4-havo, de hel voor leraren

‘Vinden we óók niet leuk!’

Het onderwijzen van middelbare scholieren behoort tot de meest stressvolle beroepen, met de havo-4 vol ego’s en hormonen als grootste uitdaging. ‘Ze wíllen gewoon dat iemand de leiding heeft. Een vreemde ontdekking voor een oude anarchist als ik.’

Medium anp 48828789

‘Trekken aan een dood paard’, zo beschrijft geschiedenisdocent Arjen Huisman zijn ervaringen met de vierde klas van de havo, waar hij inmiddels – ‘gelukkig’, verzucht hij – geen les meer aan geeft. ‘Ze voelen zich de zon waar alle planeten omheen draaien. De buitenwereld? Die bestaat niet. Aan het begin van het jaar zijn ze vooral apathisch, omdat ze elkaar nog moeten leren kennen, maar dan begint de ellende pas echt. Dan vinden ze elkaar te gek, beginnen ze er een feestje van te maken. Als leraar ben je daar weliswaar bij, maar eigenlijk doe je er niet zo toe.’

Van ongemotiveerde herrieschoppers tot hard werkende leerlingen die veel hulp nodig hebben, en van luidruchtige jongens tot volstrekt inerte pubermeisjes: de vierde klas van de havo is een klas vol verschillen, waarbinnen de groepscohesie desalniettemin bewaard wordt door één eigenschap die over het algemeen wél door alle leerlingen gedeeld wordt: ‘Ze zijn allemaal stronteigenwijs.’

Doordat havo-4 op de meeste scholen is samengesteld uit ingestroomde mavo-leerlingen, afgestroomde vwo-leerlingen en ‘normale’ havisten lopen het leerniveau, de achtergrond en zelfs de leeftijd van de leerlingen vaak uiteen. ‘Tijdens de eerste kennismaking heb ik de leerlingen wel eens op een rij gezet, gerangschikt op leeftijd’, vertelt Tineke van Putten, docent Engels. ‘Uiterst links stond een jongen van veertien, uiterst rechts een meisje dat al bijna achttien was. Dat zit allemaal bij elkaar in één klas! Op het gebied van orde houden is zo’n klas op z’n zachtst gezegd een uitdaging.’

Het docentschap is bovendien toch al niet bepaald een rustgevende baan: ‘Mooi, maar zwaar’, zo beschreef lerarenvakbond AOb het beroep van haar leden vorig jaar in een persbericht waarin de bond bekendmaakte dat één op de vijf docenten met een burn-out thuis belandt, een percentage dat al een paar jaar aan het groeien is. Het onderwijzen van middelbare scholieren kwalificeert zichzelf daarmee als koploper in de lijst van de meest stressvolle beroepen. En dat wil wat zeggen, op een arbeidsmarkt die toch al steeds meer gekenmerkt wordt door stress.

Maar ook onder de leerlingen gaat niet alles even goed op de middelbare school: het aantal zittenblijvers is groot, en dat kost de staat bovendien zo’n vijfhonderd miljoen euro per jaar – vorig jaar nog reden voor het Centraal Planbureau om uit te rekenen wat het afschaffen van het principe van zittenblijven de schatkist zou opleveren: zo’n negenhonderd miljoen euro per jaar, omdat scholieren op die manier een jaar eerder de arbeidsmarkt zouden betreden. De vraag of ‘blijven zitten’ wel zin heeft wordt sindsdien steeds vaker gesteld.

Als er daarentegen ooit – om duistere redenen – een kampioenschap zittenblijven georganiseerd zou worden, dan zou havo-4 als onbetwiste winnaar uit de bus komen. De klas kent veruit het grootste percentage zittenblijvers van het voortgezet onderwijs. Bijna twintig procent van de leerlingen buigt zich niet één maar twee jaar over de lesstof van 4-havo. Het gaat hier dan ook niet alleen om een klas vol verschillende soorten leerlingen: al die verschillende pubers bevinden zich ook nog eens in het ontwikkelingsstadium waarin ze het meest op zichzelf en elkaar gericht zijn, en dus het minst op ouders en docenten. En dan is er ook nog die havo-mentaliteit, waarover later meer.

Kortom: als er ergens sterk leiderschap nodig is (soms tegen wil, dank en ideologische overtuiging), dan is het voor deze klas. Maar hoe geeft men leiding aan een groep individuen die hun identiteit in zo’n grote mate ontlenen aan het gevoel zélf de baas te zijn? Of, om de volgorde aan te houden waarin we dit soort vragen in de praktijk meestal kunnen beantwoorden: hoe doe je dat in elk geval niet?

‘Voordat we een deadline vaststellen ga ik met de leerlingen in gesprek: wanneer komt de deadline jullie het best uit?’

