zelf te zijn, het slachtoffer was zijn vader, hij is getrouwd met zijn moeder Iocaste. De wandaden van Oedipus en Iocaste zijn schuldeloos: ze wisten niet wat hen overkwam, ze wilden het wrede pad van de goden mijden en gleden door hun overmoedige behandeling van het noodlot juist ruggelings in de valkuilen van diezelfde goden.

William Shakespeare (1564-1616):

Henry IV part 1 & 2

Nee, niet Hamlet (dat is een prinsen-drama), ook niet King Lear (daar is de koning na scène twee alweer koning-af), ook niet Macbeth (in het boeiendste deel van deze tragedie ís Macbeth nog helemaal geen koning). Richard III scoort hoog maar blijft een onvolgroeid jeugdwerk. Maar de beide delen van Henry IV (1596-1597) vormen het meest complete koningsdrama dat de Zwaan van Avon heeft geschreven. Zijn publiek had nog nooit een toneelstuk gezien met zo’n enerverende afwisseling tussen kasteel en kroeg, tussen gedragen hoftaal in vijfvoetige jamben en struikrovers- en biertappers bargoens in sappig allemansproza. Het drama beschrijft zeer precies de dilemma’s waar een middeleeuwse vorst (de historische Henry IV regeerde tussen 1399 en 1413) voor kwam te staan als zijn ambitie hoger lag dan «de boel een beetje bij elkaar houden». In de kroegscènes van Henry IV worden de staatsproblemen aan de tap van snedig commentaar voorzien, onder meer door de kroonprins zelf en diens tijdelijke kompaan, Sir John Falstaff, van verlopen én van verzopen adel, in zijn tijd overigens Shakespeares grootste publiekslieveling.

Alfred Jarry (1873-1907): Ubu Roi

Hors concours de beste parodie op een koningsdrama. De titel verwijst naar Oedipus, de stof naar Macbeth, de anekdote naar een natuur kundeleraar aan wie de vijftienjarige Jarry op de middelbare school een grondige hekel had. Jarry en zijn vrienden voerden het stuk in 1888 op school uit als marionettenspel. De officiële première in een gerenommeerd Parijs avant-gardetheater vond pas plaats in 1896. De lawaaierige opvoering zorgde voor een schandaal, dada avant la lettre. Père Ubu’s drijfveren: macht, rijkdom, vreten, neuken en schijten. Of, samengevat door toneelcriticus Gomperts bij de Nederlandse première (pas in 1965!): «Ubu wil anderen doodmaken, alles van ze afpakken, en hard weglopen.» Jarry’s taal bezorgde menig vertaler hoofdbrekens. Het eerste woord van Ubu Roi is «merdres», wat niks betekent. Verspoor maakte daar in 1965 «potverproep» van, Kelk kwam in 1922 op «verrek», Du Perron corrigeerde met de vondst verdrek. Die werd nooit gebruikt.

Luigi Pirandello (1867-1936): Enrico IV

Officieel eigenlijk een keizers-drama. Een depressieve Romeinse jongeman kruipt in de huid van de middeleeuwse keizer Hendrik IV, de vorst die door middel van een barrevoets afgelegde tocht naar Canossa een oefening in zelfvernedering moest ondergaan. Tijdens een historische optocht valt de jongeman (verkleed als Hendrik IV) van zijn paard en wordt krankzinnig. Hij denkt nu dat hij Hendrik IV is. Zijn naasten laten hem in die waan en bouwen een middeleeuwse omgeving om hem heen. Als het stuk begint, weet niemand dat de jongeman alweer acht jaar genezen is maar het spel doorzet om enkele openstaande rekeningen binnen de muren van zijn waanzin te vereffenen. Dit (helaas) zelden nog gespeelde stuk werd in 1985 prachtig verfilmd door Marco Bellocchio, met Marcello Mastroianni als de titelheld en Claudia Cardinale als zijn voormalige minnares.

Hélène Cixous (1937): L’Histoire terrible mais inachevée de Norodom Sihanouk Roi du Cambodge

De verschrikkelijke maar nog onvoltooide geschiedenis van Norodom Sihanouk koning van Cam bodja werd in de eerste helft van de jaren tachtig van de vorige eeuw speciaal geschreven voor het Parijse Théâtre du Soleil, dat het acht uur durende stuk in 1985 in zijn eigen theater uitbracht en er in 1986 mee naar het Holland Festival kwam. Stuk en voorstelling deden indertijd een poging te verklaren hoe in de jaren zeventig de grootste genocide na de Tweede Wereldoorlog kon plaatsgrijpen, in de killing fields van de Rode Khmer. Daartoe wordt de eeuwig schipperende koning Sihanouk, later prins, weer later balling-politicus, weer later speler in de slangenkuil van de Zuidoost-Aziatische politiek, als metaforisch personage ingezet: opportunist en dandy, hij noch zijn volk schoot er iets mee op. Veel verzonnen en veel historische personages, waaronder Henry Kissinger en Tsjoe En-lai. Sihanouk is indertijd komen kijken, was ijdel genoeg om te genieten en betrokken genoeg om zich te laten raken. Het project is in 1985 vergroeid met de muzikale en fysieke regie van Ariane Mnouchkine, waardoor heropvoering onwaarschijnlijk lijkt. Hoewel, het kán, ook in Nederland: de integrale tekst is vertaald.

Meer koningsdrama’s, informatie over teksten, vertalingen en beeldregistraties: www.loekzonneveld.nl, zoek op kings2