Ettore Scola, de laatste maestro

Visionair op de Olympus

Met de dood van regisseur Ettore Scola (84) verdwijnt het geheugen van een Italië dat was. De laatste maestro van de grote cinema heeft zijn land talloze malen gewaarschuwd voor de mensheid die eraan kwam. Maar die kwam toch.

Medium 42 42726453

Daar had je hem toch nog, Matteo Renzi (41), al weer bijna twee jaar premier van Italië. De na-na-nagezant van de Partito Comunista Italiano die voor Ettore Scola (84) de as was waar alles om draaide. Pas op de derde ochtend na de dood van l’Ultimo Maestro (‘De Laatste Maestro’, zoals de Italiaanse kranten hem vorige week uitluidden) durfde Renzi zijn opwachting te maken bij het Casa del Cinema in het zeventiende-eeuwse stadspark van Rome, de Villa Borghese. In de stralende Romeinse zon knerpte de nagezant met onnodig haastige tred over het grindpad voor de laatste groet aan de kist van Scola, die stond opgesteld in de grote bioscoopzaal.

Alle groten waren Renzi een dag voor geweest. Sophia Loren, de president van de republiek, de hoge partijkaders van weleer, collega-regisseurs Bertolucci, Sorrentino, Tornatore, Moretti, de acteurs en actrices uit Scola’s glorietijden die nog over zijn: iedereen had zijn zegje al gedaan, sommigen betraand, anderen dapper glimlachend. Iedereen had zoveel van hem gehouden, C’eravamo tanto amati, de film die samen met Una giornata particolare tot Scola’s grootste wordt gerekend.

Medium hh 11852973

Matteo Renzi was nog niet geboren toen C’eravamo tanto amati uitkwam in 1974, en hij was twee toen Una giornata particolare in 1977 de wereld veroverde. Op zich zegt dat niets. Meesterwerken hebben het eeuwige leven, je hoeft er niet bij te zijn geweest om ze als deel van je innerlijke bagage te ervaren. Maar Renzi vertegenwoordigt een Italië waar Ettore Scola een dusdanige hekel aan had dat hij het zelfs een keer heeft gezegd. Iets wat de gentleman Scola nooit deed, zeker niet als het om een partijgenoot ging, wat Renzi toch is. En dan ook nog eens de eerste premier die voortkomt uit de schoot van de voormalige communistische partij pci, vandaag de PD, de Partito Democratico, de kleurloze algemene deler die is overgebleven na jaren van identiteitsdrama wegens de val van de Muur, die de Italiaanse communisten niet hadden zien aankomen.

In het laatste uitgebreide interview dat hij gaf, in juni 2014, aan de krant Il Fatto Quotidiano, trok Scola een vergelijking tussen Renzi en Berlusconi. ‘Berlusconi is blijven hangen in behagen. Godzijdank had hij niet de hitleriaanse dictator-ambitie, de criminele ambitie. Hij is klein gebleven en hij heeft het podium ook klein verlaten, met die belachelijke veroordeling voor een belachelijke zaak. Renzi wil ook behagen, maar hij mist de sympathie van Berlusconi. Renzi is parmantig, zeker in de ogen van een oude Romein zoals ik. Tussen Rome en Toscane (waar Renzi vandaan komt – ab) heeft het nooit erg geboterd, een antropologische kwestie, of misschien zelfs een existentiële.’

‘Parmantig’, een enorme draai om de oren van de grootmeester van de nuance Ettore Scola. En reken maar dat Renzi het heeft gelezen. Wat Scola zei deed er in Italië nog altijd toe, al was zijn stem als regisseur al lang gedoofd. Iets waar hij meer pijn van heeft gehad dan hij liet merken. Vanaf 1990 is er geen film die hout sneed meer uit zijn handen gekomen, al heeft hij het nog zeven keer geprobeerd. Scola was toen 59. Dat is jong, voor een regisseur die hoort op de Olympus van de internationale filmwereld en de poorten van Cannes en de Oscar-academy vele malen voor zich heeft zien openzwaaien.

