Vijftig jaar moreel hoogstaand

Echt journalistiek kun je het blad eigenlijk niet noemen, maar discussies aanwakkeren kan het als geen ander. Die Zeit, de krant van de reflecterende redelijkheid, is het intellectuele boegbeeld van Duitsland. Al een halve eeuw lang. Karl-Heinz Janssen, Die Zeit in der Zeit, uitgeverij Siedler, 349 blz., f55,70. Alice Schwarzer, Marion Donhoff, ein widerstandiges Leben, Kiepenheuer & Witsch, 344 blz., f55,70.
DIE ZEIT, STEL IK MIJ voor, is een weekblad waarvan de redacteuren elkaar dagelijks met een hartelijk ‘Goedemorgen, Herr Doktor’ - ‘Hoe maakt u het, Frau Doktor?’ begroeten, waarna een ieder zich in zijn of haar eigen hokje terugtrekt teneinde daar een geleerde beschouwing te gaan schrijven.

Marion Grafin Donhoff (85), al een halve eeuw aan het blad verbonden, raakte eens in gesprek met de uitgever John Jahr. Wat was zijn mening over Die Zeit? Zij verwachtte dat de man haar krant, zoals in het milieu gebruikelijk, de hemel in zou prijzen. Hij zei echter, tot haar onaangename verrassing: ‘Ach, weet u, daar zitten dan een groepje geletterde mensen bijeen over God en de wereld te discussieren, zonder zich ervoor te interesseren wat de lezer of de regering of het bedrijfsleven ervan denkt. Die Zeit is in feite een krant van leken voor leken.’
Toen Marion Grafin Donhoff van de schrik bekomen was, bracht zij het voorval ter sprake in de redactievergadering. 'Wij hebben de hoogste lof gekregen die voor een journalist denkbaar is’, berichtte zij. 'Wij zijn getypeerd als leken, als lieden die zich niets aan belangengroepen gelegen laten liggen, maar daarentegen een poging doen om de maatschappij naar beste weten en geweten te analyseren.’
DIE ZEIT IS HET intellectuele boegbeeld van een natie die ooit, met name in de jaren van de Republiek van Weimar, de beste kranten ter wereld maakte.
In de redacties van die kranten waren nogal wat linksen en joden werkzaam, om over de linkse joden maar te zwijgen. Tot ongenoegen van de nazi’s, die hen dan ook zo snel mogelijk het concentratiekamp of de emigratie in hebben gejaagd. Het gevolg is tot op heden aan de huidige Duitse kranten af te lezen, die zich zelden onderscheiden door stijl, Witz en wereldverbeterende bezetenheid. De traditie van de grote, klassieke journalistiek vindt men eigenlijk nog het duidelijkst in de kolommen van Die Zeit, een opinieweekblad in de traditionele zin des woords: commentarierend, recenserend, essayerend. In de meer eigentijdse journalistieke disciplines (bijvoorbeeld het vraaggesprek) is het weekblad minder bedreven. Zo'n interview behelst veelal zo'n stokstijve gedachtenwisseling boven een kop koffie en een bandrecorder, meestal met een politicus, de vragen cursief en de antwoorden romein.
In een publicitair milieu waarin alles korter, sneller, kleurrijker en oppervlakkiger wordt, heeft een opinieweekblad als Die Zeit nu eenmaal primair voor het opinieren gekozen, in artikelen van een tot vijftien kolommen waarin wordt uitgelegd hoe de wereld in elkaar zit. Dient Duitsland op een beroepsleger over te gaan? Die Zeit schaft raad. Moeten op rechterlijk bevel de crucifixen uit de openbare scholen worden verwijderd? Die Zeit spreekt een relativerend woord.
