Visies

Je kunt een visie over de toekomst ­hebben, maar hoe wil je dan iets vertellen wat enig hout snijdt?

Een toekomstvisie wordt tegenwoordig van onze politici geëist, maar waarom?

Wie eist dat trouwens?

Is het zwak als je niet vertelt wat je niet waar kunt maken? Is het zwak dat je verzwijgt wat niet meer is dan een droom terwijl je weet dat dromen bedrog zijn?

In wat voor termen formuleer je het uiteindelijke doel van visie?

Geluk? Vrijheid? Vrede?

‘Ik zie een land voor me…’

Wat je ook invult, dat land bestaat niet, zal er nooit zijn en moet er ook niet komen. En kan er ook niet komen, want op het moment dat het er is, is het al weer veranderd.

Je kunt wel zeggen: ik hoop dat we binnen tien jaar kanker kunnen genezen.

Dan ga je kijken wat kanker is, hoe het ontstaat, dan ga je experimenten uitvoeren, geneesmiddelen testen en wie weet gebeurt er iets. En als er niets gebeurd is, dan weet je wat je niet meer hoeft uit te zoeken.

Maar ‘ik wil over tien jaar vrede’, of ‘ik wil over tien jaar geluk’ – onzin!

Getuigt het van visie door te zeggen: ‘Ik wil dat niemand meer werkloos is?’ Of is het een visie als iemand stelt: ‘Wie ziek is, moet een uitkering krijgen van de overheid.’

Zo men een visie heeft, dan zal men die moeten schetsen aan de hand van moeizame processen.

De visies van politici kunnen derhalve niets anders zijn dan geaccepteerde leugens.

Verbale drugs.

Hoewel, er is een uitzondering.

Ik heb geen schuld aan hun schuld en aan hun fouten, dus moeten zij straf en zij moeten weg. Is dat hard?

Een politicus kan zeggen: ‘Ik wil oorlog.’

Dat is merkwaardig als je bedenkt dat ‘ik wil vrede’ een cliché is, en niet noemenswaardig als je een politieke visie uitvent. Maar ‘ik wil oorlog’ is pikant. Je moet van goeden huize komen om dat als visie naar voren te schuiven. Je moet je ethiek dan op orde hebben. Oorlog is tenslotte vernietiging, en je moet dus precies weten wat je wil vernietigen en waarom. Een oorlog voor je zien als oplossing voor bepaalde problemen zou getuigen van een sterke visie, maar zo’n visie willen we nou weer niet.

Op een gegeven moment kom je iets tegen. Buitenlanders, vreemd volk. Wil ik die wel of wil ik die niet? Ik wil dan horen wat de politici daarvan vinden. Ik wil hun argumenten kennen. Ik wil alles vernemen nadat ze ‘omdat’ hebben gezegd. En ben ik het met ze eens, dan stem ik op ze, en ben ik het er niet mee eens, dan doe ik dat niet.

Er zijn argumenten, steeds meer zelfs, die ik niet kan begrijpen.

Bijvoorbeeld: ‘Hoewel Griekenland de boel heeft opgelicht, is het toch beter als wij ze miljarden euro’s schenken.’

Daar zullen ongetwijfeld goede argumenten voor zijn, maar ik kan ze niet alleen niet begrijpen, ze stuiten me tegen de borst.

‘Maar zie je dan niet dat er in Griekenland een nieuw fascisme opkomt en dat het domweg inhumaan is om die mensen zo te laten lijden…’

Ja, dat zie ik, maar ik kan me niet over het Eigen Schuld Dikke Bult-principe heen zetten. Ik heb geen schuld aan hun schuld en aan hun fouten, dus moeten zij straf en zij moeten weg.

Is dat hard? Vast, maar ik begrijp anders de wereld niet meer.

Ik heb vergelding nodig als moreel ijkpunt.

Mij ontgaat al veel. Ik ben te dom! En toch moet ik een beslissing nemen. Ik kan dan alleen een beslissing nemen door iemand te kiezen, een politicus, die ik vertrouw. Maar waarom zou ik tegenwoordig politici vertrouwen als werkelijk alles wat ze wilden niet doorgaat, terwijl ze de macht hebben?

Welke zin heeft visie dan?

Visies zijn zinloze drugs; wat je droomt is een nachtmerrie.