Leven in de veiligheidsstaat

Vissen naar vogelaars

We bevinden ons op de drempel van een geheel nieuw soort samenleving, waarin de staat op ongekende schaal doordringt in ons privé-domein. John Lanchester las de onthullingen van Edward Snowden minutieus – en hij schrok: de documenten zijn van cruciaal belang en moeten ons ertoe aanzetten om in actie te komen.

Medium essayopening

In augustus werd ik gebeld door Alan Rusbridger, de hoofdredacteur van The Guardian. Hij vroeg me of ik bereid was een week in New York door te brengen en de documenten van de Britse binnenlandse veiligheidsdienst gchq te lezen die door klokkenluider Edward Snowden aan het dagblad waren toegespeeld. De Britse kopieën van die documenten had The Guardian moeten vernietigen. Hij opperde dat het de moeite waard zou kunnen zijn om naar het materiaal te kijken vanuit het perspectief van een romanschrijver die belangstelling heeft voor de manier waarop we nu leven, en niet vanuit het perspectief van een nieuwsmaker. Ik nam de uitnodiging van Rusbridger aan, na een aanvankelijke aarzeling op grond van twee redenen. De eerste was dat ik het instinctieve gevoel niet deel dat het altijd verkeerd is als staten geheimen hebben. Ik zou het nog sterker willen uitdrukken: democratische staten hebben spionnen nodig.

De filosoof Karl Popper, die naar de Tweede Wereldoorlog keek vanuit zijn academische post in Nieuw-Zeeland, kwam met een geweldige titel voor zijn belangrijkste politieke werk: The Open Society and Its Enemies. Het is op een bepaalde manier een schokkende zinsnede – waarom zou de open samenleving vijanden hebben?

Maar we hebben wel degelijk vijanden, en die zijn dodelijk serieus. We hebben vijanden die proberen in te breken in de computers van onze regeringen, met het potentieel om onze infrastructuur te verwoesten en, letterlijk, het licht uit te laten gaan; we hebben vijanden die zo veel mogelijk van onze burgers, hoe onschuldiger, des te beter, willen doden, op iedere mogelijke manier, als een doelbewuste strategie; we hebben vijanden die kernwapens willen ontwikkelen, en daardoor de inzet voor de internationale diplomatie en de terreurdreiging enorm verhogen; en we hebben ordinaire zware criminelen, die ook in de gaten gehouden en opgepakt moeten worden.

Dat begrijp ik allemaal. Ik lig er dus niet wakker van dat de staat de middelen van de elektronische spionage moet gebruiken om onze veiligheid te kunnen garanderen. Het lijkt me duidelijk dat zij dat doet, en dat ons recht op privacy hier en daar moet worden ingeperkt, net zoals andere rechten, ter wille van de algehele veiligheid en het algemeen belang.

De week die ik heb doorgebracht met het lezen van dingen die nooit voor de ogen van buitenstaanders waren bedoeld, was, vanuit dit perspectief bezien, grotendeels geruststellend. De meeste dingen die gchq doet, zijn precies het soort dingen waarvan we allemaal willen dat zij dat doet. De dienst heeft belangstelling voor plaatsen als de Hoorn van Afrika, Iran en Noord-Korea; zij heeft belangstelling voor energiezekerheid, het tegengaan van de verspreiding van kernwapens en door staten ondersteunde inbraken in computersystemen.

Er lijkt in de documenten weinig te staan over de zware misdaad, waar gchq eveneens een oogje op zou moeten houden, maar veel van deze activiteiten kunnen ook door andere onderdelen van het veiligheidsapparaat voor hun rekening worden genomen. Het grootste deel van de spionageactiviteiten is gericht op individuen: het gaat om specifieke individuen en specifieke daden (of voorgenomen daden) en vormt als zodanig geen bedreiging voor ons.

Zelfs Julian Assange is het daarmee eens, zoals hij heeft geschreven in zijn alarmerende en opmerkelijke boek Cypherpunks: ‘De dreiging bestaat niet uit individuele afluisterpraktijken.’ Als de staat specifieke vijanden heeft en weet wie zij zijn en wat voor schade zij willen aanrichten, mag zij hen aanpakken om de veiligheid van de rest van onze samenleving zeker te stellen. Ik zeg opnieuw: op basis van het bewijsmateriaal dat ik heb gezien, is dit het belangrijkste wat gchq doet.

