Vijftig meter

We kunnen er zeker van zijn dat als de zon straks zwart als een haren zak zal worden en het bloed op onze gedoemde hoofden zal regenen, de verslaggevers van de Volkskrant eerst nog een vlammend commentaar aan de ernstige milieutechnische implicaties van het gebeuren zullen wijden, alvorens zij achter hun bureau vandaan worden gereden door de ruiters van de Apocalyps. Want als er al iets is wat alle Volkskrant-medewerkers drijft, dan is het verontwaardiging. De kunstredactie, de bèta’s van het Economie-katern, de sportverslaggevers en de hoofdredactie, in allen brandt het heilige vuur der verontwaardiging. Zelfs hun correctoren en opmakers zijn ervan vervuld.

Zo komt het dat, als een verslaggever op de voorpagina meedeelt dat Tweede-Kamerleden ‘gemiddeld maar een kwart van de beleidsnota’s in de Kamer lezen’ (Volkskrant 28 februari), de dienstdoende opmaakredacteur daar de vlammende kop boven plaatst: 'Kamerleden gooien driekwart van berg nota’s ongelezen weg’. Uit de omdraaiing (van een kwart naar driekwart) spreekt al een smeulende ergernis, maar de ophoging naar een berg nota’s die, ongelezen maar liefst, worden weggegooid, geeft de redactionele toorn nog veel beter weer.
De Volkskrant-redactie zal ook mij wel haten - ik ben nog veel erger. Vanaf de dag dat ik 'beroepshalve’ begon met lezen, heb ik tenminste veertig procent van wat mij onder ogen kwam na een paar regels verfrommeld, twintig procent verscheurd, zo'n vijf procent kwam op de bodem van de parkietenkooi terecht en nog eens twintig procent ging retour afzender, vergezeld van een beleefd verzoek om voortaan van dergelijke rotzooi verschoond te blijven. Van de overblijvende vijftien procent die ik wèl helemaal gelezen heb (een paar goede manuscripten, een stuk of wat geestige artikelen) heb ik - ruwe schatting - ongeveer twee procent onthouden.
Volgens hetzelfde Volkskrant-bericht krijgt een Kamerlid tachtigduizend pagina’s per jaar te verwerken, een stapel papier van acht meter hoog. Ik moet daar smakelijk om lachen.
Acht meter? Dat lees ik in een kwartaaltje weg. Vorig jaar heb ik bij benadering dertig meter aan tekst (waarvan minstens een halve meter in dundruk) verzet. Zeker driehonderd schrijvers vonden hun werk belangwekkend genoeg om het aan een ander, in dit geval mij, voor te leggen. Aan het eind van dat jaar was ik in het bezit van een zestal boeken die het bewaren waard waren, en een plastic mapje met vijf krantestukjes. Vorig jaar was een goed jaar.
Ik klaag niet, hoor. Ik zou wel vijftig meter willen lezen als ik het kon, want àls er iets bijzonders bij zit, bij voorkeur iets wat ik als eerste lees, dan is het alle literair gepunnik, alle bekommerd ontwakende hoofdpersonen, alle kromschrijverij van journalisten, al het gaapverwekkend proza van auteurs die op zolder een koffer met jeugdherinneringen vonden, dubbel en dwars waard. Maar ga me niet vertellen dat ik die hele ellende van voor tot achter moet doornemen.
Om met Oscar Wilde te spreken: 'Als ik bij het ontbijt vermoed dat mijn ei niet vers is, hoef ik het niet in zijn geheel op te eten om te weten dat het rot is.’ En om met mezelf te spreken: 'Ik ruik een rot ei op tien kilometer afstand.’