Die Zeit is een krant die typisch past in de Duitse Bildungstradition, wortelend in een publicitair klimaat waarin werkelijk op niveau van gedachten wordt gewisseld en het maatschappelijk debat niet, zoals bij ons, grotendeels wordt overgelaten aan grappenmakende columnisten en de doctorandussen op de opiniepagina’s. Het is de krant van de reflecterende redelijkheid, een weekblad dat de feiten op zijn eigen merites tracht te beoordelen, om het even of zij door de groenen of door de christen-democraten in discussie zijn gebracht. Dus stond Die Zeit in de jaren zestig achter de, met name door de studentengeneratie aangevuurde, buitenparlementaire oppositie. De natie, zo wist de redactie, was toe aan een grote schoonmaakbeurt. De politieke partijen waren werkelijk niet in beweging te krijgen. De moraal in sexualibus (abortus, homoseksualiteit) dateerde uit de middeleeuwen. Onder de universitaire toga’s had zich het stof van duizend jaren opgehoopt.
Dus weg ermee!
Toen begonnen de opstandelingen met stenen te gooien, een vorm van antiburgerlijk verzet die uiteindelijk in een regelrechte stadsguerrilla ontaardde. Daar trok Die Zeit, als principieel tegenstander van het doodschieten van bankdirecteuren, uiteraard de handen van af. Het eindigde allemaal diep tragisch: de aanvoerders van deze stadsguerrilla pleegden collectief zelfmoord in de gevangenis van Stuttgart-Stammheim, hetgeen door de overlevenden onmiddellijk ideologisch tot moord - ongetwijfeld gepleegd door de geheime dienst - werd omgefunctioneerd. Volksstammen radikalinski’s hebben in deze conspiratietheorie geloofd. Want bleek niet uit de contra-expertises van de verdediging…? En was het niet onze eigen mr. Herman-Pieter Bakker Schut, die…? Totdat Die Zeit zijn eigen huishistoricus Karl-Heinz Janssen aan het werk zette met de opdracht de gebeurtenissen zo nauwkeurig mogelijk te reconstrueren. Het resulteerde in de driedelige serie Was geschah in Stammheim wirklich? die op alle vragen antwoord gaf. Helaas, Adreas Baader en de zijnen hadden wel degelijk zelfmoord gepleegd. Alleen een blinde of een maniak kon dit, na lezing, nog ontkennen.
Het was eigenlijk een soort journalistiek, een genre waarmee het weekblad, anders dan zijn zusterblad Der Spiegel, eigenlijk niet zoveel ervaring heeft. Die Zeit is bedrevener in de discussie. Stel dat terroristen een politicus in gijzeling nemen, met de eis dat de geestverwante 'politieke gevangenen’ moeten worden vrijgelaten - wat dan te doen? Moet je als staat capituleren voor een dergelijke vorm van chantage? De hele intellectuele top van het weekblad, inclusief uitgever en eigenaar, verdiepte zich op een gegeven moment in dit probleem. Hoofdredacteur Theo Sommer keerde zich tegen het gezonde volksgevoel: 'Beter een hulpeloze dan een harteloze natie.’ Hij werd bijgevallen door zijn redacteur Hans Schueler: 'Mij dunkt dat een staat die zich omwille van het redden van mensenlevens laat chanteren, als alleszins bewoonbaar moet worden beschouwd.’ Marion Grafin Donhoff koos, in het voetspoor van koning Friedrich WilhelmI, voor de Pruisische rechtlijnigheid: 'Het ware beter een leven te offeren, dan de wet met voeten te treden.’ Zo oordeelde ook Gerd Bucerius, de gefortuneerde eigenaar van het blad. Hij liet in besloten kring weten dat, mocht hem iets dergelijks overkomen, in geen geval aan de eisen van de ontvoerders mocht worden toegegeven, kome ervan wat kome. Hij is overigens een paar jaar geleden rustig in zijn bed gestorven.
Hoe dan ook, het was zo'n typische Zeit-discussie, principieel, argumentatief, theoretisch en met risicoloos respect voor elkanders standpunt.
