Hugo Brems vervolgt debat over literatuurgeschiedenis

Visie is een kwestie van verbeelding

Hugo Brems antwoordt de critici van Altijd weer vogels die nesten beginnen, zijn deel van de nieuwe Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, dat gaat over de meest recente periode.

Al voor het boek er was heeft Altijd weer vogels die nesten beginnen aanleiding gegeven tot discussie. Na het verschijnen ervan is er uiteenlopend op gereageerd: zowel uitbundige lof als grove of wat verzuurde kritiek viel het ten deel. Dat zo’n boek discussies op gang brengt is toe te juichen: het is een van de functies ervan. Maar in die discussies en in de kritiek doken geregeld enkele kwesties op waaruit blijkt dat niet iedereen het concept van de nieuwe literatuurgeschiedenis en dus ook van Altijd weer vogels die nesten beginnen goed begrepen heeft. Daarom deze uitleg, liever dan een polemiek.
«Hogere literaire boekhoudkunde» en «processie van Echternach» (Arnold Heumakers in Ons erfdeel) zijn de meest beleefde karakteriseringen die de kritiek voor Altijd weer vogels die nesten beginnen hanteerde om te betreuren dat ik mij niet had laten leiden door «eigen smaak en voorkeur». Elders klonk het minder vriendelijk, maar dat laat ik liever voor rekening van de eigen (slechte) smaak en voorkeur (voor platvloersheid) van de recensent. Het punt is dat die bezwaren allemaal op hetzelfde neerkomen: er is een teveel aan relativering van de eenduidige visies en een te ontwikkeld oog voor de complexiteit van literaire ontwikkelingen.

Al zo lang als er aan literaire geschiedschrijving wordt gedaan staan er twee opvattingen daarover lijnrecht tegenover elkaar: die van de bevlogen essayisten en die van de meer ingehouden, observerende, beschrijvende en naar verklaringen zoekende wetenschappers. Wie verlangt naar een boek waaruit eigen smaak en voorkeur van de schrijver naar voren komen, wil een mooi en meeslepend essay. Die bevlogen opvatting werd in het verleden op extreme wijze geformuleerd door Conrad Busken Huet. In zijn kritiek op de grondlegger van de wetenschappelijke literaire geschiedschrijving in Nederland, W.J.A. Jonckbloet, formuleerde hij zijn programma als: «Veel weglaten, veel overdrijven, en op een klein getal feiten en beweegredenen veel licht doen vallen.» Die uitspraak werd mij dan ook door Arjan Peters in zijn recensie in de Volkskrant vermanend voorgehouden. Na Busken Huet kwamen anderen, zoals Van Deyssel, die in zijn bekende stijl Jonckbloet «een suf schoolmeestertje» noemde. Het klinkt zoals nu «academicus».

Misschien wel de zuiverste vertegenwoordiger van het andere, het wetenschappelijke kamp, was Jan te Winkel met zijn Ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde (1908-1921). Zijn werkwijze is natuurlijk gedateerd en voor onze kijk op geschiedschrijving te positivistisch. Maar zijn Ontwikkelingsgang is wél de enige oudere literatuurgeschiedenis die nog wel eens geraadpleegd wordt. En sommige van Te Winkels uitgangspunten zijn nog altijd behartigenswaardig. Zijn programma, «kennis van feiten in hunne onderlinge verhouding en causalen samenhang» klinkt minder sexy en glamorous dan dat van Busken Huet. Maar het spoort goed met wat Dirk de Geest in 1997 als een van de uitgangspunten zag voor de nieuwe Geschiedenis van de Nederlandse literatuur. Volgens hem moest «de literatuurhistoricus (…) waardeoordelen en selectiemechanismen, in hun historische, contextuele én tekstuele specificiteit, trachten te reconstrueren, analyseren en verklaren». In mensentaal wil dat zeggen dat de literatuurhistoricus niet zijn eigen waardeoordelen moet geven maar laten zien wanneer, waar, hoe en waarom in het verleden auteurs en werken werden gewaardeerd of juist niet. De hoofdredactie heeft hier de mooie taak laten liggen om dat uitgangspunt van het hele literair-historische project even publiekelijk te verduidelijken.

Menige recensent heeft gemeend te detecteren waar ik dan toch mijn voorkeuren laat zien: experimenteel proza en postmodernisme. Laten dat nu juist de typen literatuur zijn waar mijn hart niet direct naar uitgaat. Ik beschouw het als een groot compliment dat ook die literatuur recht is gedaan.