Hij heeft hem trouwens nooit gekregen, de Oscar voor beste buitenlandse film, maar hij is wel vier keer genomineerd geweest. Hij kreeg hem zelfs niet voor Una giornata particolare, omdat dat jaar, 1977, La vie devant soi werd bekroond. Ettore Scola heeft het moeten afleggen tegen films als Fanny en Alexander, dus niets om je voor te schamen. Maar pijn deed het toch, zoals hij zelf wel eens met een half woord heeft toegegeven. Zeker bij La famiglia, zijn laatste kans op de grootste filmprijs, die hij zo langzamerhand ook echt wel eens had verdiend. Dat was in 1987, weer geselecteerd bij de laatste vijf, maar weer niet, ditmaal ten gunste van Babette’s Feast.

Daarna overkwam hem het ergste dat een kunstenaar kan overkomen: hij maakte een film die iemand anders op datzelfde moment ook maakte, en die er nota bene ook nog eens de Oscar mee won. Scola’s Splendor gaat over exact hetzelfde als Giuseppe Tornatore’s Cinema Paradiso, twee van die typische ouderwetse namen van Italiaanse dorpsbioscoopjes die sneuvelen in de moderne tijden. Nostalgische films over de tijden die waren, over de mensheid die was, over wat film toen, in de arme jaren vlak na de oorlog, betekende.

De onbekende nieuweling Tornatore won de Oscar in 1990, Scola’s film werd nauwelijks opgemerkt. Het enige wat hij eraan overhield was het koppel Marcello Mastroianni-Massimo Troisi, een gouden koppel, waarmee hij nog één prachtige film heeft gemaakt. Dat was Che ora è? (‘Hoe laat is het?’) over een vader en een zoon die in de tijdspanne van een dag nader tot elkaar komen, door elkaar niet meer te beoordelen, maar elkaar voor het eerst echt te zíen. Een kleine film, maar met een universeel thema, en weergaloos goed neergezet door twee topacteurs die elkaar tot in de haarvezels aanvoelen. Che ora è? is nog één keertje Scola op zijn best.

‘Wie het verleden negeert en zich afzondert in het heden zal niet ver komen’

En vanaf toen was het alsof hij de touch met de mensheid een beetje kwijt was. Wat heel raar is voor iemand die tot de laatste snik betrokken is gebleven bij de mensheid, op een manier die niemand die het geluk heeft gehad Scola live mee te maken ooit zal vergeten. Zo moeilijk bereikbaar als hij was voor journalisten, zo makkelijk was hij dat voor iedereen die iets wilde maken, die zijn raad vroeg, die hem benaderde vanuit het vak, of vanuit het _famiglia-_idee waar in Scola’s ruimhartige visie plaats was voor iedereen.

Medium gettyimages 159144220

In de week van zijn dood had hij nog afspraken staan met half Italië, zo bleek. Hij zou de zoveelste film over de dood van Pier Paolo Pasolini gaan bekijken in de montagekamer, hij zou gaan eten met een jonge regisseur die ‘Pif’ heet, hij had aan een ander beloofd dat ze elkaar zouden zien om over diens script te spreken.

Het ging om de manier waarop, om het taalgebruik, om bescheidenheid, om toon en gevoel voor humor. Een half woord was genoeg, maar het moest het goede zijn. Liters woorden konden het tegenovergestelde bereiken. Op zijn kist lag een papiertje met een cartoon van collega-regisseur Paolo Virzì. ‘Ettore als hij zich enorm vermaakt’, stond boven de tekening van een Scola die met toegeknepen ogen alsof hij slaapt en diep naar beneden getrokken mondhoeken de ultieme verveling uitdrukt. Dat kon hij dodelijk, de ultieme verveling uitdrukken, en het was voor de goede verstaander reden om halverwege een zin abrupt stil te vallen. Van goede verstaanders waren er steeds minder. Maar hij vond het nooit een excuus. ‘Wat je maakt moet goed zijn, je verschuilen achter de goede verstaander is een zwaktebod’, heeft hij vaak in interviews gezegd.

