buurvrouw Astrid plukt pruimen in het voedselbos

De tijd van het melken is voorbij. Niet langer brengt John Heesakkers elke ochtend en elke avond – óók in het weekend, óók op zijn trouwdag – door in de melkstal. In het voormalige kloppende hart van de boerderij stonden ooit zeventig koeien, nu zijn het er nog twaalf. Vanuit de schaduw kijken ze loom toe; af en toe klinkt er een loei, zonnestralen dalen door het dak neer op de plukken stro op de vloer. ‘Wel een beetje een stoffige boel zo’, zegt de boer en hij wijst naar de melkmachines in ruste. Ze zijn bedekt met een laag spinnenwebben.

Zijn Janmiekeshoeve, te vinden tussen de Brabantse dorpen Mariahout en Beek en Donk, deint al ruim twee eeuwen mee op de eisen van de maatschappij. In 1781 begonnen zijn voorouders met een aantal koeien en kippen, wat akkers voor aardappelen en graan. Alles bleef grofweg hetzelfde tot halverwege de twintigste eeuw: de tijd van Mansholt, van schaalvergroting en specialisatie, ruilverkaveling en Roundup. Heesakkers’ ouders deden mee – ze moesten wel. Meer, groter, efficiënter bleef jarenlang het devies. Nog steeds wordt de hoeve omringd door megastallen. Ook Heesakkers bleef meerekken zo ver hij kon. Tot tien jaar geleden, toen de melkprijzen opeens instortten. Hij besloot om te schakelen van reguliere melkveehouderij naar een biologisch bedrijf. ‘Ik kreeg steeds meer moeite met hoe boeren zijn overgeleverd aan de grillen van inkopers, supermarkten, de wereldmarkt. Ik wilde het anders doen.’

De eerste jaren ging dat goed. Maar toen in 2018 het fosfaatrechtenstelsel werd ingevoerd, waardoor elke melkveehouder nog maar een maximum hoeveelheid koeienmest mocht ‘produceren’, viste Heesakkers door stom toeval achter het net. Op de peildatum waarop het aantal rechten per boerderij werd bepaald, had hij zijn kalveren tijdelijk ondergebracht bij een ‘opfokker’. ‘Wat nu? Ik wist het echt niet meer.’ Zonder de rechten moest hij de helft van zijn melkvee – zijn levensonderhoud – wegdoen. Maar ze bijkopen was onbetaalbaar. En de melkveestal had sowieso een opknapbeurt nodig. Hij kreeg het niet meer rond.

‘Kom, we gaan.’ De Brabantse boer – grijs stoppelbaardje, fleecevest en bergschoenen – stapt naar buiten, knijpt zijn ogen dicht tegen de stralende zon en begint te lopen. Tegenwoordig gaat zijn aandacht naar de achttien hectare aan glooiende zandgronden, heidevelden en boslandschap rondom de stal. Dunne boomstammetjes steken in halfronde symmetrische rijen (voor Toscaans effect) uit de grond. De akkers zijn pas ingezaaid. Verderop prikt een hulp in een kobaltblauwe werkbroek gaatje na gaatje in een kilometerslange irrigatieslang. Druppels water sijpelen op de wortels van ontelbare fruitbomen en bessenstruiken. Hier en daar plopt een bloem al uit haar knop.

‘De bloesem van een zoete kers.’ Heesakkers brengt zijn gezicht tot net boven de plant. Hij aarzelt. ‘Nee, een abrikoos.’

Over een aantal jaar wil Heesakkers genoeg walnoten, honingbessen, lupinebonen (een vleesvervanger in opkomst), duindoorn, abrikozen, hazelnoten, krenten, kastanjes, kersen, appelen en nashiperen oogsten om de kost mee te verdienen. Geïnspireerd door cursussen ‘regeneratieve landbouw’ en de boeken van de Amerikaanse boer Mark Shepard, wereldwijd bekend door het dorre stuk land dat hij transformeerde tot een vruchtbaar walhalla, besloot Heesakkers het roer opnieuw om te gooien. Maar een ‘bosboerderij’ laten opbloeien vergt geduld: pas over een paar jaar werpen de bomen de eerste vruchten af.