***

De problemen rond het werk van de veiligheidsdienst staan in de marges van het materiaal – ook al vormen ze de kern van de onthullingen van Snowden, en terecht. De problemen en de risico’s doen zich voor op het gebied van het massaal aftappen van gegevens, ook wel strategic surveillance genoemd. Dit is een vorm van het vergaren van inlichtingen waarbij gegevens van iedereen worden verzameld, overal vandaan: uit telefoongesprekken, internetgebruik – van het versturen van e-mailtjes tot het bezoeken van websites, sociaal netwerkverkeer, sms’jes en videogesprekken, en zelfs het spelen van spelletjes. Kortom, alles wat digitaal is.

In de Verenigde Staten heeft het Prism-programma de nsa toegang verschaft tot de servers van bedrijven als Google en Facebook; in Groot-Brittannië heeft gchq soortgelijke toegang verkregen via zijn Tempora-programma. Samen beschikken deze twee diensten over aftapmogelijkheden voor kabelsystemen en andere netwerken die gezamenlijk worden aangeduid als ‘Upstream’. Daarmee kan alles worden onderschept wat over het internet wordt verstuurd. Deze gegevens worden vervolgens ondergebracht in een database genaamd ‘Xkeyscore’, waar analisten in real time informatie kunnen onttrekken aan een enorme hoeveelheid onderschepte gegevens.

Daarnaast heeft de nsa technologiebedrijven ertoe aangezet geheime ‘achterdeurtjes’ aan te brengen in hun commercieel verkrijgbare, zogenaamd veilige producten. De dienst heeft veel geld besteed (alleen al 250 miljoen dollar per jaar aan het verzwakken van de encryptie) om commercieel verkrijgbare computerveiligheidsproducten te kunnen ‘openbreken’. Andere onthullingen zijn door Der Spiegel gepubliceerd en betreffen de exploitatie door de nsa van technologie als de iPhone.

Dit alles bij elkaar leidt tot een nieuw verschijnsel in de geschiedenis van de mensheid: met een paar muisklikken kan een agent van de staat je telefoon thuis of je mobieltje afluisteren, je e-mail aftappen, en met behulp van je paspoortnummer, creditcardgegevens en/of je adres achterhalen waar je op het web bent geweest en wat je daar eventueel hebt gekocht. Met behulp van deze selector kan de staat toegang verkrijgen tot de inhoud van al je communicatie, via al deze kanalen; informatie vergaren over iedereen waarmee je communiceert, zich een compleet beeld vormen van al je internetgebruik, en zowel online als offline je locatie bepalen. In wezen kan de staat alles over jou te weten komen, inclusief – dankzij het vermogen om jouw zoekopdrachten te bekijken – wat je denkt.

Om een ruwe versie van dit soort kennis te bemachtigen, moest een staat ooit handmatig afluisterapparatuur in telefoons laten installeren, in huizen laten inbreken, brieven laten onderscheppen en teams van getrainde waarnemers inzetten om je doen en laten in de gaten te houden. Maar dat was een grofmazig en vaag proces, dat kwetsbaar was voor allerlei menselijke fouten en tegenmaatregelen. Nu kan de staat over iets veel beters beschikken: een historisch ongekend arsenaal aan spionagetechnieken die zij binnen een paar seconden kan inzetten.

In wezen kan de staat alles over jou te weten komen, inclusief – door het vermogen om jouw zoek­opdrachten te bekijken – wat je denkt

Dit proces staat uiteraard onder toezicht. Om je via een van deze selectors te kunnen bespioneren, moet de agent van de staat in een vakje op zijn of haar computerscherm een zogenoemd ‘Miranda-nummer’ intypen, om aan te geven dat het proces plaatsvindt in reactie op een specifieke informatieaanvraag. Hij of zij moet tevens een rechtvaardiging selecteren op grond van de wet op de mensenrechten. Dat laatste is niet al te lastig, omdat de agent een rechtvaardiging kan kiezen uit een drop-downmenu. Dit is de manier waarop we nu leven.