Visie heeft niet alleen te maken met eigen smaak en voorkeur, ook met een heldere, eenduidige interpretatie van feiten en samenhangen. Visie is – zoals godsdienst – een goede zaak, en geeft het mensdom veel vermaak. Maar ik hou het in dezen liever bij de programmatische uitspraak van J. Bernlef: «Visie is een kwestie van verblinding.» De milde gebreken van visie zijn eenzijdigheid, partijdigheid, partiële blindheid, opdringerigheid en bekeringsdrift; de ergere zijn onverdraagzaamheid, dogmatisme tot en met fundamentalisme, met (karakter)moord en doodslag als gevolg. Vermomd in het kleed van het heilige gelijk doet ze zich tegenwoordig ook wel voor als het mediatieke sweeping statement, dat een grondige afkeer heeft van zorgvuldige afwegingen. Schrijven vanuit eigen visie, voorkeuren en waardeoordelen is niet enkel gemakkelijker, het is ook veel plezieriger. En het resultaat is een boek dat «leuker» is, of in het beste geval zelfs overtuigender. Maar het is niet wat ik onder literatuurgeschiedenis versta.

Ik heb geen essay willen schrijven, niet mijn visie op goed en kwaad willen geven. Voor essays zijn er de essayisten en voor meeslepende betogen zijn er de leraren en zelfs de academici in hun onderwijs. Maar het kan ook voor hen nooit kwaad om eerst te weten waarover het gaat, waarop je dan een visie ontwikkelt en wat je ter wille van die visie wegmoffelt. Daar dient een literatuurgeschiedenis voor.

Ik ben niet zo naïef te denken dat een volstrekt neutrale, objectieve literatuurgeschiedenis mogelijk is. Er moeten voortdurend keuzes gemaakt worden: over wie en wat wel en niet, vluchtig of uitvoerig ter sprake komt. Dat zijn keuzes en oordelen die niets te maken hebben met smaak en voorkeur. Zij gaan over de interpretatie van het literair-historische belang van auteurs, werken en al wat bij de literatuur hoort. De principiële keuze om esthetische, en zeker ethische, waardeoordelen te vermijden hoeft daarom ook niet uit te monden in volstrekt relativisme. Om Te Winkel nog eens te citeren: de wetenschappelijke literatuurgeschiedenis berust niet enkel op «kennis van feiten», maar moet die ook tonen «in hunne onderlinge verhouding en causalen samenhang». Daarin ligt het interpretatieve werk van de historicus. En als hij dat ernstig neemt krijgt hij daardoor oog voor de menigvuldigheid van verbanden en samenhangen én voor het eventuele ontbreken daarvan. Het (recente) literaire verleden is te rijk, te veelkantig en te dubbelzinnig om het in één sluitend keurslijf te dwingen, of het nu dat van de eigen smaak is of dat van een andere «visie». «Een begaanbaar pad in het oerwoud» moest Arjan Peters hebben. Zo’n begaanbaar pad is er inderdaad nodig. Maar het moet dan wel gebaand worden door een gids met twee ogen, liefst zelfs met een beetje aanleg voor panoramisch zicht. We willen toch niet aan het handje lopen van een halfblinde gids, die ons, verleid door zijn tunnelvisie, meevoert zonder te tonen of minstens te laten vermoeden welk netwerk van paden er verder nog dat oerwoud doorkruist? Interessanter is in feite een andere discussie, door Thomas Vaessens op gang gebracht nog voor Altijd weer vogels die nesten beginnen op de markt was. Ze gaat over de vraag of er in deze postmoderne tijden van internet, multimedia, cross-overs en festivals nog wel een literatuurgeschiedenis geschreven kan worden. Die berust immers traditioneel op «een interne voortgangslogica» en beperkt zich daardoor veelal tot het in kaart brengen van de actie-reactie-dynamiek van stromingen en tegenstromingen. Een echo daarvan is te vinden in het verwijt van sommige recensenten dat ik me inderdaad te veel heb laten leiden door dat concept van actie en reactie, waardoor wie het hardst heeft geroepen ook de meeste aandacht krijgt.

Je kunt die kwestie ook formuleren als het dilemma tussen reproductie en tabula rasa. Onder reproductie versta ik dan het overnemen van bestaande beelden en verhalen over auteurs en werken, stromingen en ontwikkelingen. Die verhalen gaan inderdaad heel vaak over strijd, actie en reactie. Tabula rasa zou dan inhouden dat de literatuurhistoricus schrijft alsof die beelden niet bestaan of ongeldig zijn. Het is een fundamenteel probleem. En mijn houding daartegenover is, zoals te verwachten was, nogal dubbel. Aan de ene kant mag men volgens mij die bestaande beelden en verhalen niet negeren. Ze zijn immers niet enkel verhalen over de geschiedenis, maar zijn gaandeweg zelf ook deel gaan uitmaken van de geschiedenis en verdienen het dus om beschreven te worden. Anderzijds heb ik duidelijk willen maken dat het beelden en verhalen zijn en heb ik laten zien door wie en met welke strategische doelen ze gecreëerd zijn. Dat geldt niet enkel voor «evidente» stromingen als de Vijftigers, die grotendeels hun eigen verhaal, vol dubbelzinnigheden overigens, hebben gecreëerd, maar evengoed voor beelden die ontworpen zijn door journalisten en critici of schrijvers van overzichten. Daarom heb ik, zoveel als mogelijk, ook getoond wat er door die verhalen en beelden aan het zicht onttrokken wordt.