Dus verkoopt hij in de tussentijd iets anders: koolstofdioxide, per kilo. Groeiende planten en bomen, waar Heesakkers er inmiddels aardig wat van heeft, absorberen CO2. En de boerenbodem doet dat ook, als het bodemleven gezond is tenminste. Want hoe rijker de bodem, hoe meer koolstof de grond vasthoudt. ‘Zie je al die paardenbloemen?’ (Niet te missen, het grasland glimt met een gele gloed.) ‘Collega’s spuiten die vaak dood, zien het als onkruid, maar ze voeren juist veel mineralen aan diep uit de bodem.’

De koolstof die Hees-akkers ‘vastlegt’ op zijn land en in zijn planten wil hij verkopen aan burgers en bedrijven die hun CO2-uitstoot willen compenseren. Inmiddels zijn de eerste deals rond, goed voor ruim zeven ton CO2, vergelijkbaar met ongeveer zeven retourtjes Amsterdam-Istanbul of 35 jaar lang douchen. De melkveehouder is nu ‘koolstofboer’.

‘Can Dirt Save the Earth?’ kopte The New York Times drie jaar geleden. Wereldwijd, van de Verenigde Staten tot Zwitserland en van Australië tot Oostenrijk, experimenteren akkerbouwers en veehouders al enkele jaren met ‘carbon farming’. Het idee klinkt simpel: groeiende bomen en planten nemen koolstof op en houden die vast, net zoals gezonde boerenakkers, graslanden en veengronden. Boeren die hun land anders – duurzamer – gaan bewerken, maken de bodem weerbaarder en ‘leggen’ zo koolstof ‘vast’ op hun land. Door hun akkers minder vaak om te ploegen bijvoorbeeld, grasland rijk aan kruiden aan te leggen, specifieke ‘groenbemesters’ in te zaaien voor de winterperiode (gewassen als rogge, gerst of klaver die niet altijd bedoeld zijn voor consumptie maar bovenal de bodem gezond houden), natuurlijke voedingsstoffen te gebruiken zoals compost of bokashi in plaats van kunstmest, of bomen te planten. >

En dit is dus niet eens alleen goed voor de natuur. Met carbon farming, zo is het idee, sla je twee vliegen in één klap: het moet een nieuwe inkomstenbron worden voor een landbouwsector die tegen haar ecologische grenzen aanloopt en getergd wordt door schaalvergroting en prijs- en regeldruk én het moet uitkomst bieden aan partijen die naarstig zoeken naar oplossingen voor hun eigen vervuiling. De Europese Commissie is dan ook fan: eind dit jaar komt Brussel met een actieplan om carbon farming gangbaar te maken op het hele continent.

In Nederland wint het fenomeen al snel terrein. Afgelopen januari lanceerde Rabobank een nieuw initiatief, dat boeren moet assisteren in het vastleggen van koolstof. In Zeeland sloegen vijftien boeren, boerenvereniging zlto en twee lokale windcoöperaties vorig voorjaar de handen ineen om de komende jaren maximaal 2750 ton CO2 op te slaan in de bodem rondom Windpark Krammer. Een deel van de opbrengsten van de 34 windturbines gaat naar de boeren, om te investeren in ‘bodem- en ecologie-versterkende maatregelen’. Even verderop, in Bergen op Zoom, gaat De Keuken Groep, producent van onder andere Bruynzeel-keukens, in zee met twee lokale boeren die de komende vijf jaar 150 ton CO2 zullen opslaan, gelijk ‘aan de productie van 70.000 keukenkasten’. De keukenfabriek zegt al CO2-neutraal te produceren, maar beoogt met behulp van boeren nu ook ‘de stap naar klimaatpositief te maken’.