Medium essay4

Het is de moeite waard je even af te vragen hoe behulpzaam de publicatie van informatie hierover is voor de slechteriken (vooral mannen, maar ook vrouwen). Het antwoord blijkt wel, denk ik, uit het niet vaak genoeg gememoreerde feit dat er niet eens een telefoonlijn liep naar het gebouw waar Osama bin Laden in het Pakistaanse Abbottabad verbleef. Met andere woorden: hij maakte niet alleen op geen enkele manier gebruik van het internet, computers of telefoons, hij stond ook wantrouwend tegenover de feitelijke fysieke apparatuur en infrastructuur zelf. Dit betekent dat de slechteriken heel goed weten dat ze voorzichtig moeten zijn. Een deel van het materiaal van de jihadstrijders, waarover ik in de documenten las, maakt duidelijk dat de terroristen zich heel goed bewust zijn van deze zaken. In een van de teksten komt een bijtend commentaar voor over een Zweedse documentaire die bepaalde afluistermogelijkheden van de mobieltjes van Ericsson blootlegde: ‘Het is gebruikelijk in de Scandinavische landen om dergelijke behulpzame zaken openbaar te maken.’ Ook al zijn de grote lijnen van de algehele strategic surveillance schokkend en moeten ze openbaar worden gemaakt, de publicatie van de specifieke technische details zou de slechteriken natuurlijk enorm in de kaart spelen.

Bedenk tevens dat deze documenten een brede circulatie kenden: van de 4,9 miljoen Amerikanen die toegang hebben tot geheime informatie zijn er 480.000 particuliere werknemers, met dezelfde bevoegdheden tot het inzien van ‘topgeheime’ documenten als Snowden had. Als honderdduizenden mensen toegang hadden tot deze documenten, hoe veilig waren die dan? De nsa en gchq hadden geen idee dat Snowden dit materiaal in handen had gekregen, en blijkbaar weten ze nog steeds niet precies wat erin staat – wat een van de redenen is dat ze in paniek zijn geraakt.

Maar als zij niet wisten wat Snowden had gekopieerd, hoe kunnen ze er dan zeker van zijn dat niemand anders kopieën heeft vervaardigd en die aan de Chinezen, Russen, Iraniërs of al-Qaeda heeft doorgespeeld? Onze veiligheidsdiensten zijn minstens 58.000 pagina’s geheime documenten kwijtgeraakt aan een Amerikaanse staatsburger met een computer in Hawaï, zonder te beseffen wat er was gebeurd. In feite zeggen ze: ‘Uw geheimen zijn veilig bij ons, tenzij we ze kwijtraken.’

Ten slotte kan er nóg een conclusie worden getrokken uit het feit dat zoveel mensen toegang hadden tot dit materiaal. Het betekent dat dit verhaal op enig moment wel naar buiten móest komen. Een programma met een dergelijke omvang in een moderne democratie, waarbij honderdduizenden mensen er kennis van hadden dat het hele internet werd afgetapt, was een onhoudbaar geheim. Het is misschien geen troost voor Snowden, maar uiteindelijk zou iemand ergens ooit hebben gedaan wat hij heeft gedaan. Sommige dammen zijn nu eenmaal gedoemd om door te breken.

Medium essay5

Dit brengt mij op mijn tweede voorbehoud bij het kijken naar het materiaal: de vraag of het iets bevatte wat we nog niet wisten. In de film Enemy of the State van Tony Scott stelt de paranoïde, voormalige nsa-spion, gespeeld door Gene Hackman, het in niet mis te verstane bewoordingen: ‘De overheid deelt al sinds de jaren veertig het bed met de complete communicatiesector. Ze hebben alles geïnfiltreerd. Ze kunnen bij je bankrekening, computerbestanden en e-mail, en luisteren al je telefoongesprekken af.’

Die film kwam in 1998 uit en was een hit. Hij werd gezien door miljoenen mensen, dus ook toen al wist iedereen in zekere zin van het werk van de veiligheidsdiensten. Mensen die op de hoogte zijn gebleven van deze onderwerpen zijn al decennia voorzichtig geweest met het gebruik van bepaalde woorden tijdens telefoongesprekken, vooral als het om transatlantische gesprekken ging.