HET WEEKBLAD WORDT gepersonifieerd door Marion Grafin Donhoff, redactrice van het eerste uur. Tot op heden pleegt zij zich, schrijvend, telefonerend en vergaderend, met de zaak te bemoeien. Zij is een morele instantie op zichzelf, een instantie waarvan te vermoeden valt dat geen mens het de laatste vijfendertig jaar heeft gewaagd haar tegen te spreken. Alleen Helmut Kohl schijnt een paar jaar geleden buiten gehoorsafstand iets kritisch over de oude dame te hebben gemompeld, maar de man is nu eenmaal geen morele instantie doch een politicus die geacht wordt het land te besturen. Kohl is geacht, Donhoff is geeerd, een vrouw met de aartsvaderlijke uitstraling waaraan het land altijd behoefte heeft gehad. Ooit vervulden Bismarck en Hindenburg die behoefte, na de Tweede Wereldoorlog deden dat boven de partijen staande politici als de socialist Heinemann en de christen- democraat Von Weizsacker. Het verwondert mij dan ook niets in het voortreffelijke jubileumboek van huishistoricus Karl-Heinz Janssen (Die Zeit in der Zeit) te lezen, dat de gravin ooit is gevraagd zich voor de positie van bondskanselier te kandideren.
Na een bedenktijd van anderhalve seconde zei zij nee.
Parallel aan het boek van Janssen is haar biografie (Marion Donhoff, ein widerstandiges Leben) verschenen. Het boek is geschreven door Alice Schwarzer, hoofdredactrice van het vrouwenblad Emma. Interessant, deze ontmoeting tussen die twee belangrijke politieke publicistes. Jammer, dat de biografie nogal mislukt is. Het levensverhaal van Marion Grafin Donhoff, van haar verloren landgoed in Oost-Pruisen tot de chef-etage in Hamburg, is grotendeels allang door de gravin zelf verteld. De door Alice Schwarzer geraadpleegde achterneven en Zeit-collega’s hebben hier, behalve de gebruikelijke beleefdheidsbetuigingen, niet veel aan toe te voegen. Het probleem met Alice Schwarzer is dat zij zich gedraagt als de wethouder Hekking van het feminisme. Zij manoeuvreert zichzelf zolang in de richting van de camera totdat de ware hoofdpersoon van het verhaal grotendeels buiten beeld is gedrongen. Samen met Donhoff bezocht zij ooit een premiere. De Hamburgse society keek bij het verschijnen van 'het duo Donhoff/Schwarzer’ verrast op. Wandelend door de gangen van de redactieburelen van Die Zeit werd zij van de zijde der KollegInnen’ (femichinees) door 'discreet ontzette blikken’ getroffen.
Maar haar boek ging toch over Marion Grafin Donhoff en niet over Alice Schwarzer? Ach ja, natuurlijk! Hoe kon zij het vergeten! Vandaar dat Alice Schwarzer voor een bonus heeft gezorgd. In de vorm van een broodmager interview (vraag: 'Het duurt dus niet lang meer voordat ons boek verschijnt. Wat zullen de mensen zeggen als zij ons beider namen op de omslag zullen zien staan?’), gevolgd door honderd pagina’s teksten van de gravin zelve. Met de gebruikelijke nette standpunten, plus enig het-kan-vriezen- en-het-kan-dooien plus wat oudevrouwengemopper over de 'brutalisering van ons tijdsgewricht’, weshalve de nietsnuttige jeugd het beste tot verplichte arbeid kan worden gedwongen.
De selectie is bepaald ongelukkig uitgevallen. Is dit nu die fameuze Donhoff? De ervaren lezer van haar weekblad weet beter. Bij de oppervlakkige lezer wordt echter de indruk gewekt dat Marion Grafin Donhoff blijkbaar alleen maar een morele autoriteit is geweest die zich uitsluitend door haar adellijke status en de kracht harer persoonlijkheid overeind heeft weten te houden.
Nee, de gravin heeft weinig reden KollegIn Alice Schwarzer dankbaar te zijn.
DIE ZEIT IS EEN vooruitstrevende krant, liberaal in de open en vrijheidslievende betekenis van het woord. De krant etaleert ook de betrekkelijkheid van het publicitaire liberalisme. Zij is vriendelijk-kritisch voor liberalen, sociaal-democraten en liberalen, kritisch-vriendelijk voor de christen-democraten en tegen de christen-sociale houwdegens uit de vrijstaat Beieren. Het aldaar gepraktizeerde witte-worstradicalisme is niets voor de gematigde intellectuele boheme van Hamburg. Maar toen de uitgever van Die Zeit in de herfst van 1980, midden in de verkiezingen voor de Bondsdag, een hoogstpersoonlijk geformuleerd 'pleidooi voor de betere man’ (Franz-Josef Strauss) in zijn krant wenste te zien afgedrukt, heeft geen mens, ook niet de hoofdredacteur, dit weten te voorkomen - de arme man heeft er zelfs, tot woede van een groot deel van zijn redactie, de gezichtsbepalende pagina drie voor moeten ontruimen.
