Vind ik niet leuk

Byung-Chul Han, De transparante samenleving, € 8,95
Byung-Chul Han, De vermoeide samenleving, € 6,95

ceo’s van grote bedrijven beloven het regelmatig, net als regeringsleiders en WikiLeaks-oprichter Julian Assange. Een uit de kluiten gewassen ngo, Transparancy International, houdt per land de vinger aan de pols. En sinds een paar jaar hebben de overal in Europa ontstane Piratenpartijen het zelfs tot politiek program verheven: transparantie.

Wie kan daar tegen zijn? De term lokt hooguit schouderophalen uit. Transparantie, is dat niet net zo’n afgelikte boterham als ‘duurzaamheid’ en ‘burgerschap’? In zijn laatste essay, De transparante samenleving, betoogt Byung-Chul Han van niet. Transparantie is voor de Koreaans-Duitse filosoof net zo min een holle frase als een fraai ideaal. ‘Transparant worden de dingen (…) als ze worden afgevlakt en gladgestreken en zich soepeltjes voegen naar het rimpelloos stromen van kapitaal, communicatie en informatie.’ Om te concluderen: ‘De transparante samenleving is een hel van het gelijke.’

Voor Han, op dit moment verbonden aan de Universität der Künste in Berlijn, staat transparantie voor veel meer dan corruptie bestrijden en fatsoenlijk bestuur bevorderen. Transparantie, dat is ook de moderne dwang om jezelf voortdurend tentoon te stellen. Om je intiemste geheimen met Jan en alleman te delen. ‘Alles is binnenstebuiten gekeerd, onthuld, ontkleed, ontbloot en te kijk gezet’, schrijft Han. Op sociale media, bijvoorbeeld. Of op televisie, waar uiterlijke maten de plaats innemen van innerlijke waarden.

Wat de mens nodig heeft, stelt Han, is een impermeabele wand. Een barrière tussen ons en de buitenwereld. Daarom pleit hij voor distantie, voor ondoorgrondelijkheid en voor geheimen. Neem de lust. Die wordt niet opgewekt door totale zichtbaarheid. Zij draait juist om verhulling. Han citeert de Franse denker Roland Barthes over erotiek als datgene ‘waar de kleding zich heel even opent’ en de huid ‘glanst tussen twee zomen’.

In de transparante samenleving wordt daarentegen niets aan de fantasie overgelaten. Maar het voornaamste bezwaar van Han tegen de totale zichtbaarheid is dat deze, anders dan haar voorvechters betogen, niet tot vrijheid leidt. Zij mondt uit in tirannie. Die neemt de gestalte aan van een nieuw soort panopticum. De controle vindt daarin niet plaats vanuit één centrum, zoals bij filosofen als Jeremy Bentham en Michael Foucault. Iedereen is voor iedereen zichtbaar – en daar doen we zelf actief aan mee: ‘Het geheel nieuwe van het digitale panopticum is vooral dat de celbewoners nu zelf actief meewerken aan bouw en onderhoud, namelijk door zichzelf in alle openbaarheid tentoon te stellen.’

Dat raakt aan de rode draad in het werk van Byung-Chul Han. Net als in De transparante samenleving constateerde hij in het eerder verschenen boekje De vermoeide samenleving, in Duitsland een bestseller, dat onze samenleving gebukt gaat onder een overmaat aan ‘positiviteit’. Het negatieve is uitgebannen. Illustratief is het ontbreken van de ‘vind ik niet leuk’-optie op Facebook. In De vermoeide samenleving betoogt Han dat dit leidt tot depressie, adhd en burnout. Yes, we can, luidt het motto van de immer optimistische prestatiemaatschappij. De waarheid is dat niemand alles kan bereiken. Sommigen krijgen zelfs bar weinig voor elkaar in het leven. Het resultaat laat zich raden: ‘De prestatiesamenleving baart depressieven en kneuzen.’

Met zijn waarschuwingen tegen een eendimensionale, gladgestreken en onttoverde samenleving staat Byung-Chul Han in de traditie van de Frankfurter Schule. Maar anders dan bij Adorno’s en Horkheimers Dialectiek van de Verlichting mist er een extra laag. Na de zoveelste grootse typering – ‘de etalagesamenleving’, ‘de pornosamenleving’, ‘de onthullingssamenleving’ – zou je willen dat Han zijn op zich boeiende analyses van de tijdgeest inbedt in een groter verhaal – filosofisch, politiek, historisch. Bij Adorno en Horkheimer ging het om de tragiek van een Verlichting die in barbarij dreigde om te slaan. Bij Herbert Marcuse stond het consumptiekapitalisme centraal. Maar bij Han blijft het bij een waslijst van klachten. Dat opent de deur voor oubollig cultuurpessimisme: vroeger was alles beter. Wil Han werkelijk de transparantie verruilen voor de konkelende machten van weleer? Verkiest hij echt de oude schijn boven het moderne zijn?

Daar komt bij dat Han de door hem geconstateerde ontwikkelingen steevast als Totaal voorstelt. Er is geen ontkomen aan. Maar neem het kleine voorbeeld van Facebook. Daar zou alles draaien om wat Han iemands ‘expositiewaarde’ noemt. Het resultaat zijn gepolijste profielen van mensen die zichzelf stuk voor stuk vrolijk lachend blootgeven. Althans, zo lijkt het. Want Facebook is niet helemaal transparant. Júist Facebook niet. Achter de geperfectioneerde profielen gaan echte personen schuil, inclusief hun geheimen, boze buien en bizarre eigenschappen. Pogingen om alles in het licht van de schijnwerpers te zetten, roepen automatisch nieuwe schemergebieden op. Dat zou Han hoopvol moeten stemmen.

Die kritiek doet niets af aan de scherpte en originaliteit van Hans cultuurpessimistische observaties. Het is hopen op een groter werk waarin hij die afzonderlijke analyses bij elkaar veegt. De auteur zelf schijnt een hekel te hebben aan publiciteit. Dat is geheel in lijn met zijn betoog. Maar je zou willen dat hij tenminste in filosofisch opzicht iets meer van zichzelf blootgeeft.

Byung-Chul Han

De transparante samenleving

Vertaald uit het Duits door Frank Schuitemaker, Van Gennep, 94 blz., € 8,95