Dit is analoog aan de manier waarop we allemaal weten dat afluisteren een belangrijk onderdeel is van het werk van de politie, en dat deze methoden niettemin wettelijk niet als bewijsmateriaal mogen worden ingezet of zelfs maar worden genoemd in een rechtszaak. Het verbod op het vermelden van de afluisterpraktijken van de politie bestaat nu juist omdat ze niet willen dat we beseffen hoe vaak dat in feite gebeurt. We weten het allemaal, en toch lijkt het niet veel uit te maken. Misschien ging het bij die praktijken van gchq wel om hetzelfde?

Ik ben daarover van mening veranderd. Dat was al een beetje gebeurd toen ik meer ging nadenken over de betekenis van de onthullingen van Snowden, en dat gebeurde nóg meer toen ik de documenten uit de eerste hand onder ogen kreeg.

Ik heb gezegd dat de zorgen over de praktijken van gchq zich in de marges van zijn activiteiten bevinden, maar die marges zijn erg breed. Zij gaan vooral over zaken die in de documenten worden aangeduid met ‘SD’, wat sigint development betekent. ‘Sigint’ is ‘signal intelligence’ (inlichtingen die worden vergaard op elektronische communicatienetwerken), het operationele domein van gchq. En ‘development’ betekent – nou ja, het is de crux ervan. Het betekent de speurtocht naar nieuwe vindingen, het onderzoeken van nieuwe technologieën en het ontwikkelen van nieuwe manieren om ‘targets’ op te sporen. Als je naar de documenten kijkt, lijkt het zo te zijn dat ‘SD’ de wettelijke basis vormt voor de massale afluisterpraktijken van het soort dat in de Tempora- en Prism-programma’s wordt geopenbaard. Het mandaat van gchq – dat overigens tot 1994 helemaal geen wettelijke basis kende – is het afluisteren om redenen van ‘nationale veiligheid, economisch welzijn en zware misdaad’.

De voornaamste wet die zich met deze activiteiten bezighoudt, heet Ripa. Als je deze wet uit 2000 leest (wat ik overigens niet aanraad, omdat het taalgebruik hemeltergend is, zelfs voor juridisch jargon), is het duidelijk dat het voornaamste aandachtspunt het gerichte afluisteren is. Het gaat over wat spionnen en politieagenten mogen doen om specifieke boeven te kunnen vangen. De opzet van Ripa is behoorlijk breed, en het lijkt overduidelijk dat het de bedoeling was de autoriteiten te laten doen wat ze wilden met telefoongesprekken en e-mail. En toch staat de wet nergens expliciet het massaal onderscheppen van de communicatie toe van mensen die de staat van niets specifieks verdenkt – terwijl dat wél is wat programma’s als Tempora en Prism doen.

Google weet niet alleen al lang dat je homo bent voordat je het aan je moeder vertelt, het weet het ook al lang voordat jij het zelf weet

***

De wet blijft altijd achter bij de technologie, dat is onvermijdelijk. Als je naar de eerste versie kijkt van de moderne Official Secrets Act, die in 1911 tot wet werd uitgeroepen en nog steeds de voornaamste wet is die de behandeling van staatsgeheimen regelt, gaan de eerste bepalingen over het maken van ‘kaarten en tabellen’. Het is duidelijk dat het soort spionage waar de opstellers van de wet aan dachten een man in plusfours betrof die beweerde dat hij zeevogels aan het tekenen was. Maar waarom had hij dan ook per ongeluk zeer nauwkeurige schetsen van een nabijgelegen marinebasis gemaakt, en waarom had hij zo’n zwaar Duits accent?

Ook de huidige spionagewetten lopen achter de feiten aan, niet alleen omdat de spionnen zich minder druk maken over mysterieuze vogelaars, maar omdat het leven zelf is veranderd.

Vroeger waren de activiteiten waarmee de spionnen zich bezighielden zichtbare en soms misdadige vormen van inlichtingengaring: vijanden die plattegronden maken van marinebases, inbraken in kantoren, ambtenaren omkochten, andere spionnen verleidden en chanteerden, of welke andere manier ze ook maar konden verzinnen om geheimen te stelen.

