Kunst

Virtuoos tekenaar

KUNST Willem van Konijnenburg

‘Als Van Konijnenburg teekende, was het adembenemend, alsof je een virtuoos viool hoorde spelen’, zei een kunstenaar ooit lovend over de tekenkunsten van zijn collega. In het interbellum was Van Konijnenburg (1868-1943) met Jan Toorop, Leo Gestel en Jan Sluijters het boegbeeld van de Nederlandse moderne kunst. Hij gaf les aan kunstenaars van allerlei pluimage: Jeanne Bieruma Oosting, Rie Cramer en koningin Wilhelmina. De lovende stukken die de beroemde kunstcriticus Albert Plasschaert schreef en de steun van het Haags Gemeentemuseum en verzamelaar Frits van Kooten Kok verstevigden zijn positie.

Als schilder was Van Konijnenburg echter niet erg succesvol. Zijn eerste werken – Zuid-Limburgse landschappen geschilderd in de stijl van de Haagse School – werden bestempeld als ‘virtuoze oppervlakkigheid’. Het weerhield hem er niet van actief deel te nemen aan het culturele leven van Den Haag. Hij organiseerde feesten en partijen, werd lid van de Haagsche Kunstkring en leerde het werk van Jan Toorop en Johan Thorn Prikker kennen. Zijn brood verdiende hij met het tekenen van spotprenten voor De Kroniek en De Nederlandsche Spectator, maar hij verdiepte zich ook uitvoerig in de filosofie, ethiek, logica en esthetica. Met het schrijven van een aantal theoretische geschriften over de rol van de kunstenaar en de absolute schoonheid in de kunst legde Van Konijnenburg een theoretisch fundament voor zijn werk.

Tot Van Konijnenburgs bewonderaars behoorden ook toenmalig directeur van het Haags Gemeentemuseum, H.E. van Gelder, en de conservator moderne kunst, G. Knuttel. Zij kochten werk aan en lieten Van Konijnenburg bij de bouw van de huidige behuizing van het Gemeentemuseum een groot reliëf maken. Dat reliëf, met de tekst: ‘Eer het god’lijk licht in d’openbaringen van de kunst’, hangt nog steeds hoog in de hal, rechts als je het museum binnenkomt. Het is nu zichtbaar, maar decennialang was het bedekt met andere schilderijen, het diende als extra tentoonstellingsplek – hetgeen typerend was voor het naoorlogse gebrek aan belangstelling voor Van Konijnenburgs werk.

Voor het eerst sinds 1941 heeft datzelfde Haags Gemeentemuseum nu drie ruimtes ingericht met werk van Van Konijnenburg. Er zijn zo’n 25 tekeningen en schilderijen, voornamelijk uit eigen collectie. Dat het werk wat achteraf hangt en niet op een ereplaats in de ruimtes boven heeft waarschijnlijk te maken met de omvang van de tentoonstelling – maar waarschijnlijk ook met de sombere atmosfeer. Van Konijnenburgs idee van schoonheid was een ander dan de kijker van nu ervaart. Toch is er een aantal werken waarin zich een virtuoze tekenaar openbaart. Zoals de met potlood getekende portretten van zijn nichtje Jacoba van der Vegt (ca. 1919) en van Ellen van Kooten Kok (1924), de dochter van zijn belangrijkste verzamelaar. Het zijn beiden mooie dames, maar terwijl Van Konijnenburg in het schilderij De overgave uit 1917 de vrouw nog kloek en onaantrekkelijk schildert, met een borst waar geen enkele man naar zou verlangen, tekent hij deze jongedames met grote gratie. Ook de twee bladvullende tekeningen van kraanvogels uit 1918 zijn erg mooi. Van Konijnenburg hanteerde in zijn tekeningen een strenge mathematische compositie, waarin hij de sierlijke lijnen dwong. Dit leidde tot een vergaande stilering van de halzen van de kraanvogels en het kronkelende gewei van de antilope op een tekening uit 1917.

Doet het Gemeentemuseum op deze manier eer aan Van Konijnenburg? Niet helemaal. Misschien was het beter geweest zijn werk op een andere manier te presenteren: met tijdgenoten met dezelfde ideeën, maar een kleurrijker palet, bijvoorbeeld. Of met andere tekenaars. Of met wat beter licht. Want het is beter om te benadrukken dat Van Konijnenburg een groot tekenaar was dan een schepper van schoonheid.

Willem van Konijnenburg: Schepper van de Ideale Schoonheid. Gemeentemuseum Den Haag. Te zien tot 16 december