Boer John Heesakkers maait met zijn trekker het onkruid tussen de jonge fruitbomen

Maar voordat carbon farming een gangbare praktijk is moet er nog een hoop gebeuren, zegt Jan Peter Lesschen, bodemkundige bij Wageningen Environmental Research: ‘Een begrijpelijke methodiek opzetten waarmee we de precieze bijdrage van de boeren kunnen vaststellen is nog een grote uitdaging.’ Lesschen doet al meer dan tien jaar onderzoek naar broeikasgasemissies, landgebruik, landbouw en milieu, adviseert het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over klimaatmaatregelen in de landbouw en schuift aan bij verschillende Europese overlegtafels. ‘Hot’ is het onderwerp zeker, zegt hij. ‘Maar we moeten ook nog veel uitzoeken.’

Hoewel de prijs voor een ton CO2 sinds kort stijgt, kunnen Nederlandse boeren nu nog geen droog brood verdienen met koolstofvastlegging

In theorie is het potentieel enorm, zeggen wetenschappers en pleitbezorgers in koor. Hoewel het bij CO2-vastlegging al snel gaat over bomen planten, kijken zij vooral naar de nog onbenutte mogelijkheden van de bodem. Volgens de Amerikaanse National Academy of Sciences kunnen boeren wereldwijd jaarlijks zo’n 3000 miljoen ton CO2 opnemen in de bodem. De ‘4 per 1000’-club, een wereldwijd consortium van overheden, ontwikkelingsbanken, boerenverenigingen, ngo’s, onderzoeksinstituten en bedrijven die tijdens de Parijs-top in 2015 toezegden de bodem te zullen beschermen, gaat een stapje verder. Door ieder jaar een beetje extra (0,4 procent) organische stof op te bouwen in de bodem kunnen we volgens hen wereldwijd net zoveel CO2 opnemen als we jaarlijks (gebaseerd op de uitstoot van 2015) uitstoten. Maar andere wetenschappers waarschuwen: of deze theoretische rekensommen ook werkelijkheid kunnen worden is nog maar de vraag. Bovendien neemt de wereldwijde CO2-uitstoot per jaar sinds 2015 nog steeds toe.

Ook volgens het Nederlandse Klimaatakkoord kunnen Nederlandse boeren samen een halve megaton CO2 per jaar vastleggen. Dit getal is mede gebaseerd op het werk van Lesschen. Al in 2012 publiceerde hij een model waarin hij, op basis van de beschikbare literatuur, de CO2-winst van verschillende land-bouwmaatregelen op een rijtje zette. Deze ‘tabel Lesschen’ wordt inmiddels gebruikt door ongeveer iedere Nederlandse koolstofboer. Wel moet nog blijken in hoeverre de praktijk precies strookt met de berekeningen. ‘Destijds hebben we grof ingeschat hoeveel boeren hier daadwerkelijk mee aan de slag zouden gaan en wat dus de totale CO2-winst zou zijn’, zegt Lesschen.‘We verzamelen continu data uit de praktijk om het model mee te verbeteren.’

In samenwerking met het Louis Bolk Instituut en het ministerie van Landbouw hebben Lesschen en zijn collega’s een netwerk van meer dan honderd koolstofboeren door heel Nederland opgezet. Zij proberen uit te vinden welke maatregelen hier het beste werken, want de inzichten van buitenlandse koolstofboeren kunnen niet zomaar gekopieerd worden. De hoeveelheid koolstofopname hangt af van de samenstelling van de bodem en het type klimaat, maar ook regelgeving (het mestplafond belemmert Nederlandse koolstofboeren om net zoveel compost te gebruiken als hun Oostenrijkse collega’s) en schaal (Amerikaanse boeren beheren veel grotere lappen land dan Nederlandse) doen ertoe.

Elk jaar worden er bodemmetingen gedaan bij deze Nederlandse boeren. Alleen is de hoeveelheid CO2 die je per jaar kan toevoegen aan de grote hoeveelheid die al in de bodem zit erg klein, zegt Lesschen. Pas na vijf tot tien jaar zie je of je iets wezenlijks hebt toegevoegd. ‘Het is wel even volhouden.’ Sowieso is carbon farming een langetermijnexercitie: om de planeet echt niet verder te beschadigen, moet deze CO2 immers voor de eeuwigheid opgeslagen worden. De boer die besluit koolstof te gaan ‘verbouwen’ kan dus niet na een paar jaar weer wat anders gaan doen.

