Mijn geruis bestaat uit tonen en klanken waarmee ik met je spreek

en mijn breekpunten neem ik golf na golf met me mee

en leg ik aan je voor in het warme zand.

Ik praat met je over de grote fint die in scholen op een lint
door mijn kust- en brakke wateren trok

en die in de zomermaanden paaide met lust en ijver,

heb ik hem nu van te weinig plankton en kleine vis voorzien?

De grijsbruine vleet met zijn rode en gele vlekken

slaat zijn vleugels niet meer in me uit,

terwijl hij vroeger zowel in de dag als in de nacht actief was
en naar platvissen, wormen en kreeftachtigen zocht.

De trompetterzeenaald heeft het leven in het zeegras opgegeven
en de zeestekelbaars met zijn lange snuit en met stekels op zijn rug
vind je hier niet meer terug.

Wat is verdwenen, zijn we kwijt, wat is bedreigd, is in nood,
wat kwetsbaar is, kijkt in de ogen van de dood,

en wat gevoelig is, kan nog overleven.
Ik huil mijn water op je stranden uit. Kom en kijk me aan.