Onbetwist de beste

Vijfentwintig jaar Jeugdjournaal

De formule van het Jeugdjournaal is zo sterk dat het al 25 jaar overleeft en wordt geprezen in binnen- en buitenland. Hoe onbetwist is de status van het Jeugdjournaal?

«Onbetwist is de betekenis van het NOS-Jeugdjournaal voor een aanzienlijk deel van de Nederlandse jeugd», schrijft Ad van Liempt in Het journaal: 50 jaar achter de schermen van het nieuws. Hij heeft gelijk. Sinds Leontien Ceulemans 25 jaar geleden het allereerste Jeugdjournaal presenteerde, op 5 januari 1981, zijn er generaties kinderen dagelijks door het Jeugdjournaal op de hoogte gebracht van – en dus beïnvloed door – nieuws uit binnen- en buitenland. Van de doelgroep, de negen- tot en met twaalfjarigen, kijkt anno 2006 bijna de helft van de kinderen die rond 18.45 uur voor de tv zitten naar het Jeugdjournaal. En van alle kinderen van zes tot en met acht jaar die rond dat tijdstip televisie kijken, verkiest tweederde, waarschijnlijk onder invloed van de pedagogisch verantwoorde televisiekeuze van hun ouders, het Jeugdjournaal boven het aanbod van de commerciële zenders. Het Jeugdjournaal als informatief kwaliteitsprogramma voor kinderen is derhalve niet meer weg te denken van het Nederlandse televisiescherm.

Het Jeugdjournaal is ontstaan in de tijd dat Ed van Westerloo zijn op verandering gerichte bewind voerde over het NOS-Journaal (1975-1985). Als hoofdredacteur streefde hij naar expansie, vernieuwing en diepgang. Een jeugdjournaal, mits het niet een educatief maar een echt nieuwsprogramma zou worden, paste helemaal in Van Westerloo’s reorganisatiedrift. In 1978 eindigt zijn eerste Nota Jeugdjournaal met de opmerking dat de plannen voor een jeugdjournaal gezien moeten worden «als een kleine bijdrage om uit deze malaise te geraken. Het gaat hier om iets werkelijk nieuws dat – goed uitgevoerd – een verrijking van het televisieaanbod zal kunnen betekenen.» Van Westerloo’s idee een jeugd journaal te starten lijkt dus eerder uit vernieuwingsdrang geboren dan uit het in die tijd in zwang zijnde ideaal dat kinderen net als volwassenen recht hebben om te weten wat er in de wereld gebeurt.

Na veel onderzoek, nota’s en vergaderingen slaagt Van Westerloo erin het Jeugdjournaal bij het «grote» journaal onder te brengen en moet de Nederlandse Onderwijs Televisie (de pleitbezorgers van een educatieve nieuwsrubriek voor kinderen) genoegen nemen met het uitzenden van een school-tv/weekjournaal – een combinatie van Nova en Netwerk voor de jeugd – dat sinds 1981 op vrijdagochtend onder schooltijd wordt uitgezonden.

Vanuit het gegeven dat het Jeugdjournaal een nieuwsprogramma zou worden, volgde logischerwijs het uitgangspunt dat het belangrijkste wereldschokkende nieuws het centrale kader zou vormen waarbinnen de redactie moest selecteren. Vanzelfsprekend moesten de nieuwsfeiten in begrijpelijke taal worden gepresenteerd en worden voorzien van context.

Leontien Ceulemans deed dat als eerste presentator heel contentieus en zorgvuldig, getuige bijvoorbeeld haar presentatie van het nieuws over de «beknopte» troonrede in 1981. Zittend achter een bureau en gekleed in een zwart T-shirt legt ze, nadat het begin van de troonrede met een jonge koningin Beatrix is getoond, met rustige stem helder uit dat het rampenkabinet-Van Agt II (1981-1982) nog maar net beëdigd is en «dat de kersverse ministers nog geen tijd hebben gehad om goed na te denken over de plannen voor het volgende jaar». Maar tijd of geen tijd, licht Ceulemans toe, «in de grondwet staat dat er op de derde dinsdag van september altijd een troonrede moet zijn. En dat geldt ook voor de miljardennota».

