VILEIN PORTRET VAN HET NIEUWE GELD

Onlangs verschenen de Verzamelde romans van Heleen van Royen, waarin vrije vrouwen volop genieten van het moderne leven. Meindert Fennema (62) en Sjoerdje van Heerden (26) schreven elkaar een aantal brieven over De gelukkige huisvrouw. Is Lea Meyer de Madame Bovary van de 21ste eeuw?

Beste Sjoerdje,

Ik zou graag willen weten wat jij vindt van Heleen van Royens eerste roman, De gelukkige huisvrouw. Mijn nieuwsgierigheid naar jouw oordeel is gewekt toen ik ontdekte dat de meeste intellectuelen in mijn omgeving in woede ontsteken als je iets gunstigs over deze roman naar voren durft te brengen. En nog curieuzer: dat geldt met name voor die mensen die het boek niet gelezen hebben. Is De gelukkige huisvrouw voor de Amsterdamse grachtengordel wat De duivelsverzen voor de moslimwereld was? Of moet ik dit toch genuanceerder zien en is het vooral een generatiekwestie? Jij was achttien toen de debuutroman van Heleen van Royen uitkwam. Hoe werd er in jouw generatie op het boek gereageerd? En wat vond je er zelf van toen je het voor het eerst las?
Het verhaal over Lea Meyer uit Aerdenhout trof mij in 2000 als een mokerslag, misschien wel omdat ik twee jaar daarvoor zelf in Aerdenhout was komen wonen en de gelukkige huisvrouw dus van nabij had kunnen gadeslaan. Talloze vrouwen had ik leren kennen die het Lea zouden kunnen nazeggen: ‘Harry zit in het vastgoed. Wat dat is weet ik niet precies, maar het geld komt met scheppen binnen. Het is meer dan ik kan uitgeven – en dat wil wat zeggen. Een hard werkende man is de beste man die er bestaat. Hij is nooit thuis en toch worden alle rekeningen betaald.’ Ik kwam de Lea’s tegen in de Kennemerduinen als ik mijn hond uitliet, bij de burenborrels die in Aerdenhout met grote regelmaat georganiseerd worden en op 30 april op de Spiegelenburglaan als Aerdenhout zijn oranjegevoel de vrije loop laat. Zij waren rijk geworden omdat zij aantrekkelijk waren. De vrouwen van het oudere geld keken op ze neer; de mannen van het oude geld deden dat ook, maar gluurden daarbij stiekem naar de unique selling points in hun ravissante décolletétjes.
Heleen van Royen lijkt van Lea Meyer een karikatuur te maken en toch komt haar roman zelfs niet in de buurt van een tendensroman. Het is eerder een gestileerde horrorstory die het luxe leven van de nieuwe geldelite beschrijft als een open inrichting. De postnatale psychose die Lea uiteindelijk in de isoleercel zal doen belanden en vervolgens bij de hilarische psychiater Beau van Kooten, verdubbelt die suggestie. De gelukkige huisvrouw was, zo meende ik in 2000, de Madame Bovary van de 21ste eeuw. Er zit iets onbeschrijflijk tragisch in het huisvrouwenbestaan, en dat bestaan is even onontkoombaar als tegennatuurlijk. Zowel Emma Bovary als Lea Meyer houdt daarom ook niet van de natuur. Lea zegt over de natuur: ‘De natuur is een vrouwonvriendelijk oord. Hoezeer je ook je best doet, het is praktisch onmogelijk om een lekker ding te zijn in de natuur.’ Ook Emma had niet veel op met de natuur. ‘Zij had liever in de stad willen wonen, al was het maar voor de wintermaanden, hoewel ’s zomers, juist doordat de mooie dagen zo lang duurden, het buitenleven misschien nog niet eens zo vervelend was.’