‘De allergrootste uitdaging is het meekrijgen van de boeren’, zegt Lesschen. Dit vergt toewijding voor de lange termijn, er komt aanvullende administratie bij kijken, veel regeneratieve landbouwpraktijken kosten in eerste instantie extra geld en het is nog niet duidelijk wat het precies oplevert. ‘Boeren vragen zich af: is dit wel de moeite waard?’

Op 12 februari 2020 slingerde Heleen Klinkert Vadalkar een nogal lange tweet de wereld in: ‘Boer(in) gezocht die CO2-uitstoot wil compenseren. Ik vlieg binnenkort voor trouwen en familiebezoek naar India. Consequentie: 5 ton CO2-uitstoot. Welke boer(in) wil dit tegen vergoeding compenseren via C-vastlegging in de bodem? #koolstofboeren #CarbonFarmingNSR.’

‘Die oproep was heel last minute, twee dagen later vertrokken we’, zegt Klinkert. ‘Mijn Indiase man en ik wilden onze bruiloft ook met zijn familie vieren. Maar dan móet je dus wel vliegen. Dat knaagde aan me en de klimaatcompensatie die de luchtvaartmaatschappij aanbood kwam niet geloofwaardig over.’ Op de valreep bedacht ze een oplossing: wat nu als ze een Nederlandse boer kon vinden die een hoeveelheid CO2 vergelijkbaar met de uitstoot van hun reis wilde ‘opslaan’?

Dat ging makkelijker dan gedacht. ‘Weer thuis had ik meer dan dertig ongelezen reacties.’ Na gesprekken met verschillende boeren koos ze een biologische pluimveehouder in Lunteren als haar ‘klimaatpartner’. ‘Zij wilde al jaren notenbomen planten in de uitloop van haar kippenstal’, vertelt Klinkert. Maar die bomen leveren pas na minstens tien jaar iets op en voor die overbruggingsperiode kon de boerin geen financiering vinden. ‘Toen ben ik daar ingestapt.’ Vorig jaar september organiseerden ze een boomplantdag op het erf van de boerin: vijf walnotenbomen zullen de komende jaren een hoeveelheid CO2 opnemen vergelijkbaar met de uitstoot van Klinkerts trouwreis. Een aantal lokale bedrijven haakte aan en ‘compenseerde’ hun CO2-uitstoot met de aanplant van nog eens 75 bomen.

Klinkert liep al langer met dit idee rond en kreeg de smaak nu te pakken. Als projectleider bij Bionext, de ketenorganisatie voor biologische landbouw en voeding, werkte ze al sinds 2018 met partners uit vier Europese landen aan pilotprojecten voor koolstofboeren, waaronder dat rond het Zeeuwse windpark. Vorig jaar richtte ze ook een eigen bedrijf op: Nieuw Groen, een ‘klimaatmakelaardij’ die koolstofboeren koppelt aan bedrijven en burgers. ‘Andere initiatieven experimenteren vooral nog: welke maatregelen werken, welke niet? Wij matchen echt al ondernemers.’ De makelaardij maakt hiervoor gebruik van de laatste wetenschappelijke inzichten over CO2-vastlegging. ‘De boer kan iets unieks leveren wat veel bedrijven zelf niet of nauwelijks kunnen: koolstof vastleggen. Dat is het product.’

Hoewel de prijs voor een ton CO2 sinds kort stijgt, kunnen Nederlandse boeren nu nog geen droog brood verdienen met koolstofvastlegging. ‘Het is nu nog een – vaak interessant – extraatje’, zegt Klinkert. Gemiddeld kunnen Nederlandse boeren zo’n 35 ton CO2 per jaar vastleggen in de bodem. Bij Klinkerts ‘makelaardij’ betalen afnemers tussen de zestig en honderd euro per ton CO2 – en haar prijzen zijn al relatief hoog. ‘De betaling is nooit de enige prikkel. Maar het geeft boeren die duurzamer aan de slag willen net dat zetje in de rug.’

