Do It Ourselves: Guerrilla-tuinieren met gevoel voor esthetiek

Viooltjes planten in de stoep

Echt groene vingers heeft hij niet, beweert hij zelf. Toch struint Ivo Rodermans (37) regelmatig in het holst van de nacht door Rotterdam om her en der tussen de stoeptegels tulpen en viooltjes te planten. Zo fleurt Rodermans de betonnen stadsjungle weer wat op.

De Jan Kobellstraat in de Rotterdamse wijk Tussendijken ligt er goed onderhouden bij. Weinig doet vermoeden dat de buurt enkele jaren geleden nog hoog scoorde op het lijstje probleemwijken van Ella Vogelaar. Maar de bewoner die hier de deur van zijn nieuwbouwwoning achter zich dichttrekt, heeft toch direct het gevoel dat er iets mist. Want op een enkel verschraald boompje na ontbreekt het aan groen.

Ivo Rodermans, die enkele honderden meters verderop in Spangen woont, besloot hier vorig jaar wat aan te doen. Want een wijk met bloemen en planten is naar zijn overtuiging per definitie een betere wijk. Daarin staat hij niet alleen. Zo onderschrijft het Centraal Bureau voor de Statistiek de theorie dat een afname in de verloedering van de buurt in ieder geval de gepercipieerde onveiligheid vermindert. En volgens de dominante theorieën in de omgevingspsychologie maakt blootstelling aan zelfs de minst florissante soort groen mensen vrolijker. De Wageningen Universiteit prijst de positieve invloed die groen heeft op de volksgezondheid, sociale cohesie en klimaatbeheersing van de stad. Maar ook esthetiek en stedelijke bio­diversiteit zijn voor Rodermans belangrijke drijfveren om ‘wild’ in de straten van Rotterdam te tuinieren.

Het is onbekend waar guerrilla gardening, het ‘illegaal’ beplanten van de openbare ruimte, precies begon. Maar Richard Reynolds zorgde in 2004 voor de definitieve doorbraak van het fenomeen door het nachtelijke tuinieren rondom zijn Londense appartementencomplex op een internetblog vast te leggen. De poging om de omgeving van het betonnen gebouw op te vrolijken lukte buitengewoon goed: alleen met een kort geding kon Reynolds voorkomen dat de huur van zijn eigen appartement verhoogd werd. Reynolds’ boek On Guerrilla Gardening, inmiddels zelfs in het Koreaans te verkrijgen, is uitgegroeid tot het manifest van de beweging.

Echt verwonderlijk is het niet dat guerrilla gardening juist in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk voor het eerst voet aan de grond kreeg. In deze liberale economieën, waar de autoriteiten een veel beperkter takenpakket hebben dan de Nederlandse, houdt de overheid zich minder bezig met de groenvoorziening. Maar de economische crisis bracht vergelijkbare taferelen ook naar ons land: in 2011 bezuinigden de Nederlandse gemeenten gemiddeld negen procent op het onderhoud van bloemperken, grasveldjes en bomen. Over 2012 zal dat percentage naar verwachting nog hoger uitvallen. Dit resulteert in lagere kwaliteitsstandaarden voor de groenvoorziening, het omvormen van bloemenperken tot onderhoudsarme gazons, en minder maaien.

‘En in een stad als Rotterdam was er altijd al relatief weinig geld voor natuur’, weet Rodermans, die in het dagelijks leven beleids­medewerker bij de gemeentefractie van GroenLinks is. ‘In vergelijking met kleine dorpen gaat hier bijvoorbeeld meer geld op aan uitkeringen. Als er keuzes gemaakt moeten worden, krijgt het groenbeheer vaak de eerste klappen.’