De afkeer van de natuur wordt door Lea Meyer ook indirect verwoord: ‘Ik heb een zoon gebaard. In 1998 heb ik hem ter wereld gebracht, al had ik dat net zo goed in 1698 kunnen doen. Sinds die tijd is de verloskunde in Nederland niet noemenswaardig veranderd. (…) Zwanger zijn is verschrikkelijk. Het is een mensonterende toestand. Je ziet er niet uit. Echt niet.’ De weerzin tegen het moederschap is bij Emma minder uitgesproken. Het begint ermee dat ze voor haar ongeboren kind niet kan kopen wat ze wil, ‘namelijk een schommelwieg met gordijntjes van roze zijde en geborduurde kindermutsjes (…) Dus beleefde zij minder plezier aan die voorbereidingen waarmee de moederlijke tederheid wordt opgewekt, en wellicht werd haar liefde voor het kind hierdoor van meet af aan ietwat getemperd.’ Daar kwam voor Emma Bovary nog iets bij: zij wilde een zoon hebben: ‘Hij moest sterk en donker zijn en zou Georges heten; en deze gedachte, om een mannelijk wezen voort te brengen, koesterde zij als een kans op vergelding voor al haar machteloosheid uit het verleden. Een man is tenminste vrij; hij kan zijn hartstochten uitleven, door de wereld zwerven, hindernissen nemen en proeven van de verst verwijderde gelukzaligheden.’
Maar haar eigen Charles voldeed niet aan dat manbeeld. Charles Bovary was een man met beperkte capaciteiten en daarbij passende ambities. Toch was hij, net als Harry Meyer, de ideale echtgenoot: ‘De gedachte een kind te hebben verwekt, bracht hem in verrukking. Nu had hij niets meer te wensen. Nu kende hij het menselijk bestaan in al zijn facetten, en hij ging er in serene rust in volle teugen van genieten.’ Charles noemde Emma ‘moedertje’, hij ‘wilde met haar dansen en maakte lachend, met tranen in zijn ogen, alle tedere grapjes die hem maar te binnen schoten’.
Datzelfde geldt voor Harry Meyer. Ook Harry is in de zevende hemel met zijn stamhouder, Harry Junior. Anders dan Emma is Lea zich onmiddellijk bewust van het gevaar van het moederschap. Als Harry haar meedeelt dat hij een kind van haar wil, antwoordt zij: ‘Een baby, wat moet jij in godsnaam met een baby? Je bent nooit thuis.’ Waarop Harry riposteert: ‘Jij toch wel?’ En dan zij weer: ‘Ik?! Ik wil helemaal geen baby. Ik ben volmaakt gelukkig.’
Het ontbreekt Lea aan moederliefde en de enige manier waarop zij zich laat overreden is door Harry’s belofte haar elke avond te berijden. En zo begint het banale drama van Lea met de geboorte van Harry Junior. Dat die geboorte een uiterst pijnlijk en dramatisch verloop heeft, is ook een verzet tegen het moederschap, dat voort lijkt te komen uit angst juist dat ene te verliezen dat haar leven betekenis geeft: haar seksuele aantrekkelijkheid. De woede daarover is nog groter dan de pijn die de tangverlossing met zich meebrengt; een woede die ten slotte in een psychose overgaat. De beschrijving van de bevalling overtreft in stilistisch opzicht de sterfscène van Emma Bovary, die zichzelf met behulp van arsenicum van het leven beroofde. ‘Al gauw begon zij bloed op te geven. Ze perste haar lippen nog meer opeen. Haar ledematen waren verkrampt, haar lichaam zat vol bruine vlekken, en haar polsslag rilde onder de vingers als een strakgespannen draad, als een harpsnaar die op springen staat. Even later begon zij gruwelijk te gillen. Zij vervloekte het gif, schold erop, smeekte het om zijn werk sneller te doen.’
Vergelijk dat met de bevalling van Harry Junior:
‘Mijn binnenste werd opengereten. Stukje voor stukje.
“Ik leg de tang nu om het hoofdje..”
“Knijp die tang dicht” schreeuwde ik. Ik meende het. Hij mocht het hoofdje vermorzelen. Hij mocht het helemaal fijn knijpen en het eruit trekken.
Kallenbach zette zijn voet tegen het uiteinde van het bed. “Persen!” riep hij.
Twee verpleegkundigen doken op mijn buik.
Kallenbach rukte aan de tang.
Opnieuw een poepgeur. Een putlucht vulde de verloskamer.’
Het knappe van De gelukkige huisvrouw is niet alleen gelegen in de wijze waarop de weerzin tegen het moederschap vorm gegeven wordt, maar meer nog in de manier waarop de aankondiging van de psychose wordt beschreven. De waan die over de werkelijkheid heen schuift maakt de roman hilarisch en huiveringwekkend tegelijk.