John Heesakkers bij zijn kippen die elke dag circa 160 eieren leggen die aan de biologische winkel worden geleverd

In financiële kringen en onder beleidsmakers gaat het de laatste jaren steeds vaker over ‘ecosysteemdiensten’. Om klimaatverandering tegen te gaan moeten we de natuur beschermen en herstellen. Als we de waarde van natuur en natuurlijke processen nou eens zouden uitdrukkingen in harde cijfers, in plaats van in ongrijpbare, ‘zachte’ bewoordingen, zeggen voorstanders, kunnen we de partijen die de natuur beschermen – die dus groene ‘diensten’ leveren – hier eindelijk fatsoenlijk voor gaan betalen. Bovendien beseffen we zo pas echt hoeveel geld we verspillen met het kapotmaken van de planeet.

Wereldwijd is een grove 42 biljoen dollar – meer dan de helft van het mondiale bbp – ‘afhankelijk’ van ‘hoog functionerende biodiversiteit en ecosysteemdiensten’, zoals bossen, bodems, oceanen, woestijnen, flora en fauna, berekende de Zwitserse verzekeraar Swiss Re vorig jaar, waarbij hij waarschuwde voor de ineenstorting van deze ‘natuurlijke hulpbronnen’. Volgens het imf hangt aan een volwassen Afrikaanse bosolifant een prijskaartje van 1,75 miljoen dollar, een walvis ‘kost’ nog ruim een kwart miljoen meer.

Nu de rente al jaren laag is zoekt de financiële sector naar nieuwe verdienmodellen – het verhandelen van koolstofcredits lijkt veelbelovend

De opmars van ‘ecosysteemdiensten’ past binnen een bredere manier van denken over de strijd tegen klimaatverandering, waarin marktdenken centraal staat. De efficiëntste en goedkoopste manier om de uitstoot van broeikasgassen te beperken, is het idee, is het beprijzen van vervuiling, waardoor vervuilers sneller vergroenen en vergroeners nog sneller gaan lopen. Een prijs op CO2 en het opbouwen van internationale markten voor CO2-credits zijn hier voorbeelden van. En carbon farming dus ook.

Maar niet iedereen is fan. De term ‘ecosysteemdiensten is antropocentrisch en reductief en suggereert dat de Levende Planeet deel is van de service-economie’, twitterde de Britse journalist en klimaatactivist George Monbiot in 2019. Hij en andere critici betwisten niet dat er meer aandacht moet komen voor natuurbescherming, of dat het verbeteren van bossen, leefgebieden, oceanen, woestijnen en bodems een cruciale rol kan spelen in de strijd tegen gevaarlijke klimaatverandering. Integendeel. Wel ageren ze tegen het idee dat complexe ecologische processen uitgedrukt kunnen worden in een simpel prijskaartje. Ze werpen tegen dat juist deze manier van denken, waarbij de natuur in dienst staat van de mens, de oorzaak is van alle problemen, en waarschuwen dat ‘ecosysteemdiensten’ simpelweg een nieuw product vormen in het uitdijende kapitalisme dat alles op zijn pad commodificeert.

Ook zeggen critici dat commerciële carbon farming grote bedrijven en industrie een nieuwe uitweg biedt voor het ontwijken van fundamentele hervormingen: door CO2-uitstoot af te kopen in plaats van te verminderen. ‘Bedrijven en particulieren zoeken in toenemende mate naar manieren om hun broeikasgasemissies te compenseren,’ aldus de Growing Climate Solutions Act. Deze wet wordt dit najaar behandeld in het Amerikaanse Congres en moet de verkoop van CO2-credits door boeren stimuleren. Naast Amerikaanse boerenvakbonden en natuurbeschermers zoals het Wereld Natuur Fonds zetten ook voedselgiganten Danone, Cargill en McDonald’s, chemiereuzen Syngenta en Bayer (dat in 2018 Monsanto overnam) en techmoloch Microsoft hun krabbel onder het wetsvoorstel. ‘Het is een perfecte pleister voor degenen die geen serieuze uitstootverlagende wetgeving willen en een uitstekend podium voor greenwashing door bedrijven’, oordeelde klimaatjournalist Charlie Mitchell van The New Republic in reactie op het voorstel.