Iedereen die nu naar het Jeugdjournaal kijkt, zal opmerken dat de in 1981 gekozen uitgangspunten nog steeds het fundament vormen waarop het programma rust. Kennelijk is de formule van het Jeugdjournaal zo ijzersterk dat het al 25 jaar lang overleeft en wordt bezongen en geprezen in binnen- en buitenland. Zo kreeg het programma van het publiek de Kinderkast-televisieprijs voor het Jaaroverzicht 2004 en het Jeugdjournaal Tsunami, waarin de redactie een maand na de ramp probeerde te achterhalen waar het ingezamelde geld van de hulpactie voor werd gebruikt.

Als een van de oudste jeugdjournaals ter wereld – alleen Newsround van de BBC bestaat langer – dient het NOS-Jeugdjournaal zelfs als inspiratiebron voor andere landen. Zo is het Duitse kinderbulletin Logo (uitgezonden door ZDF) halverwege de jaren tachtig ontstaan vanuit de Nederlandse formule en is het Jeugdjournaal vorig jaar door de organisatie voor persvrijheid Free Voice geëxporteerd naar Suriname (10Minuten), Afghanistan (Future Makers) en Zuid-Afrika (Kids News Room).

Toch, alle loftuitingen en de door Van Liempt genoemde «onbetwistbare» maatschappelijke betekenis van het Jeugdjournaal ten spijt kun je kanttekeningen plaatsen bij het programma in zijn huidige vorm.

Als volwassen kijker van het Achtuur Journaal moet je wennen aan het populaire «hallo allemaal» en «nou dag, ik zie je later» van de jeugdige presentatoren en valt op dat moeilijke woorden angstvallig worden vermeden. Waarom zakken volwassenen tegenwoordig zo gemakkelijk door de knieën? Uit vrees dat kinderen het aangebodene anders niet leuk genoeg vinden?

Diezelfde vragen stel je bij het zien van een reportage over een «kerstmannenschool» in Groot-Brittannië. Inderdaad leuk om al die kerstmannen in een klaslokaal onder luid «ho, ho, ho»-geroep «gelukkig kerstfeest» in het Chinees te zien oefenen, maar hoort dit soort infotainment in een nieuwsprogramma?

Natuurlijk, je moet kinderen niet confronteren met alleen maar wereldleed. Goed nieuws is ook nieuws. En het afwisselen van heftige berichten met minder zware nieuws feiten is een bekende geruststellingstrategie die door het Jeugdjournaal terecht wordt toegepast.

Toch is het belangrijk om nieuws en amusement te scheiden. Ten eerste omdat kinderen een grote werkelijkheidswaarde toekennen aan nieuwsbulletins en een kinderjournaal dus moet oppassen feit en fictie niet te vermengen. Ten tweede is het louter buigen voor de wens van de jeugdige kijker – een gevaar dat met de interactieve website van het Jeugdjournaal nogal is toegenomen – onnodig. Regelmatig bewijst het Jeugdjournaal dat er genoeg luchtige maar toch volwaardige nieuwsonderwerpen zijn. Bovendien blijkt uit onderzoek dat kinderen vanaf negen jaar buitengewoon veel nieuwsinteresse hebben. Maak als jeugdjournaal gebruik van deze aangeboren nieuwsgierigheid, wees niet bang voor kijk cijfers en bied de jeugd meer dan wat ze verwachten en wensen.

Juliette Walma van der Molen, die als medewerker bij de afdeling communicatiewetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam reacties van kinderen op televisienieuws onderzoekt en een grote fan is van het Jeugdjournaal, pleit juist vanwege deze nieuws gierigheid voor een volwaardig kindernieuwsprogramma. «Kinderen volgen meer nieuws dan veel opvoeders denken», zegt Walma van der Molen. «Ongeveer 65 procent van de zeven- tot en met twaalfjarigen kijkt bijna dagelijks naar nieuws dat veelal voor volwassenen is gemaakt. Jongeren aan het eind van de basisschool zijn behoorlijk betrokken bij allerlei maatschappelijke en politieke onderwerpen. Je kunt kinderen dus niet afzijdig houden van het nieuws. Je moet ze eerlijk informeren. Het Jeugdjournaal doet dat goed en neemt zijn publiek lovenswaardig serieus.»