Bij het moderne inlichtingenwerk is hier helemaal geen sprake meer van. Computers en digitale activiteiten zijn ieder aspect van het moderne leven gaan overheersen. Het digitale leven staat centraal als het om ons werk gaat: velen van ons – misschien wel de meesten – brengen het grootste deel van onze werkdag achter de computer door. En het digitale leven staat ook centraal in onze vrije tijd: een groot deel van de activiteiten die wij daarin ontplooien heeft een digitale component, zelfs dingen die eruitzien alsof zij onbetwistbaar niet-digitaal zijn, zoals fietsen of koken.

En ook onze relaties en ons gezinsleven zijn, vooral voor jongere mensen, een digitale aangelegenheid geworden. Haal Facebook en Twitter weg, evenals sms’en, Skype en YouTube, en daarna ook nog – het is moeilijk voorstelbaar, maar probeer het maar eens – de mobiele telefoon, en zie de gapende kloof waarin alle menselijke interactie voorheen plaatsvond. Ongeveer de enige tijd dat we geen computers gebruiken is als we slapen – althans, als we geen gadget hebben dat onze slaap in de gaten houdt, of de temperatuur van ons huis, of ons inbrekersalarm, of wat dan ook.

Dit is het centrale punt als het gaat over wat onze spionnen en veiligheidsdiensten nu kunnen doen. Zij kunnen, voor het eerst in de geschiedenis, alles over ons te weten komen, en ze kunnen dat met een paar muisklikken en – om de juristen te behagen – een drop-downmenu van rechtvaardigingen.

Medium essay3

Kijkend naar de gchq-documenten is het duidelijk dat er een ambitie bestaat om toegang te verkrijgen tot alles wat digitaal is. Dat is wat ingenieurs doen: zij gaan op zoek naar nieuwe mogelijkheden. Als dit van toepassing is op de mensen die ons schade willen toebrengen, is het nog redelijk genoeg. Neem het hypothetische maar niet ondenkbare vermogen om iedere kamer af te luisteren via de stopcontacten. De ingenieurs van gchq zouden zoiets doen als ze het zouden kunnen. En er zijn ook best een paar mensen waarbij het nuttig zou zijn als je ze zou kunnen afluisteren via het stopcontact. Maar de prijs daarvan zou een samenleving zijn waar totale controle zou heersen. Is dat het waard? Is dat het risico dat we willen lopen?

Het voorbeeld klinkt misschien wat vergezocht, maar is niet zo ver gezocht als je zou denken, en de fundamentele insteek van de kant van de ingenieurs – om alles te pakken te krijgen wat ze kunnen – bestaat echt.

Neem Groot-Brittannië. Daar zijn meer bewakingscamera’s dan in welk land ter wereld ook, véél meer. Tel daar de capaciteiten van gezichtsherkenningssoftware bij op, die al bestaat en steeds beter wordt. Voeg daar ook de afluistermogelijkheden aan toe die het ‘internet der dingen’ met zich meebrengt, zoals het verstoppen van op het internet aangesloten chips in van alles en nog wat – van auto’s (waar ze al in zitten, althans in de duurdere modellen) tot en met koelkasten en planten (die een tweet zullen versturen aan hun verzorgers als ze water nodig hebben). Dit klinkt misschien als sciencefiction, maar de huidige schatting is dat er in 2020 wereldwijd twintig miljard van dit soort apparaten in gebruik zullen zijn. Tel dat weer op bij het feit dat veel van dit elektronische potentieel niet alleen toegang geeft tot externe gegevens uit de echte wereld – onze locaties, onze gesprekken, onze contacten, onze boeken –, maar ook tot onze gedachten. Ik noem dit de ‘weten dat je homo bent’-test. De meesten van ons kennen wel iemand die de moed heeft opgebracht om zijn of haar homoseksualiteit te openbaren, om vervolgens van vrienden en familieleden te horen te krijgen dat ze het al jaren wisten.

Nu weten zoekmachines dingen over de gedachten en fantasieën van mensen, lang voordat iemand anders die te weten is gekomen. Om het maar even cru te stellen: Google weet niet alleen al lang dat je homo bent voordat je het aan je moeder vertelt, het bedrijf weet het ook al lang voordat jij het zelf weet. En nu weet de veiligheidsdienst het dus ook.