Volgens Mitchell schuilt er nog een laatste gevaar in carbon farming: het handjevol bedrijven dat nu al wereldwijd de dienst uitmaakt in de landbouw zou hun machtspositie nog verder consolideren. Om uit te rekenen hoeveel koolstof een boer kan opslaan is namelijk data nodig. En data is macht. ‘De afgelopen tien jaar hebben investeerders en ondernemers getracht allerlei vormen van data – machine learning, satellietbeelden, microbiologische wetenschap, en meer – in te zetten om de landbouw te “disrupten”’, aldus Mitchell. Boeren zouden zo efficiënter kunnen werken, meer inzicht krijgen in hun bedrijfsvoering en meer kunnen verdienen. Alleen komen de datastromen die de boeren verzamelen doorgaans niet bij henzelf terecht, maar bij leveranciers, afnemers en technologiebedrijven. De opkomst van ‘smart farming’ heeft dus niet gezorgd voor een sterkere positie van de boer – integendeel. >

Waar het wél toe leidde, is een enorme aanwas van investeringen, fusies en overnames in wat inmiddels de ‘AgTech’-sector wordt genoemd. Naast bekende namen als Bayer of landbouwmachinefabrikant John Deere betreden ook nieuwkomers de arena, zoals de miljardenstart-up Indigo Ag, die sinds vorig jaar CO2-credits verhandelt in de VS en Europa aan banken als Barclays en JP Morgan en adviesbureau Boston Consulting Group, of het kleinere Nori, dat koolstofboeren wil koppelen aan blockchaintechnologie. Mitchell waarschuwt voor ‘een onheilig huwelijk tussen Big Ag en Big Tech’. In 2019 haalden start-ups in deze sector al drie miljard dollar aan investeringen binnen.

‘Klimaatmakelaar’ Klinkert kent de bezwaren, stuk voor stuk. ‘Ik probeer heel voorzichtig te zijn met termen als klimaatcompensatie.’ Ze wil niet suggereren dat we kunnen blijven vervuilen, zegt ze. ‘Onze uitstoot beperken is het allerbelangrijkst, maar voor de onvermijdelijke emissies en om de al opgebouwde CO2-concentratie in de atmosfeer te verlagen is ook vastlegging nodig.’ Om greenwashing te vermijden wil ze nadrukkelijk geen onpersoonlijke markt opzetten, met ontransparante tussenhandelaren en certificaten, maar juist ‘lokale verbindingen creëren’. Zo koppelde ze twee boeren uit de Achterhoek aan een lokaal bouwbedrijf, werkt ze aan CO2-vastlegging met biologische supermarktketen Ekoplaza en de boeren die daar leveren, en bemiddelt ze de koolstofverkoop voor de Brabantse boer Heesakkers. Als bedrijven en burgers de boeren leren kennen die koolstof voor hen vastleggen, denkt ze, zullen ze de landbouw weer meer waarderen.

Over multinationals met mooie beloftes over de enorme hoeveelheid CO2 die ze zullen compenseren of de gigantische oppervlaktes bomen die ze zullen planten, zegt ze: ‘Dat zijn al snel holle frasen en daar zijn noch het klimaat noch de boeren bij gebaat. Ik wil daar niet aan meedoen en dat soort bedrijven kloppen ook niet bij mij aan. Maar mijn bedrijf is natuurlijk niet de enige in de sector.’

Heesakkers’ boerderij is sinds 1781, zeven generaties lang, in de familie. Reproductie met de opa van Heesakkers bij het aardappels rooien

Afgelopen januari kondigde Rabobank aan zich als een van de eerste banken ter wereld op carbon farming te storten. De nieuwe Rabo Carbon Bank wil de komende jaren veel waarmaken: zo gaat ze bedrijven, boeren en klanten aansporen om zelf minder CO2 uit te stoten in hun huishoudens en bedrijfsvoering. Ook ontwikkelt ze een handelsregister waarin CO2-credits geregistreerd zullen worden. Nu de rente al jaren laag is zoekt de financiële sector naar nieuwe verdienmodellen – en het verhandelen van koolstofcredits lijkt een veelbelovende.