Maar toch, wat is eerlijk? Flitsend en in hoog tempo wordt er om 18.45 uur in een kwartier een groot aantal nieuwsberichten doorheen gejaagd die je eerder op de middag, net na schooltijd, in een flitsjournaal al tot je kon nemen. Maar het blijft slechts een klein deel van de totale onoverzichtelijke nieuwsberg. Manipulatie als gevolg van onderwerpkeuze lijkt onvermijdelijk.

Walma van der Molen wijst erop dat selectie niet hetzelfde is als manipulatie en niet automatisch tot indoctrinatie leidt. «Nieuws is per definitie nooit helemaal objectief», zegt ze. «Uit internationaal onderzoek is bijvoorbeeld gebleken dat journaals de heersende politieke opvattingen weerspiegelen. Moet je op grond daarvan besluiten geen jeugdjournaal uit te zenden? Dat zou onzin zijn.»

Al hebben kinderen recht op een eigen nieuwsprogramma, toch moet het Jeugdjournaal zich hoeden voor indoctrinatie. Vooral omdat juist kinderen beïnvloedbaar zijn en nog niet zoals volwassenen de mogelijkheid hebben om via verschillende mediakanalen een zo objectief mogelijk nieuwsbeeld te vormen.

Indoctrinatie vindt sowieso al plaats door de soms sterk vereenvoudigde en daardoor onjuiste voorstelling van zaken. Uitleg over complex nieuws als bijvoorbeeld de recente verkiezingen in Irak wordt in enkele zinnetjes versimpeld samengevat in de trant van: de Irakezen mogen vandaag een eigen parlement kiezen en daarmee hopen ze dat Irak weer rustig en van de Irakezen wordt. Eerst waren de mensen blij dat de Amerikanen Saddam Hoessein hadden verjaagd, maar nu worden er veel aanslagen gepleegd door mensen die boos zijn dat de Amerikaanse soldaten nog steeds in hun land zijn.

Columniste Beatrijs Ritsema vraagt zich in haar essay Laat ze maar zappen (in Kleine berichten van Geke van der Wal, 1996) daarom terecht af of het Jeugdjournaal kinderen wel lastig moet vallen met onderwerpen waar ze eigenlijk nog niets van kunnen begrijpen. Ondanks de zorgvuldigheid waarmee het Jeugdjournaal handelt en de «weetlust» van zijn doelgroep zijn er nieuwsonderwerpen die zodanig veel his torische, politieke, staatkundige of eco nomische kennis vereisen dat ze voor kinderen te ingewikkeld kunnen zijn. Een wekelijks achtergrondprogramma met uitgebreid aandacht voor bepaalde nieuwsfeiten, zoals het in 1992 gesneuvelde Jeugdjournaal Extra dat was, zou dit probleem voor een deel kunnen ondervangen.

Vanuit het gegeven dat het Jeugdjournaal een journalistiek programma is, is het standpunt van Jeugdjournaal-chef Ronald Bartlema, zoals hij dat verwoordde naar aanleiding van de zaak-Dutroux, heel begrijpelijk en gerechtvaardigd: «De vraag is niet óf we het brengen, maar hóe we het brengen.»

Wel vraag je je af, zoals Peter Vasterman dat al deed in De Groene Amsterdammer na slechts een maand Jeugdjournaal in 1981, waarom de Jeugdjournaal-redactie zich toch per se wil conformeren aan de klassieke journaal formule. Nieuws kan complex en daar door ontoegankelijk zijn. Het «opleuken» van het nieuws enerzijds en vereenvoudigen anderzijds geeft daarom niet alleen een mogelijk onjuiste voorstelling van nieuwsfeiten, maar, en dat is misschien wel kwalijker, ook een verkeerde voorstelling van wat nieuws is.

Om kinderen te leren wat nieuws is, moet de maatschappij snel investeren in mediaopvoeding. «Leer kinderen met de verschillende media omgaan», zegt Walma van der Molen. «Laat ze weten hoe nieuws gemaakt wordt en breng ze bij dat nieuws uiteindelijk ook maar een constructie van de werkelijkheid is die gemanipuleerd kan worden.»

Laten we dat doen. Dan creëren we niet alleen mondige, maar ook kritische kinderen, met als gevolg dat over 25 jaar de betekenis van het NOS-Jeugdjournaal voor deze kinderen vast minder vanzelfsprekend onbetwist is dan nu.