Till Lindemann

Viooltje, kindje, vissertje

De dichtende popmuzikant, daar zijn er maar weinig van. Sommigen van hen hebben gemeend dat hun liedteksten poëzie heten wanneer ze op papier staan in gebundelde vorm, maar dat pakt zelden gunstig uit. De liedteksten van Luc de Vos van Gorki zouden in die vorm waarschijnlijk wél overleven, maar die heeft dat nou juist niet gedaan, die schrijft romans.

Medium muziek lindemann  c  p. r. brown

Billy Corgan van de Smashing Pumpkins publiceerde een dichtbundel, Patti Smith verscheidene. Till Lindemann, de voorman van Rammstein, twee, waarvan de tweede nu in een (uitstekende, door Ilja Leonard Pfeijffer) Nederlandse vertaling is verschenen. Het is een lezenswaardige, soms ronduit amusante, soms volstrekt sentimentele bundel, die feitelijk het hele oeuvre van Rammstein samenvat en doet begrijpen.

In zijn inleiding schrijft samensteller Alexander Gorkow: ‘Wie correcte gedichten wil lezen, zal teleurgesteld het hoofd buigen en zachtjes huilen.’ Gorkow noemt Lindemann de ‘King Kong van de Duitse hedendaagse cultuur’, tegelijk gevoelloos en overgevoelig, teleurgesteld in de mensheid. En, kan daaraan worden toegevoegd: mateloos gefascineerd door de donkere kant daarvan, vooral op seksueel gebied, en het onvermogen van de mens om los te komen van zijn eigen oude pijn. Mein Teil van Rammstein ging over de relatie tussen de Duitse kannibaal Armin Meiwes en zijn homoseksuele geliefde, die hij om het leven bracht en vervolgens gedeeltelijk (in ieder geval zijn geslacht) verorberde. Lindemann vatte het leven van Meiwes aldus samen: ‘Denn du bist was du isst.’ Het gedicht Erg eenzaam met vissen doet eraan denken: eenzame man steekt uit wanhoop en behoefte aan contact zijn hoofd in zijn vissenkom, maar ontdekt tot zijn frustratie dat de vissen volstrekt geen interesse in hem hebben. ‘Niet ieder wezen denkt/ Wat jij denkt dat hij denkt/ Dus de moraal: pas op/ Aan wie je aandacht schenkt.’

De banaliteit van vleselijke liefde en de schoonheid van die banaliteit, of de fascinerende lelijkheid ervan: Lindemann kan ermee uit de voeten, ook zonder de loodzware metal van zijn band op de achtergrond. Slikken kreng heet een van de gedichten. Het lijkt het spiegelbeeld van het gedicht Licht (‘Doe het licht aan/ Zodat ik/ Je kan zien’), maar is dat niet: zowel in lust als in liefde ligt de dwang op de loer, zijn verzoeken zijn al snel bevelen, er bestaat alleen het zintuiglijk waarneembare. Soms is Lindemann ronduit flauw, net als zijn band, al worden die momenten daar nog gered door de show en bravoure. Ook als dichter houdt Lindemann van verkleinwoorden: viooltje, kindje, vissertje. Die laatste heeft geen hart, maar een ‘arm hart’, ogen zijn oogjes. Steeds wanneer typisch Lindemann-vocabulaire langskomt, hoor je hem zingen. Alleen zijn favoriete Rammstein-term, ‘ins Gesicht’ (en dat kan bij Rammstein van alles zijn, maar vooral lichaamsdelen) komt niet langs. Heel soms heeft Pfeijffer ervoor gekozen het Duits te laten staan. Terecht: er is geen goed Nederlands woord voor ‘schwanz’, althans niet voor wie Lindemann recht wil doen. De basis van Lindemanns levensvisie, en daarmee zijn oeuvre, lijkt te schuilen in zijn gedicht Jeugd: ‘Hars druipt uit gewonde schors/ Toch blijft de boom in leven/ Maar/ De schurft van vroege wonden/ Blijkt wat graag op de ziel te kleven.’


Till Lindemann, In stille nachten (Lebowski)

Beeld: Till Lindemann (P.R. Brown).