Vijgenblad

Kiezers voelen zich steeds minder betrokken bij hun eigen gemeente. Dat zal te merken zijn bij de opkomst voor de gemeenteraadsverkiezingen op 21 maart.

Het wetenschappelijk bureau van GroenLinks, De Helling, heeft er onderzoek naar gedaan. Gemeenten kunnen met eigen beleid een flinke bijdrage leveren aan het terugdringen van de CO2-uitstoot in Nederland. Het bureau denkt aan ten minste 34,7 procent minder CO2. Nog twee weken te gaan tot de gemeenteraadsverkiezingen van 21 maart, de campagne is nu dus echt begonnen en daar is dit GroenLinks-nieuws perfect op getimed.

Ik geloof zeker dat gemeenten door het aanleggen van fietspaden, het duurder maken van het parkeren, het bouwen van gasloze nieuwbouwwijken of het plaatsen van zonnepanelen een flinke steen kunnen bijdragen aan de verbetering van het klimaat. Maar ik betrapte me erop dat ik ook dacht: al weer een taak voor de gemeenten erbij. Het lijkt wel of steeds meer verantwoordelijkheden op het bord van de steden terechtkomen. Zijn de gemeenteraad en haar gemeenteraadsleden daar wel op toegerust?

De Franse politiek filosoof Alexis de Tocqueville mag dan in de negentiende eeuw op zijn reis door de Verenigde Staten geconcludeerd hebben dat de democratie begint bij de gemeente en dat de inwoners in gemeenten zelf vorm geven aan hun lot, zo voelen die inwoners dat anno nu echt niet. De opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen is al decennia laag. De vorige keer, in 2014, nam slechts 54 procent van de stemgerechtigden de moeite om naar de stembus te gaan. Bij de landelijke verkiezingen van vorig jaar was de opkomst daarentegen bijna 82 procent. Dat was dan wel het hoogste percentage in dertig jaar tijd, maar dat doet niets af aan de trend dat gemeenteraadsverkiezingen veel minder kiezers trekken.

De directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, Kim Putters, maakt zich zorgen over de democratie in gemeenten. In het voorwoord van het onlangs verschenen boek Gemeente in de genen van Wim Voermans en Geerten Waling schrijft Putters dat de politieke democratie, dat de gemeenteraad verzwakt. Dat komt volgens hem mede door een niet-aflatende drang van de bestuurlijke en politieke elite om de gemeentelijke dienstverlening voor de burger te ‘optimaliseren’. Alles moet zo veel mogelijk bedrijfsmatig en efficiënt.

De burger geeft daardoor helemaal geen vorm meer aan zijn eigen buurt en wijk, of aan een publieke dienst. Ook niet met behulp van moderne vormen van burgerparticipatie en democratische vernieuwingen zoals burgerfora. Die nieuwe vormen hebben volgens Putters vaak het karakter van ‘het inkapselen van eigenwijze burgers in door de gevestigde bestuurlijke elite gedomineerde beleidsprocessen’. Het is een nette manier om te zeggen dat die inspraak van burgers een wassen neus is. Dat het een vijgenbladexercitie is, zoals Voermans en Waling dat verderop in hun boek noemen.

De burger beseft dat hij als kiezer weinig tot niks heeft in te brengen

Putters heeft het over de politieke elite aan wie hij invloed toekent, maar wie Gemeente in de genen leest, begrijpt dat de gemeenteraadsleden niet tot die elite behoren. De gemeenteraadsleden zijn de amateurs. Zij zijn de vertegenwoordigers van de kiezers, die het in de avonduren en af en toe een middag moeten opnemen tegen de professionals. Zij zijn de gekozenen die met slechts geringe ambtelijke ondersteuning ingewikkelde dossiers moeten zien te beoordelen.

Daarbij zijn de gemeenteraden ook nog eens machteloos gemaakt door de door de rijksoverheid in gang gezette privatiseringen in bijvoorbeeld de zorg en de sociale huursector. Terwijl diezelfde overheid ook nog eens enkele beleidsterreinen over de schutting van de gemeenten heeft gegooid, met het idee dat zorg, wonen en onderwijs dicht bij de mensen geregeld moeten worden, dat gemeenten beter zicht hebben op wat hun inwoners willen en nodig hebben.

Dat klinkt mooi, maar dan moet de democratische inbreng vooraf en de democratische controle achteraf daar wel op zijn aangepast, dan moeten de gemeenteraadsleden daar wel voor zijn toegerust en invloed op kunnen hebben. Anders worden de gemeenten geregeerd door machtige private instellingen, met op enige afstand daarvan machtige ambtenaren en dan hier en daar mogelijk nog een wethouder die tegen die ambtenaren op kan, een wethouder die mogelijk van buiten de gemeente komt, dus zonder band met stad of dorp die hij als ‘professional’ gaat besturen.

Dertig jaar geleden, zo valt op de website van de Kiesraad te lezen, telde Nederland nog 774 gemeenten. Op 21 maart doen 335 gemeenten mee aan de lokale verkiezingen van de in totaal nog slechts 380 gemeenten. De rest is verdwenen als gevolg van gemeentelijke herindelingen, de laatste acht verdwenen per 1 januari van dit jaar. Toch bleek al begin deze eeuw uit onderzoek dat er vanuit democratisch oogpunt nadelen zitten aan die herindelingen. Kiezers voelen zich minder bij de gemeente betrokken, hebben het gevoel dat hun stem in die grotere gemeente minder waard is. Toch blijven, volgens Voermans en Waling, ‘bestuurskracht en optimale schaalvergroting de slagwoorden tot op de dag van vandaag, tot op het religieuze af’.

Technocratisering, optimalisering en herindelingen als geloofsartikel van bestuurders, privatisering van overheidsdiensten als gevolg van het marktdenken en decentralisering richting gemeente als trend; het is een cocktail van ontwikkelingen die een omkering tot gevolg kan hebben van wat De Tocqueville zag toen hij door de VS reisde. Dat de democratie niet begint bij de gemeente, maar dat de democratie daar straks eindigt. Omdat de burger, onbewust, heel goed door heeft dat hij kan gaan stemmen voor de gemeenteraad, maar dat die raad en dus hijzelf als kiezer weinig tot niks heeft in te brengen. Het stemmen is verworden tot een vijgenbladexercitie.