Niet iedereen was zo enthousiast over De gelukkige huisvrouw als ik. Helga Ruebsamen, de Haagse schrijfster van Het lied en de waarheid, met wie ik op het NIAS in Wassenaar zat, vond het keukenmeidenliteratuur. En mijn tante Inez van Dullemen, ook uit Den Haag, vroeg zich verontwaardigd af hoe ik het in mijn hoofd haalde die pulp van Heleen van Royen met Flaubert te vergelijken. Niet dat één van beiden De gelukkige huisvrouw gelezen had, maar zij hadden Heleen van Royen op de televisie gezien, dat was meer dan genoeg. Aanvankelijk dacht ik nog dat het hier jalousie de métier betrof van twee bejaarde schrijfsters, maar al spoedig werd mij duidelijk dat de golf van haat een veel bredere bedding had. De recensenten wedijverden in beledigingen. Afra Botman maakt het in Trouw het bontst door over de promotie van het boek weinig relevante leugens te vertellen om na een bondige samenvatting te concluderen: ‘Het haalt niet eens het niveau van Goede Tijden Slechte Tijden.’ Toch vindt Botman de psychose in het boek ‘adembenemend beschreven’.
Beste Sjoerdje, zijn jouw generatiegenoten ook zo gebeten op Heleen van Royen? Ik ben erg benieuwd!
Meindert

Beste Meindert,

Vrijwel direct na de verschijning van De gelukkige huisvrouw besloot ik dat ik dit boek wilde lezen. Ik was benieuwd waar al het rumoer nu om te doen was. Vlak naast het huis van mijn ouders in Amsterdam-Oud-Zuid zat in die tijd een boekhandel waar ik op rekening van mijn vader aankopen mocht doen. Een voorrecht waar ik in het bijzonder gebruik van maakte om exclusieve modebladen uit verre landen mee aan te schaffen. Groot was dan ook mijn verbazing toen de boekhandelaar mij de voorgenomen aankoop afraadde. Dat was eerder nog niet voorgekomen. Kennelijk was ik in de ogen van mijn boekhandelaar wel een meisje voor modebladen maar niet voor De gelukkige huisvrouw. Dat ik nu eens binnenstapte voor een echt boek werd weliswaar toegejuicht, maar dan leek Heleen van Royen hem geen geschikte keuze. Ik verliet de winkel met de roman Luz van Elsa Osorio, een prachtig boek overigens.
De argumentatie van de boekhandelaar kan ik mij helaas niet meer zo goed herinneren. Enkele weken later stond ik op Schiphol met een vlucht van ruim zeven uur voor de boeg. Geen fijn vooruitzicht en zeker niet voor iemand met vliegangst. Ook al sleept een beetje valium mij doorgaans prima door dergelijke vluchten heen, een fijne weglezer leek mij geen overbodige luxe. Ik kocht De gelukkige huisvrouw onder invloed van valium op een vliegveld, geheel in stijl dus van het vermeende niveau van de roman. Ik heb het boek diezelfde vlucht nog uitgelezen, maar de eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat de roman mij niet als een mokerslag heeft getroffen.
In jouw brief vroeg je mij of ook mijn generatiegenoten in woede ontsteken als je het waagt iets gunstigs over de roman naar voren te brengen. Ik ben opgegroeid in Oud-Zuid en heb mijn middelbareschooltijd doorgebracht op het Barlaeus Gymnasium om vervolgens aan de UvA te studeren. Ik kreeg pianoles op de muziekschool in de Bachstraat en speelde hockey bij Hurley. Stuk voor stuk broedplaatsen voor de potentiële nieuwe lichting van de intellectuele elite. On top of it all zongen mijn vriendinnetjes mee in Kinderen voor Kinderen. Geen van mijn vrienden van toen heeft het boek gelezen. Niettemin zijn de reacties fel. Ik ontving het volgende sms’je van een oud-klasgenoot van het Barlaeus: ‘Niet gelezen, niet van plan, pardon mijn frans maar Heleen van R is een H.’. Een vriendin en tevens studiegenoot vertelde mij dat zij alle ontvangen boeken van Heleen van Royen ongelezen de deur uit had gedaan. Waarom? Omdat Heleen zo’n stom mens is.
