Menno Hurenkamp

Vijf seizoenen

Schreeuw het van de daken: «Ik ben geen homo!» En iedereen zal zeggen: «Goh, ik wist niet dat je homo was.» Ook een aankondiging dat het weer leuk werken wordt bij de overheid, roept niet de gehoopte reacties op. Het cliché zit te diep.

De regering kreeg vorige week een rapport gepresenteerd waarin zorgwekkende bevindingen staan over de arbeidsomstandigheden van staatsdienaren. De vraag was hoe mensen langer vastgehouden kunnen worden in de zorg, het onderwijs, bij de politie en in al die ministeries. De conclusie was: de achterstand is in alle opzichten groot, er moet geld bij. En soepeler arbeidsvoorwaarden en meer beloning naar prestatie. Want dat doet de succesvollere marktsector ook.

Met die marktoriëntatie in het achterhoofd zitten er wat typische kanten aan de bevindingen van deze commissie. Er staat bijvoorbeeld niet het bekende adagium uit het bedrijfsleven in: we gooien de mensen eruit die het zover lieten komen. Ook valt op dat de hele ambtelijke top in de commissie zat, maar dat terzake kundige bedrijfsadviseurs maar heel terzijde hebben deelgenomen. Waar het rijk bij de geringste onzekerheid over een spoorlijn een serie consultants laat aanrukken, hielden ze de zaak dit keer maar liever in eigen hand. Stel je voor.

Nu, dat politie, verplegers en onderwijzers meer geld krijgen lijkt me terecht, al zijn de achterstanden niet dickensiaans, en mogen ze in ruil voor minder salaris wel met kinderen en pistolen spelen. Maar het onderliggende probleem, «het is niet leuk bij de overheid», komt niet aan de orde. En dat heeft waarschijnlijk te maken met dezelfde terughoudendheid die spreekt uit het niet wegjagen van verantwoordelijken, uit het dit keer niet selecteren van een paar snelle jongens als medelid van de onderzoekscommissie. Dat komt omdat de overheid niet precies weet waarvoor ze staat: service provider op die plekken waar de markt het echt laat afweten, of richtinggevend instituut in de maatschappij, of iets daartussenin, maar dan helder verwoord.

Die onzekerheid moet verdoezeld. «Wil je werken voor een bedrijf met zestien miljoen klanten?» vraagt de Belastingdienst trillend van opwinding aan potentieel personeel. Ach. De hoop is dat je met marktachtig gedrag en meer salaris betere ambtenaren krijgt. Onzin, de slag om de geldwolven is bij voorbaat verloren. Minister Klaas de Vries dreigt op basis van het rapport met een dertiende maand voor zijn mensen. Mijn vriendjes in zaken hebben zich drie jaar geleden voorzien van een veertiende maand en maken zich op voor een extra seizoen. De schaduw van prestatiebeloning voor overheidsdienaren is dat ambtenaren gevoeliger worden voor corruptie; verpleegsters met een stopwatch in de washand lopen.

Om de arbeidsmarkt in de collectieve sector op te knappen heb je geen vijfseizoenenarbeiders nodig, maar een antwoord op de vraag of werken voor de overheid iets anders is dan werken voor de markt. Status en werkplezier van de ambtenaar houden lang niet alleen verband met geld. De lol wordt vergald door alle ingewikkelde klussen die hij om politieke risico’s niet meer kan of mag opknappen en die ex-collega’s nu via een particulier bureau te lijf gaan. Voor vijfduizend gulden per dag pakt die de buit én het meisje.