Aangezien hij van de gemeente niet al te veel hoefde te verwachten restten Rodermans twee opties. Hij kon een vergunning aanvragen, zodat de geveltuintjes door de bewoners van de Jan Kobellstraat konden worden aangelegd. ‘Maar deelgemeenten zijn niet altijd zo happig op nieuwe geveltuinen. Ze vrezen dat bewoners de tuintjes niet bijhouden, waarna de gemeente de boel weer moet dichttegelen.’ Hij koos voor de tweede optie, en trok met hulp van enkele andere guerrilla gardeners en buurtbewoners voor ieder huis in de Jan Kobellstraat vijf stoeptegels uit de grond. Het zand werd vervangen door aarde en potgrond, met daarin verschillende soorten planten. Die redt hij vaak uit de afvalcontainers van winkelketen Intratuin. ‘Nu zijn ze verlept, maar volgend jaar staan ze er weer schitterend bij.’

‘Het is ongelooflijk hoe snel de politie tijdens zo’n actie voor je neus staat’, zegt Rodermans. ‘Die zijn altijd buitengewoon geïnteresseerd in alles wat net even anders is.’ Gelukkig loopt de tussenkomst van de agenten in Rotterdam meestal met een sisser af: Rodermans kent niemand die gearresteerd is voor het aanleggen van een tuintje in de stad. In vroeger tijden was dat wel anders: zo viel er in de roerige jaren zestig zelfs een dode bij de ontruiming van People’s Park, een tuin aangelegd op een braakliggend terrein van de Universiteit van Berkeley in de Verenigde Staten.

En de verwijderde stoeptegels? ‘Na een actie bel ik netjes naar de gemeente om te melden dat er tachtig stenen klaarliggen om opgehaald te worden. Zelfs voor het zand dat we onder de tegels vandaan halen, vinden we een oplossing. Dat wordt meestal naar een verlaten terrein gebracht.’ En passant zegt Rodermans dat hij de viooltjes die de tuintjes in de Jan Kobellstraat sieren wel een beetje braaf vindt, maar dat is nu eenmaal de keuze van de ­straatbewoners die de tuintjes verder verzorgen. Zelf plant hij liever struikjes en klimplanten, ‘die zijn wat wilder’.

Hij gaat met enige regelmaat op pad: soms in het holst van de nacht, maar altijd met een tuinschep in de ene en een tas vol viooltjes of opgekweekte zonnebloemen in de andere hand. Eerder al bracht hij een bezoek aan de Willem Buytewechstraat, waar hij de geveltuintjes met zicht op de Euromast onder handen nam. En onder knooppunt Terbregseplein plantte hij tulpen, omdat daar ‘het contrast het grootst is tussen bloemen en asfalt’.

Rotterdammers kunnen bij het ophalen van de ochtendkrant tegenwoordig zelfs op tomaten, aardbeien, pepers, frambozen en kruiden stuiten, want eetbare planten hebben natuurlijk een dubbele functie. Bovendien leert het de stadskinderen nog wat bij. ‘Echt waar: sommigen geloven dat de groente die ze ’s avonds eten in de fabriek wordt gemaakt.’ Of het niet gevaarlijk is om groente te eten die in de stad verbouwd is, met al haar uitlaatgassen en bodemverontreiniging? ‘Welnee’, zegt Rodermans, ‘de bodem wordt altijd gesaneerd voordat er iets nieuws gebouwd wordt. En planten zetten koolstof­dioxide om in zuurstof, dus dat is juist een reden om zo veel mogelijk planten in de stad te kweken.’

Vaak krijgt Rodermans hulp van een legertje vrijwilligers, al is de samenstelling altijd wisselend. Soms gaat hij met slechts één andere gardener in de auto op pad om verwaarloosde geveltuintjes aan te pakken. Andere keren, zoals in het geval van de Jan Kobellstraat, ligt de opkomst een stuk hoger: ongeveer tien mensen werkten daar zij aan zij om de straat op te fleuren. Niet alleen in Rotterdam, maar ook in de rest van het land gaat het vaak om groepen die ad hoc ontstaan, bijvoorbeeld na een internetoproep. Tijdens het jaarlijkse ‘guerrilla gardening-weekend’ in april waren er landelijk tussen de dertig en vijftig mensen actief, van wie een groot deel nieuwelingen. Enthousiastelingen als Rodermans vormen de ideologische ruggengraat, maar voor de rest is guerrilla gardening een uiterst informele aangelegenheid.