Jij schreef mij dat je in Aerdenhout als het ware bedolven wordt onder de Lea’s, maar die zijn in Oud-Zuid ook niet onbekend. Al jaren wordt er in dit stadsdeel gesproken van verloedering van de buurt: snelle vastgoedjongens op glanzende scootertjes maken ‘de Schuyt’ onveilig en hoogblonde (voetbal)vrouwen in hun te strakke witte broeken hebben het terras van Joffers ingepikt, waar ze ordinair blaten over cosmetische ingrepen en vakanties naar de zon. Harry’s en Lea’s dus. De opkomst van de nieuwe rijken binnen deze van oudsher intellectuelenbuurt wordt niet gewaardeerd. Oud geld houdt niet van nouveau riche. En hoewel Heleen geen Lea heet, is de roman gevaarlijk autobiografisch. Van Royen werd aangeklaagd door haar voormalige psychiater uit Oud-Zuid omdat hij zich te veel herkende in het personage van Beau van Kooten.
Jouw vergelijking tussen De gelukkige huisvrouw en Madame Bovary vind ik leuk gevonden. Maar wees niet verbaasd als deze vergelijking wordt opgevat als heiligschennis. Ik denk dat de heftige reacties op het boek en de schrijfster voortkomen uit een diepe angst van de intellectuele elite dat hun vooraanstaande positie aan erosie onderhevig is. Zij proberen krampachtig vast te houden aan hun maatschappelijke plaats en verdedigen zich met intellect en fatsoen, twee eigenschappen die de intellectuele elite ter afscherming exclusief aan zich verbonden heeft. De nieuwe rijken hebben zich weliswaar ingekocht in de buurt, maar aan het niveau van de oorspronkelijke bewoners kunnen zij niet tippen. Zie het een beetje als: jullie hebben dan wel hummers maar wij hebben Mulisch.
De buitenproportionele afgunst jegens Van Royen komt naar mijn idee voort uit vrees voor terreinverlies. De gelukkige huisvrouw kwam met haar gerespecteerde uitgever en hoge verkoopcijfers te dichtbij en als reactie daarop werd ze neergesabeld. Publieke toetreding van Heleen van Royen tot de geletterde kringen zou betekenen dat het hek van de dam is. Het vonnis lijkt eenduidig: Heleen is een ordinaire troela die niet écht kan schrijven. Alles aan en rondom het boek getuigt van slechte smaak: de cover met foute glamourfoto, het platte en confronterende taalgebruik in de roman en niet te vergeten de publieke optredens van de schrijfster. De affaire-Rob Oudkerk was slagroom op de taart: hoe buitengewoon onfatsoenlijk om hem zo stijlloos te ontmaskeren in haar wekelijkse column.
Ik concludeer dat jouw generatie en de generatie daarvoor weliswaar de stuwende krachten vormen achter de verkettering van Heleen van Royen maar dat hun ‘troonopvolgers’ hier gewillig in meegaan. Ook in mijn generatie wordt het werk van Heleen van Royen gezien als pulp en daarom wil je niet met haar geassocieerd worden.
Groet, Sjoerdje

Beste Sjoerdje,

Ik wist niet dat er in Amsterdam-Zuid nog een klassenstrijd gevoerd werd. Als ik je goed begrijp is dat een strijd tussen de lezers van Harry Mulisch en de bezitters van een hummer. Ironisch is dat wel omdat nu juist Harry Mulisch bij uitstek een parvenu is, die zichzelf als beginnend schrijver in het Américain liet omroepen om zo naamsbekendheid te verwerven (telefoon voor de heer Mulisch!). In 1966 interviewde ik Harry Mulisch bij hem thuis. Hij liet zich bedienen door een butler, die ik eerder ten kantore van zijn uitgever had gezien. Toen ik dit opmerkte, raakte hij geïrriteerd, want hij voelde zich betrapt. De volksschrijver Gerard Reve deed voor Mulisch zeker niet onder in zijn pogingen de oude elite te imiteren. Hij liet zijn vrouw, Hanny Michaelis, piano spelen als het echtpaar bezoek verwachtte om indruk op de gasten te maken.