Strauss bleek uiteindelijk kansloos en Die Zeit is een vooruitstrevende krant gebleven.
Maar is het, journalistiek gezien, ook zo'n goede krant?
Een enkele keer wreekt zich ter redactie het feit dat niet alle vragen des levens binnen de veilige beslotenheid van de studeerkamer te beantwoorden zijn. Zoals bleek in 1964, toen een vooraanstaande delegatie van het blad (Marion Grafin Donhoff, Theo Sommer en cultuurchef Rudolf Walter Leonhardt) een 'reis door een ver land’ ondernamen, de toenmalige Duitse Democratische Republiek. De reis was volledig door de DDR- functionarissen voorgekookt, met deskundige adviezen van Klaus Rainer Rohl, de uitgever van het blad Konkret dat, naar later bleek, door de communisten werd betaald. Zo werd de ideale creche bezocht, gevolgd door die brandschone, excellent georganiseerde, collectieve boerderij, beheerd door die alleraardigste partijfunctionaris die tussen de bedrijven door op gewetensvolle wijze zijn functie in het Centrale Comite van de partij bleek te bekleden.
Onkritisch was de berichtgeving niet. Toch was het typische egghead-journalistiek van mensen die niet gewend waren echt uit hun ogen te kijken. De bewoners waren vriendelijk, het eten was goed en half zo goedkoop als bij ons in het Westen. Toegegeven, sinaasappelen waren schaars, maar aan citroenen was geen gebrek en het Berliner Ensemble speelde excellent Brechts Kaukasische krijtkring. Samenvattend: 'Er is inderdaad in en aan de DDR veel slechts half zo afkeurenswaardig als ons altijd wordt voorgespiegeld.’ Dat was dus vijftig procent publicitaire winst voor het Ulbricht-regime en diegenen die deze propagandatournee hadden voorbereid kregen aan het einde van de reis een fraaie promotie.
Want al te driftig geopinieer leidt tot politieke blindheid. Zo bleek andermaal in mei-juni 1986 toen er ten tweede male een zware Zeit-delegatie (inclusief Donhoff, Sommer en Leonhardt) de DDR doortrok. Andermaal hadden de gastheren veiligheidshalve voor een zo overladen programma gezorgd dat de dames en heren journalisten nauwelijks gelegenheid hadden om met een normale DDR-burger te spreken. En weer was de reis een groot succes - voor de Oostduitsers. Het Westduitse weekblad publiceerde precies datgene wat het Oostduitse ministerie van Buitenlandse Zaken had geprogrammeerd: de DDR had ongetwijfeld zijn problemen, maar het land ging met sprongen vooruit, de levensstandaard werd zichtbaar beter, auto’s, wasmachines en televisietoestellen werden 'net als bij ons’ massaal verkocht en 'straat na straat wordt vernieuwd, stadskern na stadskern wordt gerenoveerd’.
Terwijl de eerste de beste maatschappijbewuste straattegel beter wist: de DDR was in die tijd allang politiek en moreel failliet, het was een pure terreurstaat, stoelend op een verrotte ideologie, in feite bestuurd door de omnipotente staatsveiligheidsdienst die kinderen ertoe aanzette hun ouders aan te geven en echtgenoten ertoe preste hun echtgenotes te bespioneren.
Een delegatie nieuwsneuzen van de concurrerende Spiegel had zich vast niet, als de collega’s van Die Zeit, zo schandalig in de luren laten leggen.
