Vissen

Ik heb hier eens iets geschreven over Rosie. Rosie was een cavia, inmiddels overleden. De column ging over de ontdekking dat ik zelfs een bepaalde band kan hebben met een cavia, een dier dat ik voor de ontmoeting beschouwde als een non-dier. Onlangs was ik met twee tuinbazen in een tuincentrum om er planten te kopen. Dat wilde niet lukken, vooral omdat de twee bazen het niet erg eens konden worden. In hun tuin is de vijver opnieuw bekleed en schoongemaakt en bovendien van een vlonder voorzien. Daarom zwemmen er nu een twintigtal oranje vissen in die vijver, zodat ze onder de vlonder kunnen en als je daar dan op zit, is het zo'n leuk gezicht als ze eronder vandaan komen. Soms is het zo dat je gewoon iets móet kopen en aangezien het plantmateriaal niet wilde lukken, keken zij begerig naar de aquaria. Er werden drie grijze vissen aangeschaft, vissen met een Japanse naam die ik vergeten ben, het waren geen Koi-karpertjes.
Bij thuiskomst mocht ik ze na een korte acclimatisatieperiode loslaten in de vijver. Het stond heel mooi: grijze vissen tussen al dat oranje en ze vraten onmiddellijk mee toen er een handjevol visvoer te water ging. Toen ik de volgende ochtend de toestand ging inspecteren, was er geen grijze vis te zien. Ongemerkt stond ik zo een kwartier te kijken naar het zwemmen, wenden en keren van de vissen en ik merkte dat ze met me mee zwommen als ik langs de vijver liep. Er overviel me een Rosie-moment: zelfs met zulke koude dieren kun je contact maken en hebben. Ik snap ook wel dat het ze om het vreten gaat, dat de beweging van grote vlakken buiten het water betekent dat er binnenkort gegeten kan worden, maar dat maakt me niets uit. Dat zoete luchthappen met die vreemde bekjes! Ze trekken meestal met hetzelfde groepje op, lijken vriendschapsverbanden te smeden. Pas ’s middags laat had ik ze alle drie weer gezien, dat stelde me gerust, ik kon naar huis. In de trein probeerde ik niet aan de reigerkolonie te denken, in het bos naast de vijver.