De affaire-Oudkerk laat zien dat Heleen van Royen ook voor een Amsterdamse wethouder geen enkele eerbied heeft. Haar inkomen was niet afhankelijk van Rob Oudkerk, en ook wat de Mulisch-lezers in Amsterdam-Zuid van haar vinden laat haar koud. De enorme oplagecijfers van hedendaagse schrijvers maken hen al vroeg onafhankelijk van literaire jury’s en beurzenverstrekkers uit Amsterdam-Zuid. Dát is wat die barleaan zo woedend maakt dat hij naar jou moest sms’en ‘Heleen van R. is een H.’. Dat sms’je bevat in een notendop het oordeel dat ook recensenten geveld hebben. Het feit dat Flaubert zich er op voorstond prostituees te bezoeken maakte hem geen literaire outcast. Maar de hilarische wijze waarop Van Royen in haar glossy blad Heleen verslag doet van haar mislukte pogingen om op haar New Yorkse hotelkamer een gigolo te bestellen, doet dat wel. In de Nederlandse letterkunde is het beter een hoerenloper te zijn dan een potentiële klant van een gigolo.
Jij schrijft: ‘De buitenproportionele afgunst jegens Van Royen komt naar mijn idee voort uit vrees voor terreinverlies.’ Is dat dan geen terreinverlies in de dubbele betekenis van het woord? Niet alleen wint de hummer het van Mulisch, maar de eigenaar van de hummer blijkt ook nog eens een vrouw te zijn. Gingen de grote literaire prijzen vroeger uitsluitend naar mannen, thans spelen literaire prijzen nauwelijks nog een rol. De marketing van literaire boeken gaat een steeds zelfstandiger rol spelen, waardoor het ‘old boys network’ in de literatuur buiten spel komt te staan. Rob Schouten constateert in zijn opmerkelijke essay over ‘de onstuitbare vulgarisering van de Nederlandse literatuur’ dat al lang niet meer het Fonds van de Letteren bepaalt of jonge schrijvers slagen.
Toch blijft het opmerkelijk dat juist vrouwen Heleen van Royen met alle geweld buiten de literaire canon willen houden. Aleid Truyens schreef bij het verschijnen van Van Royens debuut in de Volkskrant: ‘En wat moeten we aan met De gelukkige huisvrouw, waarvan de rechten al voor verschijning aan buitenlandse uitgevers werden verkocht? (…) Slecht geschreven is het niet, althans als je het beschouwt als een moderne variant van een doktersroman. Maar met literatuur heeft het niks te maken.’ Heeft de cold shoulder van deze collega-schrijfster te maken met de weinig omzichtige wijze waarop Van Royen zich verhoudt tot de damesliteratuur die wij gewend waren? ‘Zij brengt een nieuw type roman de Nederlandse literatuur binnen, waarin ze met volle kracht de vloer aanveegt met het zoetige genre van de Bildungsroman van schrijfsters als Isabel Allende of, bij ons, Margriet de Moor, Tessa de Loo en Nelleke Noordervliet’, aldus Kees ’t Hart in De Groene Amsterdammer.
Van Royen is een literaire provocateur, dat blijkt vrijwel op elke pagina van De gelukkige huisvrouw. Als die barleaan van jou het boek wél gelezen zou hebben, zou hij zich vast mateloos opgewonden hebben over Lea Meyers visie op de Tweede Wereldoorlog: ‘Ik haat de Tweede Wereldoorlog. Hou toch eens godverdomme op over die zak met die snor. (…) Waarom heb ik op school moeten leren hoeveel Zyklon B nodig is per treinwagon? Op vijftienjarige leeftijd werd ik gedwongen video’s te bekijken over de kampen. Mijn vader heeft in Duitsland gewerkt tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij moest iets aan een spoorlijn doen. Ik heb hem er nooit over gehoord. Mijn vader was een klootzak, maar hij was geen zeurpiet. Dat moet ik hem nageven.’ De vader van Lea – dat lezen we pas veel later – heeft zich in de Sloterplas verdronken. Hij was een in zichzelf gekeerde driftkop die waterkevers verzamelde, nutteloze uitvindingen deed en het leven van zijn vrouw en kinderen vergalde.