‘En we willen het verschil maken door samen met boeren van over de hele wereld koolstof vast te leggen in bodems en bossen’, zegt Barbara Baarsma, ceo van de nieuwe bank en daarnaast hoogleraar toegepaste economie aan de Universiteit van Amsterdam. ‘En dan bedoel ik álle boeren. Kleine boeren, maar juist ook grote, want dan maak je het verschil.’ In een aantal Afrikaanse landen wil Rabobank boeren bijstaan bij het opzetten van bosbouwbedrijven, in landen als Australië, de VS en Brazilië is de focus koolstofvastlegging in de bodem. Rabo verkoopt de tonnen vastgelegde CO2 vervolgens als credits aan hun klanten. ‘Deze grote landbouw- en voedselbedrijven staan in onze boeken, zij moeten en willen aan de slag. We leggen de lat hoog en verkopen alleen aan bedrijven die zelf heel actief zijn met reductiemaatregelen. Maar voor de onvermijdelijke emissies hebben we ook een compensatie-agenda en dus CO2-credits nodig.’

De boerenleenbank bundelt hiervoor de krachten met technologiebedrijven, waaronder Microsoft, dat de benodigde technologie zoals satelliet-analyses en andere ‘remote monitoring’ moet ontwikkelen. Die techreus heeft het voornemen om in 2030 CO2-negatief te zijn, wat inhoudt dat hij dan méér CO2 wil compenseren dan hij uitstoot. De tweede ronde pilots van de koolstofbank zijn net gestart, zegt Baarsma, en de eerste credits verkocht. ‘We staan voor enorme uitdagingen. Binnen die context is deze bank ontstaan. We willen klimaatverandering tegengaan én de landbouw verduurzamen.’

‘Ik plant bomen op het land dat mijn voorouders ooit hebben ontgonnen’, zegt bosboer Heesakkers. ‘Eigenlijk moet je over een paar maanden terugkomen, dan staat alles in bloei.’ Maar makkelijk is het niet. Met behulp van subsidies voor landbouwverduurzaming van de provincie, de eerste bescheiden inkomsten van zijn producten en de opbrengst van de eerste tonnen koolstof, probeert Heesakkers deze transitieperiode te overbruggen.

Meermaals trachtte hij, aan zijn eigen keukentafel, lokale Rabo-functionarissen te overtuigen van zijn visie op de toekomst van landbouw, maar tevergeefs. De familie Heesakkers zit al ruim een eeuw bij de Rabobank, toch kreeg hij geen nieuwe lening; de bedrijfsresultaten tijdens de transitieperiode zouden tegenvallen. ‘Ze werken met Excel-sheets en risicoprofielen’, zegt hij. ‘Als je iets wil doen wat niet binnen hun kaders past, kunnen ze niet inschatten wat je kunt terugbetalen. Dat vinden ze heel spannend.’ Baarsma van de Rabo Carbon Bank zegt helaas niet in te kunnen gaan op situaties van individuele klanten, maar benadrukt dat Rabobank alle aanvragen van ondernemers allereerst toetst op duurzaamheidsindicatoren en vervolgens op de businesscase, die ‘voldoende perspectief op de lange termijn’ moet bieden en gebaseerd is op ‘realistische uitgangspunten’.

Boer Heesakkers loopt over een pad door wat een ecologische verbindingszone voor vogels, hazen en amfibieën moet worden, via een kippenhok op wielen, een zoemende bijenkast en een vennetje, door een pluk loofbos en voorbij een weidevogelpoel. ‘Wie had gedacht dat dit iets voor mij zou zijn? Ik niet, hoor. Maar het boerenbedrijf, ecologie, klimaat, de bodem – dat moet allemaal in balans komen. En ik zie de landbouw, en mijn eigen interesses, ontwikkelen.’ Hij houdt halt op een zandberg. Waar je ook kijkt, overal paardenbloemen. ‘Weet je? Die wortelen heel diep.’


Deze publicatie kwam tot stand met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten, fondsbjp.nl