Vissen met mannen

Soms is het werk van een andere kunstenaar zo indrukwekkend dat je er zelf volledig van blokkeert. Maartje Smits ervoer het tijdens het lezen van Catherine Poulains Open zee.

Soms is het werk van een andere kunstenaar zo indrukwekkend dat je er zelf volledig van blokkeert. Zo had ik ooit een geliefde die verlamd werd door de ijsbreker van Guido van der Werve. Hij was even oud als de bekende kunstenaar, maakte ook videowerk en vervloekte zichzelf dat híj niet had bedacht om voor een ijsbreker uit te lopen.

Zelf had ik soms last van het boek Oploper van Miek Zwamborn, een poëtisch logboek over de vijf maanden dat ze stage liep op een mobiel kraaneiland. Het eiland vaart tegen de tijd in, van Angola naar de Golf van Mexico, en de dagen zijn stroperig saai. Altijd is er wel een machine om schoon te maken. Miek is de enige vrouw tussen tweehonderd mannen, in haar contract staat dat ze niets met hen mag beginnen, maar natuurlijk wordt er veel geflirt. In het begin irriteert het haar Loerend en rovend kijken ze dwars door me heen. Ze schieten met hun ogen gaten in mijn lichaam. Maar in de laatste weken van haar verblijf wordt de eenzaamheid ondragelijk. Raak me aan. O, raak me nu spoedig aan.

Het aantrekkelijke van zo ‘embedded’ gaan, leek me dat je op vakantie bent in een ander leven. Als nieuwe inwoner zie je dingen die in hun alledaagsheid onzichtbaar zijn geworden voor de oorspronkelijke bewoners. Maar een kraaneiland was dus al gedaan, en Miek was ook nog brugwachter geweest, dus dat kon evenmin. Zo bleef ik zoeken naar mijn eigen ijsbreker, en even dacht ik hem gevonden te hebben toen ik Open zee van Catherine Poulain las. In de roman vindt Lili, een tengere twintiger, werk in de poolvisserij in Alaska.

Poulain beschrijft het leven in het desolate Kodiak en het werk op de vissersboten zo zintuigelijk dat de kou tijdens het lezen in je botten kruipt en er een zweem van rotte vis tussen de pagina’s lijkt te hangen. Geheel terecht won het boek in Frankrijk diverse prijzen. Maar Catherine Poulain, die op 56-jarige leeftijd debuteerde, is geen typische bestsellerauteur. Ze leeft in Zuid-Frankrijk als schaapsherder, en lijkt in haar vale bodywarmer per ongeluk een literaire talkshow binnen gewandeld. Het boek schreef ze uit eigen ervaring. Net als haar hoofdpersonage zwierf ze als adolescent over verschillende continenten voor ze in Kodiak belandde waar ze tien jaar als zeevisser werkte, tot ze het land werd uitgezet omdat ze geen werkvergunning had.

In eerste instantie vallen de gelijkenissen op. Hoewel heel Noord-Amerika tussen de twee boeken ligt, lijkt het wel of Zwamborn en Poulain dezelfde mannen zijn tegengekomen. Stille types, veel shag en tatoeages. Miek schrijft over Stuur, Oog, Reus en De Jongen. Lili vaart met ‘de lange dunne’ en ‘de leeuw’. Bijnamen die afstand scheppen. Voor hoe dicht de vissers op elkaar leven – ongewassen slapen ze in elkaars bed – is er verbazingwekkend weinig intimiteit. Beide vrouwen worden in eerste instantie niet geaccepteerd. Wanneer ze aan boord komen – Miek op haar kraaneiland, Lili op de Rebel, een longliner – blijken hun slaapplekken al vergeven.

Maar Catherine Poulain liep geen stage en ook voor Lili is er geen weg terug. Die noodzakelijkheid maakt dat je Open zee in een paar dagen uit leest. Naast deze roman hebben de poëtische observaties van Zwamborn iets onderkoelds. Hoewel ze heel persoonlijk schrijft, blijft het boek afstandelijk, alsof ze ook zichzelf bestudeert. Vijf maanden is te kort om ergens echt te leven. Je blijft de vreemdheid van de situatie uitleggen omdat je je nog te goed kunt identificeren met de lezer voor wie deze wereld ook onbegrijpelijk is. Poulain ging niet naar Alaska om een boek te schrijven, en daarom schreef ze waarschijnlijk zo’n mooi boek.

Nu ik Open zee heb gelezen realiseer ik me dat mijn beeld van Alaska voor een groot deel bestond uit de afbeeldingen op de visverpakkingen in de supermarkt. Een heldere bevroren hemel, kalme zee en schone verse vis in mootjes op het ijs. Nooit had ik kunnen vermoeden hoe hard en goor de poolvisserij in werkelijkheid is, als Poulain daar niet zo prachtig over had geschreven. Hoe de ene na de andere koolvis uit zee wordt getakeld en met een haak op het dek belandt. Hoe de vissers sneller slachten dan de vissen sterven. Routineus, want op zee kan elke aarzeling fataal zijn. Ze werken nachtenlang door tot het dek leeg is en de vangst in het ruim onder het ijs is geschept. Ieder heeft zijn eigen taak. Een koolvis ligt met happende kieuwen op tafel, ernaast zijn ingewanden die zojuist uit de opgereten buik zijn getrokken, het hart klopt nog. Een frêle Française stopt het snel in haar mond.

Als de inwoners van Kodiak niet op zee zijn, zijn ze dronken. De enige manier om er weg te komen is door overboord te slaan, of in de haven met je bezopen kop naast de loopplank stappen en in het ijskoude water bevriezen, of je kunt natuurlijk door de Immigratiedienst het land worden uitgezet. Dat Catherine Poulain dit laatste overkwam is een groot geluk, anders waren de avonturen die ze meemaakte waarschijnlijk in haar dagboeken gebleven. Nu ligt er een prachtige roman waarin het hart van de poolvisserij klopt, terwijl de vis al op het ijs ligt.