DE INTERESSANTSTE (en minst wereldvreemde) politieke standpunten vindt men bij Die Zeit vaak niet zozeer in het politieke deel, maar in het feuilleton, het culturele supplement van het weekblad. Dat gaat slechts ten dele over de wereld der schone kunsten. Want in Duitsland hebben kunstenaars, met name de schrijvers, echte politieke opvattingen waar zij met graagte en hartstocht van plegen te getuigen. Hoe kan het anders in een land dat zo lang door politiek, in zijn democratische en zijn totalitaire verschijningsvormen, doordesemd geweest is? Dus brengt (ook) Die Zeit met grote regelmaat de geharnaste meningen van Gunter Grass, Hans Mayer, Walter Jens, Martin Walser, Fritz J. Raddatz en vele anderen, publicisten wiens meningen altijd de moeite van het lezen waard zijn. Daar kan menig beroepscommentator iets van leren.
Neem de periode 1987-1989, even voor de Wende. De toekomst van de beide Duitslanden was, zoals altijd, hevig in discussie. Die was ongewis, hadden Theo Sommer en de zijnen van hun diverse DDR-bezoeken geleerd. 'De grenzen blijven’, verzekerde Sommer; 'een zekere vorm van opening, niet van afschaffing, is voorlopig het hoogst bereikbare.’ Helmut Schmidt, de ex- bondskanselier die inmiddels tot mede- uitgever van het weekblad was opgeklommen, wist op grond van zijn rijke ervaring zeker: hereniging van de beide Duitslanden was uitgesloten.
Het was een mening die dwars stond op het essay dat de schrijver Martin Walser even eerder in het Zeit-feuilleton had gepubliceerd. Daarin werd geestrijk het gemak bekritiseerd waarmee de linkse en rechtse intelligentsia zich in de Duitse deling schikte. Zo sprak ook ex-feuilletonchef en DDR- vluchteling Fritz J. Raddatz: 'Het is de plicht van intellectuelen om utopieen ter discussie te stellen.’
Dit werd geschreven in september 1989. Twee maanden later geschiedde het ongelooflijke. De Muur werd geopend en de DDR- burgers toerden met hun Trabanten het vrije Westen in. Het ene katern van Die Zeit had het andere katern in het ongelijk gesteld. Het Prinzip Hoffnung had - eindelijk! - over de studeerkamerscepsis getriomfeerd.
VIJFTIG JAAR DIE ZEIT. Die krant heeft er werkelijk veel toe bijgedragen dat Duitsland inmiddels een normale, betrouwbare democratie is geworden. Klepperdeklep, zegt de brievenbus. Daar ligt de nieuwste editie op de mat. De voorpagina vraagt zich af wie de 'derde kracht’ in Duitsland wordt, de liberalen of de Groenen. Er wordt geen partij gekozen, wel wordt de Groenen aangeraden zich iets verstandiger te gaan gedragen. Het verhaal over de wijze waarop Domingo, Pavarotti en Carreras hun hoge c verhandelen, staat in het katern 'modern leven’, maar had qua strekking beter in de afdeling economie gepast. Het feuilleton recenseert de nieuwe Tabori. Alle reden om onmiddellijk in de trein naar Wenen te stappen. Daarnaast interviewt het feuilleton Salman Rushdie. Niet als eerste, maar het is een aardige en leesbare gedachtenwisseling, in tegenstelling tot het gortdroge vraaggesprek, elders in de krant, met Koerdenleider Abdullah Oecalan, waarbij zelfs de gemiddelde Koerd in slaap zal zijn gevallen. Medeuitgever Helmut Schmidt vervolgt zijn serie over de Euro in de hem zo karakteriserende stijl: 'Ten eerste. Ten tweede. Ten derde. Ten vierde. Ten vijfde.’ En uitgesproken grappig is de beschouwing over de aanstaande 'triomf van de Binnen-I’, de feministische politiek-correcte mode om het niet over studenten en studentes, een academicus of een academica te hebben, maar over StudentInnen en AkademikerInnen, een vorm die is aangezwengeld door voornoemde Alice Schwarzer, wier biografie van Marion Grafin Donhoff eveneens zwanger gaat van de KollegInnen en JournalistInnen. 'Het feminisme staat voor haar grootste overwinning: de Duitse taal verandert van geslacht’, constateert het jarige weekblad ironisch.
De grijze en wijze KollegIn Marion Grafin Donhoff zal zich met het betreffende stuk ongetwijfeld hebben geamuseerd.