Het bijzondere van Scola’s manier van filmen, van zijn subtiele verteltoon, werd in de zee van commentaren na zijn dood het best gevat door Oscar-winnaar Paolo Sorrentino (46), een goede vriend van de laatste jaren: ‘Scola was de grote verbindingsschakel tussen melancholie en ironie. Dat kon hij beter dan wie dan ook in Italië, of misschien wel ter wereld. Ik en Paolo Virzì proberen het in grote bescheidenheid, maar Scola was onovertrefbaar. De strijd tussen melancholie en ironie kent geen winnaars. Zijn films laten het grote onvermogen van de mens zien op dat dunne raakvlak. Dat is heel moeilijk, en hij kon het beter dan wie dan ook.’

Ettore Scola zat niet speciaal te wachten op erfgenamen, zoals Sorrentino zelf heeft gemerkt. Toen hij klaar was met La grande bellezza nodigde hij Scola uit om de film in een privé-vertoning te komen bekijken. Dat was bedoeld als eerbetoon, omdat La grande bellezza onmiskenbaar schatplichtig is aan Scola’s La terrazza uit 1980. Een Romeins dakterras waarop een verveelde mensheid de ondraaglijke lichtheid van het bestaan uitzit in hangerige soirées.

Scola vond het vergelijk de grootst mogelijke onzin en wees het geïrriteerd van de hand. ‘Jep Gambardella heeft ook een dakterrasje, ja. Maar ik zie niet in wat dat met La terrazza te maken heeft.’ Genereus was hij, maar ze moesten hem niet te na op de huid komen. Op de vaak herhaalde vraag: ‘Wie beschouwt u als uw erfgenaam?’ antwoordde hij altijd: ‘Ze moeten hem eerst nog te pakken zien te krijgen, mijn erfenis. De manier waarop Italiaanse filmers vandaag met elkaar omgaan heeft niets te maken met hoe wij bezig waren met ons vak. Wij waren een groep, bij ons ontstond alles uit een diep gevoel van saamhorigheid, al konden we ook pittige discussies hebben. Maar die hadden we dan tenminste, ’s avonds in de trattoria. Vandaag zit ieder op zijn eigen eiland en weet niemand meer van elkaar wat ze aan het doen zijn. Films maken is een groepsproces. Vandaag denkt iedereen in z’n eentje het wiel uit te vinden, maar zo werkt het niet. Wie het verleden negeert en zich afzondert in het heden zal niet ver komen. Ik meen dat dat ook aan de resultaten te zien is, een enkele uitzondering daargelaten.’

Honderd films in ruim vijftig jaar staan op zijn naam. Vanaf 1952 tot een stukje na de eeuwwisseling, toen hij er genoeg van had. Ettore Scola heeft met zestig scenario’s voor anderen en veertig eigen films bijgedragen aan de meest vruchtbare, meest vrolijke tijd van de Italiaanse cinema, of misschien van Italië sowieso. Hij heeft alles en iedereen gekend nog voor de hele wereld ze kende: Federico Fellini, Marcello Mastroianni, Vittorio Gassman, om er maar een paar te noemen. Grote, diepe vriendschappen die wortelden in een verleden dat ver terugging. Dan heb je ook wel geluk, vinden sommigen. Zo’n leuke tijd, zulke bijzondere mensen, overal met je neus bovenop staan, er vanzelfsprekend bijhoren, kom er vandaag nog maar eens om. Het is er gewoon niet meer.

Maar, heeft Scola met zijn honderd films gezegd, ís het er niet meer, of hebben we het langzaam onder onze vingers vandaan laten glijden? Want dat is toch wat hij met zijn enorme filmreeks die zich uitstrekt over een halve eeuw vooral heeft laten zien. Hoe de positieve krachten langzaam maar zeker zijn weggegleden, om plaats te maken voor de Italiaanse mensheid zoals die nu is geworden, waar premier Renzi slechts een klein, en niet eens erg shockerend, voorbeeld van is.