‘Na een aantal jaar lesgeven aan dit soort klassen besloot ik: hier moet ik iets aan doen’, vertelt Arjen Huisman. Hij maakte een enquête die hij door de leerlingen liet invullen. De lijst begon met stellingen over de leerlingen zelf – ik heb mijn opdrachten altijd af, ik heb mijn spullen goed op orde – en ging dan langzaam over in stellingen over zijn vaardigheden als docent – de docent kan goed vertellen, de docent heeft goed door wat er gaande is in de klas. ‘Op die manier hoopte ik te kunnen achterhalen wat ik nou precies verkeerd deed’, legt hij uit. Op basis van de uitkomsten van deze enquête voerde hij gesprekken met leerlingen en bedacht hij allerlei nieuwe werkwijzen, volledig aangepast aan het gegeven commentaar.

Helaas bleek zijn oplossing in de praktijk niet zo duurzaam. ‘Toen we eindelijk met de nieuwe lesmethode begonnen, duurde het precies tien minuten voordat er iemand riep: “Vinden we óók niet leuk!” Toen hadden ze me: ik zat helemaal klem. Zo leerde ik dat je in een vierde klas havo nooit laag moet gaan zitten. Ze wíllen gewoon dat iemand de leiding heeft. Een vreemde ontdekking voor een oude anarchist als ik.’

‘Ze moeten weten wie de baas is’, beaamt collega-geschiedenisdocent Willem Walter. ‘Dat regels echt regels zijn, en een deadline echt een deadline. Ik zeg daarom altijd: het kan me niets schelen dat je computer stuk is, je printer het niet doet of de kat je aantekeningen heeft verscheurd: de lijn is dood. Tegelijkertijd is het wel heel waardevol om ervoor te zorgen dat de leerlingen het gevoel hebben dat je ze niet zomaar van alles oplegt. Voordat we een deadline vaststellen ga ik bijvoorbeeld altijd met de leerlingen in gesprek. “Wanneer zou de deadline jullie het best uitkomen? Wat hebben jullie voor andere vakken allemaal te doen?” Als ze al een drukke week hebben, dan verschuiven we de deadline gewoon een week: prima. Juist als je op die manier regels afspreekt, in overleg, kun je als het erop aankomt heel streng omgaan met die regels.’

Docent Nederlands Kasper Soeters onderschrijft dat: ‘Havo-leerlingen werken alleen mee wanneer ze begrijpen waar een regel toe dient. Daarin verschillen ze van vwo-leerlingen, die zijn veel meer geneigd om regels te accepteren omdat het nou eenmaal regels zijn. Je moet havisten echt overtuigen van de redelijkheid van wat je ze vraagt.’


Eigenwijsheid vormt de kern van de ‘havo-mentaliteit’, meent Huisman. ‘Ze denken dat ze alles al weten en het interesseert ze eigenlijk helemaal niet wat jij daarvan vindt. Mavo-klassen moet je weliswaar veel helpen, maar daarin zitten over het algemeen nog best brave kinderen. Op de havo zitten vaak intelligente kinderen die zich sterk bewust zijn van hun macht – en die gewoon helemaal geen zin hebben om naar je te luisteren. Je wil zo’n klas niet tegen je krijgen.’

‘Dat heeft ook wel sterk met de leeftijd te maken’, vertelt Geertjan Overbeek, hoogleraar pedagogiek aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Als je aan adolescenten in die ontwikkelingsfase vraagt wat het belangrijkste in hun leven is – en vooral: wie dat bepaalt – dan zullen ze altijd heel sterk de nadruk leggen op het feit dat ze “het zelf wel uitzoeken”. Het is daarom van enorm belang dat ze niet zomaar dingen opgelegd krijgen. Ze moeten het gevoel hebben dat ze zelf inspraak hebben, dat er naar ze wordt geluisterd. Tegelijkertijd hebben ze heel veel duidelijkheid nodig; dat is een dubbelheid die voor een docent niet altijd even makkelijk is. Je kunt afspraken daarom inderdaad het best in overleg maken: samen bespreken welke regels er van toepassing zijn in de klas, of wanneer bepaalde opdrachten af moeten zijn. Vervolgens is het zaak om die regels wel heel consequent toe te passen. Je kunt je dan ook beroepen op het feit dat de regels in overleg met de klas zijn bedacht, dat maakt ze veel sterker dan wanneer je een klas zomaar van alles oplegt.’

‘Je moet je bovendien ook wel een beetje inleven in de belevingswereld van de leerling’, vindt Soeters. ‘Er is zóveel gaande in die levens. School is daar maar één onderdeel van, dat moet je je als docent wel realiseren. Ik sta wel eens voor de klas een lange uitleg over lidwoorden of koppeltekens te geven, en dan zie ik gewoon dat al die hoofden compleet ergens anders zijn.’ Laatst zat er in de les een meisje in tranen met haar telefoon: liefdesverdriet. ‘Je kunt dat meisje op dat moment niet dwingen om die telefoon weg te doen en op te letten, dat heeft gewoon geen zin. Maar tegelijkertijd heb je niet alleen een verzameling individuen voor je; samen vormen ze ook altijd nog een groep. Als individu willen ze allemaal op hun eigen manier begrepen worden, maar de groep heeft een andere agenda. Die ziet meteen dat je aandacht verslapt wanneer er een meisje in de les zit te huilen, daar wordt onmiddellijk misbruik van gemaakt. Dat is het moeilijke aan zo’n groep: het is een verzameling eigenwijze individuen op de meest egocentrische leeftijd, die met van alles bezig zijn, behalve met jou.’

