Virtual irreality

In zijn Kleine encyclopedie schetst Herman Vuijsje nieuwe inzichten over Nederland aan de hand van neologismen. Deze week: virtual irreality. Het scherm is een barrière die onze blikken doorlaat maar onze gevoelens dempt.

Wat is werkelijkheid? Daar kun je tegenwoordig niet meer van op aan. Alom vervagen de grenzen tussen echt en onecht, waar en onwaar, feit en fictie. Een hele reeks begrippen raakte in zwang om de vele grijstinten van dit nieuwe schemergebied aan te duiden: faction, docusoaps, advertorials, reality tv, hyperreality, virtual reality.

Allemaal manipuleren ze de werkelijkheid op hun eigen manier. Reality-tv presenteert dramatische gebeurtenissen die echt hebben plaatsgevonden als vermaak. Bij hyperreality wordt een niet (meer) bestaande werkelijkheid nagespeeld en als echt voorgesteld. Bij virtual reality word je met behulp van ict ondergedompeld in een gesimuleerde wereld.

Welke onderwerpen het meest geliefd zijn bij de ontwerpers van deze kunstwerkelijkheden weet iedereen. Seks, moord, sadisme, strijd, competitie, vernedering – alle dramatische en pijnlijke aspecten van het menselijk bedrijf die door traditionele media omfloerst en afstandelijk worden belicht, worden hier rijp gemaakt voor consumptie.

Tegelijk is er iets anders aan de hand: door toedoen van diezelfde media worden we in sterk toenemende mate geconfronteerd met écht lijden overal ter wereld. In de ‘global village’ is onze gezichtskring onbeperkt geworden. ‘Onze blik omvat de aardbol en onze oren zijn vervuld van het angstwekkende stemgeluid, zowel van iedere beul als van elk slachtoffer’, schreef Adriaan Morriën al twintig jaar geleden. ‘Onze radeloosheid kent nauwelijks nog geheimen.’

Radeloosheid kenmerkt ook het actuele debat over de vraag wat we aan moeten met het vluchtelingendrama in de Middellandse Zee. Ons morele erfgoed is geworteld in de kleinschalige samenleving van tweeduizend jaar geleden. Dat was een tribale wereld, waarin de loyaliteit van mensen niet veel verder ging dan hun familie en stamverband. Het christendom wilde dat doorbreken: alle mensen zijn broeders, kinderen van één vader. Het bijgeleverde beeld was dat van de sloeber langs de weg naar Jericho, ten prooi gevallen aan rovershand, die juist door een ‘allochtoon’, een Samaritaan, geholpen werd.

Maar met de kennis van nu kunnen we vaststellen dat die Samaritaan het eigenlijk maar gemakkelijk had, vergeleken bij een hedendaagse barmhartige Europeaan. Die kent immers het lot van álle sloebers langs al ’s Heren wegen. Het lijden van de hele mensheid op onze schouders nemen kunnen we niet, wegkijken mogen we niet – wat nu?

De moderne media die ons die eindeloze stroom ellendenieuws voorschotelen, bieden één uitweg: iets doen aan het werkelijkheidsgehalte van wat we zien. De vorm waarin dat nieuws ons bereikt, helpt daarbij. We zien de slachtoffers voor ons, maar ze zijn plat: ze ondergaan hun lot op het scherm, in een schijnbaar andere dimensie. Het onheil speelt zich af achter een virtuele scheidingswand. Het scherm is een barrière die onze blikken doorlaat maar onze gevoelens dempt.

Hier is geen sprake van hyperreality of virtual reality, maar van een nieuwe variant, die ik ‘virtual irreality’ noem. De grens tussen fictie en werkelijkheid vervaagt daarbij, maar dan in ‘omgekeerde’ richting. We verlustigen ons niet aan een werkelijkheid die in feite fictie is, maar we geven een fictieve draai aan een werkelijkheid waaraan niets te verlustigen valt.

Daarmee geven we ook een geruststellende slinger aan onze eigen rol: van omstander naar publiek. Toeschouwer zijn is een uiterste vorm van afzijdigheid. Deze publiekshouding is comfortabel, maar kent wel een voorwaarde, namelijk dat de ‘acteurs’ niet tot ons soort mensen behoren, maar ‘anderen’ zijn. Virtual irreality komt daarbij goed van pas: met behulp daarvan kunnen we onszelf wijsmaken dat degenen achter het scherm eigenlijk een soort aliens zijn.

Die comfortabele publiekshouding kan zo ingesleten raken dat ze zich ook gaat uitstrekken tot gebeurtenissen die zich echt voor onze neus afspelen. Het droevigste voorbeeld is Srebrenica, 1995. Toen de moslimmannen daar werden afgezonderd en weggevoerd, stonden we erbij en keken ernaar alsof het niet echt was. Wij thuis achter ons televisiescherm, maar ook zij, de Dutchbat‑militairen, achter de koorden die ze gespannen hadden tussen de verschillende soorten mensen.

‘Het gebeurde in het volle zicht van de blauwhelmen. Ze deden niets, de officieren incluis. Het leek wel of ze van Mars kwamen’, zo beschreef ooggetuige Braca Grubacic de afstand tussen de twee mensensoorten. Hij had toen nog niet eens de foto’s gezien van het feest vierende bataljon een paar dagen later, hossend met bier en opgestroopte broekspijpen: daar word je mooi bruin van.

Wat gebeurt er als die virtuele scheidingswand wordt doorbroken en de aliens door een wormgat pardoes in onze wereld opduiken? Het deed zich voor op de Canarische Eilanden, waar ze dood of levend aanspoelden tussen onze strandstoelen. Verdringing dreigde te worden overspoeld door verdrinking. De autoriteiten, zo machteloos om het probleem ten principale aan te pakken, kwamen subiet in actie om deze ramp af te wenden. Met bewonderenswaardige voortvarendheid stuitten zij de stroom en verwezen de slachtoffers terug naar hun eigen werkelijkheid, die van de virtual irreality.