Bruno is Berlusconi, zou je kunnen zeggen, pakken wat je pakken kunt, en wat niet verboden is, is toegestaan

Die mensheid, die heeft Scola al aangekondigd in een van de allermooiste scenario’s die hij schreef voor een ander: de film Il sorpasso, ‘De inhaalmanoeuvre’, uit 1962. Van die film heeft Scola altijd gezegd dat hij hem zelf graag had gemaakt als regisseur, maar om eerlijk te zijn: hij kon niet beter, met de regie van Dino Risi, een Vittorio Gassman op de toppen van zijn kunnen, en een perfecte, timide Jean-Louis Trintignant.

De Bruno (Gassman) die luid toeterend in zijn Lancia Aurelia Spider over de dan nog dromerige, provinciale Aurelia-weg langs de kust scheurt op de nationale vakantiedag Ferragosto, 15 augustus, is het Italië dat eraan komt. De Roberto (Trintignant), het timide rechtenstudentje dat naast hem zit en niet weet hoe hij uit deze nachtmerrie met een vreemde moet ontsnappen, is het onschuldige Italië dat was. Bruno is verleidelijk, ontzettend geestig, ontzettend brutaal, en gaat voor maar één zaak: Bruno. Roberto kan hem niet weerstaan, maar voelt dat het niet deugt. In een voortdurende innerlijke dialoog moppert hij over de zogenaamd vrolijke schelmenstreken van Bruno, altijd ten koste van anderen, altijd op het randje van de wet of eróver.

‘Che ti frega!’ (‘Wat kan je het schelen?’) schaterlacht Bruno, als hij weer iemand heeft opgelicht, op briljante en charmante wijze, maar ondertussen. Bruno is Berlusconi, zou je kunnen zeggen, pakken wat je pakken kunt, en wat niet verboden is, is toegestaan. Natuurlijk leidt Bruno’s onbesuisde gedrag tot de dood van de arme Roberto, die zich heeft laten betoveren door de snelheid, de charme, de brutaliteit, en uiteindelijk met de Lancia Spider het ravijn in verdwijnt. Bruno kan net op tijd zijn portier open krijgen en springen, want de Bruno’s redden zich altijd wel.

Medium anp 1933448

Een geniale voorspelling, die Scola later nog zo vaak heeft herhaald in zijn eigen films, steeds op een andere manier, steeds met een nuance verschil. Altijd prachtig om te zien. Films die het niet tot over de Italiaanse landsgrenzen hebben gehaald, maar die vandaag beslist de moeite waard zijn om nog eens te bekijken. Riusciranno i nostri eroi a ritrovare l’amico misteriosamente scomparso in Africa? (‘Gaat het onze helden lukken om de mysterieus verdwenen vriend in Afrika terug te vinden?’), bijvoorbeeld. Onmogelijk lange filmtitels waren erg in de mode in 1968, toen hij uitkwam. Of La più bella serata della mia vita (‘De mooiste avond van mijn leven’) uit 1972. Het Italië dat eraan kwam, Scola wist precies hoe het zou aflopen. Zijn portrettengalerij van embryo-Berlusconi’s is oneindig. Hij heeft Italië gewaarschuwd, met groot gevoel voor humor, maar de goede verstaander, die lette blijkbaar even niet op. Of misschien was die er niet, in Italië.

Wat bleef, was de melancholie van zijn latere films, waar La famiglia het hoogtepunt van is. Verzet heeft geen zin, is de boodschap. Wat blijft, is de familie, die voor Ettore Scola het begin- en eindpunt van alles was. De gemiste momenten waarop het anders had gekund vervagen uiteindelijk in een milde, melancholische berusting. Als je nou maar rustig thuis in je stoel blijft zitten gaat alles vanzelf voorbij: verzet, passies, verboden liefdes, hoop, schoonheid, ambitie. En het hoeft zelfs geen pijn te doen.


Etienne George / Sygma / Corbis / HH/ september 1979, aan het filmen voor La terrazza

_Photo 12 / HH/_Ugo Tognazzi in La terrazza, 1980

Bertrand Rindoff Petroff / Getty Images/ Op de set van La nuit de Varennes. Links Scola, rechts Marcello Mastroianni, 1981;

_Kippa / ANP /_Marcello Mastroianni en Sophia Loren in Una giornata particolare, 1977