Mag ik je nog één citaatje voorleggen? Het volgt op een passage waarin Lea Meyer haar tennismaatje vertelt dat ze bij het Riagg weggelopen is.
‘Ze begreep me meteen: “Meid, die Riagg is niks voor jou. Dat is eerste hulp voor kneuzen. Volgens mij moet je gewoon naar Beau.”
“Bó?” echoode ik.
“Beau van Kooten ken je die niet? Dat is een wereldshrink! Patty loopt bij hem en Pia en volgens mij heeft Loretta jaren bij hem gelopen. Het is een schat, echt waar.”’
Niet lang daarna zit Lea bij Beau van Kooten die haar met behulp van een doorzichtige iMac gaat behandelen. (‘Ik ben de psychiater, maar dit is mijn brein. En wij gaan samen met dit brein werken.’)
‘“We beginnen bij het begin” zei Van Kooten monter. “Zet de computer maar aan.”
Ik zocht de grootste knop op het toetsenbord en drukte erop. Er gebeurde niets. “Is hij stuk? Heb ik hem kapotgemaakt?! O hemel, ik was er al bang voor.”
Van Kooten legde zijn hand op mijn schouder. “Onder aan het scherm zit het aan- en uit-knopje, zie je?”
Ik zuchtte opgelucht en drukte snel de knop in.
“Dit was een leermoment” zei Van Kooten. “Als zich een onverwachte situatie voordoet, hoef je niet meteen in paniek te raken.”’
Een psychotherapie met behulp van een transparante computer, geen wonder dat de psychiater die zich in Beau van Kooten herkende Heleen van Royen een proces heeft aangedaan. Zij is Nederlands meest vileine portrettiste van het nieuwe geld. Maar de paradox is dat juist de cortège van de oude elite haar zo haat. Zouden ook zij zich toch in haar romans herkennen?
Sjoerdje, jij groeide op in Amsterdam-Zuid, om de hoek bij Beau van Kooten. Jij moet hier vast veel meer van weten.
Gegroet, Meindert Fennema >
Beste Meindert,

Bedankt voor je brief. Je schreef mij dat in het bijzonder vrouwen de literaire kwaliteiten van Heleen van Royen ter discussie stellen. Die recensie van Aleid Truyens loog er inderdaad niet om, maar ik weet nog een beter voorbeeld. Ken je de cabaretière Dorine Wiersma? Zij heeft een zo verregaande hekel aan Heleen van Royen dat ze zelfs de moeite heeft genomen een anti-Heleen van Royenlied te schrijven, dat ze onlangs mocht voordragen bij het populaire programma De wereld draait door. Het lied werd een heuse minihype op internet. Opmerkelijk is dat Wiersma Heleens persoonlijkheid moeiteloos koppelt aan de kwaliteit van haar werk: ‘Zo glibbert ze voort en zijn wij dus nog lang niet bevrijd van die tang, van dat hijgende wijf en haar zieke geschrijf.’
Ik ben het eens met jouw constatering dat vooral bij vrouwen de nekharen recht overeind gaan staan wanneer ze de hese stem van Heleen horen. Het is daarnaast opmerkelijk dat die vrouwen vaak ook geen goed woord over hebben voor Ton van Royen. Ton wordt gezien als een watje, misschien zelfs wel een beetje zielig, maar in ieder geval volledig pussy-whipped. Jij oppert dat vrouwelijke collega’s Heleen een cold shoulder geven als reactie op de weinig omzichtige wijze waarop Van Royen zich verhoudt tot de damesliteratuur die wij gewend waren. Ik denk dat er meer achter zit. Een vriend van mij meent dat mooie en succesvolle vrouwen (waar Heleen zich in zijn optiek toe mag rekenen) per definitie gehaat worden door hun seksegenoten. Ik denk dat hij gelijk heeft maar voorbijgaat aan één voorwaarde: je kunt namelijk best ongehaat door het leven gaan terwijl je beeldschoon en succesvol bent, zolang je deze schoonheid maar bagatelliseert. Mooie vrouwen die er niet voor terugdeinzen hun mantelpakje eens stevig in te nemen op weg naar de top dwingen doorgaans veel minder respect af dan vrouwen die hun schoonheid smaakvol weten te verhullen.