Dat is een buitengewoon moeilijke opgave, niet in de laatste plaats omdat de schrijver van een literatuurgeschiedenis nu eenmaal niet over een schone lei beschikt en niet alle daartoe benodigde vooronderzoek zelf kan doen. Maar tonen, aanwijzingen geven en sommige van de alternatieve verhalen geheel of gedeeltelijk uitwerken kan hij wel, en dat heeft hij ook gedaan. In de ogen van sommigen misschien onvoldoende, in de ogen van anderen juist te veel; het zij zo.

Er is ook nog een zeer praktische reden waarom het geheel achterwege laten van die bestaande verhalen niet wenselijk is. Men bewijst niemand een dienst door een boek te schrijven dat de lezer totaal desoriënteert door alle vertrouwde ankerpunten los te laten. Beter is het die ankerpunten te behouden maar het ankertouw een flink stuk langer te maken. De consequentie van die wijze van werken is inderdaad dat het «grote» verhaal daardoor minder spannend wordt, dat het niet altijd zeker is wie vriend of vijand is, dat het minder rechtlijnig, complexer en dubbelzinniger is geworden dan sommigen hadden gehoopt.

Er is nog een laatste reden waarom het niet wenselijk was die verhalen van strijd helemaal weg te laten. Een volstrekt apriori-loze beschrijving van het literaire verleden botst voortdurend met nog een andere werkelijkheid: die van wat in het jargon het «institutionele functioneren» van literatuur heet. Dat wil zeggen hoe literatuur niet enkel bestaat uit een verzameling van teksten maar ook uit alle kanalen waarlangs literatuur geproduceerd, verspreid, gepromoot en gelezen wordt. Die «instituties» zijn heel dikwijls de plaatsen waar de debatten en de strijd om zichtbaarheid en invloed van nieuwe literaire opvattingen en praktijken worden gevoerd: literaire tijdschriften, groeperingen, polemieken, bloemlezingen, manifestaties…

En ten slotte: juist die grote aandacht voor de manier waarop literatuur zich aandient en voor de plaatsen waar het debat gevoerd wordt, bracht als vanzelf mee dat tot op grote hoogte aan de verzuchtingen van Thomas Vaessens tegemoetgekomen werd. In het licht van de voorgaande alinea kan dat paradoxaal klinken. Maar de «instituties» zijn niet enkel de plaatsen van strijd, zij (uitgeverijen, boekenbijlagen, subsidies…) vormen ook de brug tussen de literaire teksten en de samenleving. De volgehouden aandacht daarvoor laat zien dat literatuur nooit zomaar een in zichzelf besloten geheel is geweest, dat enkel aan zijn eigen interne voortgangslogica gehoorzaamt. Ook de wetten van het geld en van de media spelen een rol. Het toenemende belang van internet en podiumoptredens, van literaire blogs, van media, publiciteit en commercialisering, allemaal voorbeelden van dat «institutionele functioneren» van literatuur, brachten mij automatisch tot de vaststelling dat de «autonome ontwikkelingsgang» van de literatuur nog meer onder druk is komen te staan. Dat wetmatigheden van buitenaf een steeds sterker sturende rol gaan spelen, dat het onduidelijker wordt wie met gezag over literatuur kan spreken en waarom en dat nevenschikking van opvattingen en stijlen zonder duidelijke hiërarchie steeds meer de plaats inneemt van duidelijke bewegingen en tegenbewegingen.

Toch blijft ook hier mijn rol als literatuurhistoricus een andere dan die van de essayist. Ik heb het niet als mijn taak beschouwd om aan die ontwikkeling cultuurpessimistische beschouwingen over de zappende lezer te koppelen zoals bijvoorbeeld Carel Peeters dat deed in Vrij Nederland of Hans Groenewegen in Poëziekrant. Evenmin heb ik een voluntaristisch standpunt willen innemen zoals Thomas Vaessens in zijn boek Ongerijmd succes. Men kan dat jammer vinden, maar de literatuurhistoricus die zich niet identificeert met zo’n standpunt heeft het grote voordeel dat hij niet enkel kan zien en laten zien dát die ontwikkeling er is en wat de gevolgen ervan zijn, maar ook en tegelijk hoe die ontwikkeling misschien wel een breuk is maar ook een herhaling van eerdere breukmomenten in een gewijzigde context. Over de betekenis en het belang op lange termijn van wat zich nu voordoet kan ik alleen maar gissen: ik beschik niet over een kristallen bol. Al wordt de literatuurhistoricus van het zo nabije verleden meer en meer een trendwatcher, Nostradamus wordt hij liever niet.

Men mag dat gebrek aan visie noemen, maar men dient daarbij te beseffen dat dat gebrek juist behoedt voor partiële blindheid. Men mag het ook hogere boekhoudkunde noemen (liefst met de klemtoon op «hogere»): een goede boekhouding kan behoeden voor faillissement en fraude. * Hugo Brems is hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de KU Leuven