‘De normen en waarden van leeftijdgenoten, dáár gaat het om, niet om die van ouders en leraren’

‘Adolescenten zitten rond die leeftijd in het stadium in de ontwikkeling waarin conformiteit aan leeftijdgenoten piekt’, legt Overbeek uit. ‘Dat weten we uit onderzoek, maar je kunt er in de praktijk eigenlijk al bijna niet omheen: ze gaan ontzettend klieken, clusteren. Gezellig met z’n drieën of vieren naast elkaar fietsen op het fietspad, waardoor niemand er meer langs kan, of in onafscheidelijke groepjes rondhangen in de pauze. Naar de wc gaan ze het liefst met z’n allen en na school brengen ze hele middagen door in elkaars kamer. Doordat ze zo op elkaar gericht zijn, letten ze een stuk minder op wat volwassenen van ze willen. De normen en waarden van leeftijdgenoten, dáár gaat het om, niet om die van ouders en leraren. De groep is ongelooflijk belangrijk.’

‘In de vierde gaan de hormonen bovendien ineens opspelen’, zegt gymleraar Jasper de Graaf. ‘Dan worden ze opstandig, gaan ze drinken, blowen. Meisjes lopen laveloos rond op schoolfeesten, ouders moeten om de haverklap worden gebeld. Ik heb ook wel eens gehad dat een paar leerlingen ontzettend sloom de gymzaal binnen kwamen sjokken, met knálrode ogen. Toen heb ik ze mee de kleedkamer in genomen en gevraagd wat er aan de hand was. Begon er een opeens keihard te lachen. Dan weet je genoeg.’

‘Tegelijkertijd bestaat die groep nog altijd uit kwetsbare individuen’, zegt Overbeek. ‘Individuen die bovendien gebaat zijn bij verschillende soorten leiderschap; verschillende mensen gedijen nu eenmaal goed bij verschillende vormen van sturing. Daar moet elke leider rekening mee houden, maar een docent al helemaal. Daarom is een groep met zoveel verschillende soorten leerlingen ook zo’n uitdaging: sommigen hebben behoefte aan veel sturing, anderen juist aan iemand die hen een beetje afremt en weer anderen hebben zo nu en dan slechts een klein duwtje nodig.’

‘Door al die verschillende soorten leerlingen speel je in 4-havo nog meer rollen tegelijkertijd dan normaal’, beaamt Tineke van Putten, die door sommige van haar leerlingen – half liefkozend, half gekscherend – Mama Tini wordt genoemd. ‘Voor sommigen ben ik bijvoorbeeld echt een soort extra moeder. Met die leerlingen whatsapp ik ’s avonds nog regelmatig over van alles en nog wat; niet alleen over school. Andere kinderen hebben daar totaal geen behoefte aan, een tweede moeder is wel het laatste wat zij nodig hebben.’

Toch kan een docent klassikaal, ten overstaan van de hele groep, maar één rol tegelijkertijd spelen. ‘Dat klopt, maar dat los ik op door niet zo strak te leiden. Ik hou persoonlijk ook wel van een beetje georganiseerde chaos. We gingen een paar maanden geleden bijvoorbeeld op excursie naar Antwerpen, en ik had bedacht dat het leuk zou zijn als we op een van de avonden met z’n allen zouden gaan koken. Mijn collega’s hadden van tevoren totaal geen vertrouwen in de “losse” manier waarop ik dat wilde gaan aanpakken, maar het ging juist hartstikke goed. Het was een drukke boel: de keuken was een troep, de muziek stond hard en er werd volop gekletst, maar die dingen zijn op zich helemaal niet erg. Natuurlijk waren er een paar leerlingen die hun snor drukten en niet meededen, maar die had ik in de smiezen, die heb ik achteraf alles laten opruimen. Vervolgens was er ook in de opruimploeg weer één leerling die niets deed – die heeft uiteindelijk in z’n eentje de hele vloer van de keuken gedweild.

Op die manier straf je alleen de paar leerlingen die niets doen. Het is helemaal niet nodig om de regels voor de hele groep aan te passen aan de meest opstandige leerlingen. Wat mooi is: je ziet sommige leerlingen helemaal opbloeien in zo’n situatie. Zo’n lange slungel die normaal hele middagen met een ongeïnteresseerde blik op het schoolplein staat te roken, stond ineens met ontzettend veel liefde en oog voor detail blaadjes sla en tomaatjes te rangschikken. Dat was zó ontroerend.’


Beeld: ‘Je hebt niet alleen een verzameling individuen voor je; samen vormen ze ook altijd nog een groep’

1 ( Frederick Florin / AFP / ANP)

2 (Maskot / Getty Images)