Het geheim zit hem er dus in dat je als goedbedeelde vrouw je zwaktes moet blijven benadrukken om door andere vrouwen sympathiek gevonden te worden. Een vriendin van mij (oud-barleaan en nu journaliste) vertelde me dat zij onlangs van haar moeder het magazine Stout had gekregen. Eigenlijk was dit cadeau een jammerlijke keuze want ook zij is geen fan. Niettemin had ze het blad gelezen, om mij vervolgens toe te vertrouwen dat ze af en toe haar lachen niet had kunnen onderdrukken. Heleen had bij haar juist aan sympathie gewonnen met die passage waarin ze omschrijft hoe ze probeert een gigolo te bestellen maar uiteindelijk niet verder komt dan een goed gesprek. Heleen toonde hier namelijk haar zwakte: she chickened out. Ook bleek mijn vriendin aangenaam verrast dat Heleen ergens anders in het blad toegaf dat zij lang niet altijd zo stoer is als ze overkomt. Je moet als vrouw minimaal op één van de twee punten toegeven: of je bent niet zo succesvol als je lijkt, of je bent niet zo mooi als je lijkt.
Maar de vraag wat Heleen van Royen nu zo ongelooflijk irritant maakt, is nog steeds niet helemaal beantwoord. Misschien moet ik haar passages in De gelukkige huisvrouw waarin ze Lea’s gebrek aan kinderliefde onbeschaamd etaleert niet onbenoemd laten. Heleen putte hiervoor inspiratie uit haar eigen postnatale depressie. Een ziekte waar nog steeds een waardeoordeel aan kleeft: je bent niet alleen ziek maar je faalt ook als moeder. Heleen doet dus echt alles fout: ze is te plat, ze degradeert seks tot een compleet plastische handeling, ze buit haar schoonheid ongegeneerd uit, ze plaatst vrij van enige schaamte haar hoge rapportcijfers op internet, ze veegt de vloer aan met de intellectuele etiquette en ze houdt zich niet aan de spelregels van goed moederschap. Ze is te confronterend. Heleen danst op de tenen van twee groepen: die van de intellectuele elite en die van haar eigen geslacht.
Nu bestaat er natuurlijk ook de mogelijkheid dat sommige vrouwen zich in dergelijk gedrag herkennen of onbewust eigenlijk een beetje meer zoals Heleen zouden willen zijn. Het is psychologie van de koude grond, maar erger je je niet het meest aan menselijk gedrag waar je jezelf in herkent of waarvan je stiekem zou willen dat jij het ook kon vertonen?
Zo bekeken is de vergelijking met Madame Bovary evident. Flauberts detaillistische beschrijvingen van de door lust overmande Emma Bovary werden in die tijd als schokkend ervaren. De geschetste tragiek van de afhankelijke vrouw was toen provocerend en ongehoord. De kans dat ook Heleens grofgebektheid uiteindelijk niet meer als uitdagend wordt ervaren is groot. Een week terug berichtte de Volkskrant over de omstreden Duitse schrijfster Charlotte Roche, wier taalgebruik dat van Heleen zou doen verbleken. De fakkel is dus eigenlijk al overgenomen.
Ik denk niet dat De gelukkige huisvrouw de Madame Bovary van de 21ste eeuw zal worden. Madame Bovary was groots en meeslepend, het verhaal van Lea vond ik daarentegen brokkelig. Niettemin maakten de hilarische uitspraken, onbeschaamde situatieschetsen en onorthodoxe vertelwijze de roman bij vlagen zeer entertaining. Maar de reacties op het boek en de schrijfster zelf overstijgen het niveau van de roman. De enorme toewijding waarmee Heleen van Royen wordt uitgekotst is pas echt intrigerend. Ik waardeer De gelukkige huisvrouw dan ook om Heleens goede neus voor het onuitgesprokene. Zelfs bij mensen die haar boek niet lezen, weet ze een gevoelige snaar te raken.
En dat is knap.
Groet, Sjoerdje
……………………………………………………………………………………….
Meindert Fennema is hoogleraar politieke theorie. Hij publiceerde onlangs Nieuwe netwerken: De elite en de ondergang van NV Nederland. Sjoerdje van Heerden is studentassistent politicologie aan de UvA