Juist dat vrijblijvende karakter is volgens Richard Reynolds een belangrijke eigenschap van het fenomeen. ‘Het amateurisme vormt een groot deel van het succes’, maakte hij vorig jaar duidelijk tijdens een lezing in de Maasstad. ‘Gardeners zijn niet gebonden aan de verantwoordelijkheden die een officieel contract op het grondbeheer met zich mee zou brengen. Dat betekent dat iedereen het kan doen, want alles wat uit de grond komt is winst.’

Nederland is nog maar een kleine spil in het wereldwijde guerrilla gardening-netwerk. Dat blijkt wel op de internationale actiedagen. Zo staken op 1 mei van dit jaar wereldwijd 2651 guerrilla gardeners de handen uit de mouwen op International Sunflower Guerrilla Gardening Day. Zij deelden hun verhalen op internet. In Milaan en Rome hingen die dag de zonnebloemen in lege soepblikken aan de lantarenpalen, en in Brussel stonden ze voor het Europees Parlement omdat de politici ‘te serieus’ zouden zijn. In Louisiana in de VS staan amper planten: daar waren de vogels en eekhoorns te goed in het vinden van de zonnebloempitten.

Terug naar Rotterdam. Veel minder braaf dan de Jan Kobellstraat, die Rodermans en de zijnen met zoveel succes onder handen namen, is de Saftlevenstraat in het Oude Westen. Dit is zo’n straat die symbool staat voor grootstedelijke problematiek. Rodermans somt op waarom juist hier zo veel overlast is: ‘Er zijn open portieken waar mensen in kunnen schuilen, bewoners hebben weinig zicht op de straat omdat de ramen boven straatniveau zijn. En dichtbij bevindt zich het coffeeshopgebied van de Nieuwe Binnenweg, met aan de andere kant van de straat de metro-uitgang.’ Rodermans weet waarover hij praat, want hij heeft zelf enkele jaren op de hoek van de straat gewoond. Lange tijd probeerde hij er geveltuinen aan te leggen en de boomspiegels, de grond rondom de stam van de bomen, te versieren met planten en bloemen. Viooltjes zouden bij voorbaat kansloos zijn tegen het geweld van de straat, dus plantte hij er de stevigste struiken die hij kon vinden. Hij wist van begin af aan dat de getergde Saft­levenstraat een uitdaging zou worden: als het hier zou lukken om groen aan te brengen, dan lukt het overal.

Een paar jaar later ligt de straat, waar leraar Bint uit het gelijknamige boek van F. Bordewijk ooit woonde, er troosteloos bij: op wat onkruid na is het er kaal. Rodermans verzucht: ‘Iedereen parkeerde zijn fiets midden in de bosjes. En ze kunnen dan nog zo stevig zijn, planten kunnen er gewoon niet tegen als er een paar keer per dag tegenaan wordt geplast.’ Van de uitwerpselen in de boomspiegels van de Saftlevenstraat durft hij niet eens met zekerheid te zeggen dat die van viervoeters afkomstig zijn.

Rodermans denkt er nu wel twee keer over na alvorens opnieuw te investeren in beplanting voor de Saftlevenstraat. Toch is hij niet wars van een beetje vechten tegen de bierkaai. Want guerrillatuinen bevinden zich per definitie op openbaar terrein, en zijn dus ook voor kwaadwillenden toegankelijk. Vernieling en diefstal zijn een uitzondering, maar toch. Zo werd er onlangs een roos uit Rodermans’ eigen geveltuin gestolen, maar hij blijft er koel onder: ‘Blijkbaar heeft zo iemand geen geld om een bloem te kopen. Het scheelt diegene weer een prijzig cadeautje voor moeder.’