***

Veiligheids­diensten zeggen nooit: ‘Dank u beleefd, zo is het mooi geweest, we hebben alles wat we nodig hebben’

Wat dit betekent, is dat we ons naar een nieuw soort samenleving begeven. Groot-Brittannië is al de meest bespioneerde, gecontroleerde en afgeluisterde democratische samenleving die er ooit is geweest. Hierover lijkt nooit te zijn gediscussieerd en ik kan me niet herinneren dat mij ooit is gevraagd ervoor te stemmen. Uit de gchq-documenten blijkt dat er een kloof bestaat tussen hoe de spionnen in het openbaar praten en hoe ze zich soms privé uiten. Het is bijvoorbeeld verbijsterend om te zien dat de rechtvaardiging voor de grootschalige onderschepping van iedereens internetgebruik een clausule uit Ripa lijkt te zijn, die de onderschepping toestaat van boodschappen die ‘op z’n minst voor de helft uit het buitenland afkomstig zijn’. Gooi daar een general purpose certificate tegenaan van de minister van Buitenlandse Zaken, en bingo – je hebt volledige toegang tot het verkeer via bedrijven als Google en Facebook, omdat hun servers in het buitenland staan. Ik kan niet geloven dat dit de bedoeling was van de mensen die Ripa hebben geschreven en vast en zeker eerder dachten aan mensen die telefoontjes kregen uit bepaalde gebieden in Waziristan dan aan je babysitter die op zoek was naar goedkopere kousen.

De veiligheidsdienst lijkt te denken dat de regering automatisch het recht heeft om de hand te leggen op allerlei gegevens, alleen maar omdat we die aan Google en Facebook afstaan. Het is alsof enveloppen, dankzij een wereldwijd tekort aan kleverige gom, niet langer verzegeld kunnen worden, als gevolg waarvan de regering zich het recht toe-eigent om iedereens brieven massaal te onderscheppen en te lezen.

In al het gchq-materiaal wordt enorm de nadruk gelegd op de wettelijke basis van de activiteiten, vooral met betrekking tot artikel 8 van de Human Rights Act, waarin staat: ‘Iedereen heeft recht op respect voor zijn privé- en gezinsleven, zijn huis en zijn correspondentie.’ Er wordt herhaaldelijk beweerd dat ‘gchq binnen de grenzen van de wet opereert’ en dat afluisteren altijd ‘gerechtvaardigd, noodzakelijk en proportioneel’ moet zijn. Goed – het zou immers vreselijk zijn als dat niet het geval was. Maar als gchq de wet zelden overtreedt, komt dat doordat de wet zo breed is opgesteld en geïnterpreteerd dat zij vrijwel onmogelijk te overtreden is.

In de documenten zijn nu en dan ook glimpjes zichtbaar van een andere houding. In een juridische briefing over de Human Rights Act worden voorbeelden genoemd van gevallen waarin de staat artikel 8 op legale wijze kan overtreden: ‘In het belang van de nationale veiligheid, publieke veiligheid of het economisch welzijn van het land, ter voorkoming van onrust of misdaad, ter bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.’ De notities merken op dat de nationale veiligheid, de openbare veiligheid en de zware misdaad momenteel de drie redenen zijn waarom gchq mag afluisteren, maar daar wordt iets huiveringwekkends aan toegevoegd: ‘Er is geen enkele reden waarom de bevoegdheden van gchq in de toekomst niet zouden kunnen veranderen, maar dit is wat we nu mogen doen.’ Toen ik dit las liepen de rillingen over mijn rug. De totalitaire staat van Orwells 1984 zou geen bredere juridische rechtvaardiging nodig hebben dan deze. Ze maakt het voor een regering werkelijk mogelijk om te doen en laten wat zij wil.

Medium essay2

Het was op dit moment dat ik ervan overtuigd raakte dat de onthullingen van Snowden van cruciaal belang zijn, omdat de staat op het punt staat bevoegdheden te krijgen die geen enkele staat ooit heeft gehad. We moeten een openbare discussie voeren over deze bevoegdheden, en over de begrenzing daarvan.

In een tijd van bezuinigingen, waarin het gevoel algemeen is dat het vermogen van de staat om de welvaart van haar burgers te garanderen op de terugtocht is, staat diezelfde staat op het punt de grootste stap ooit te zetten als het om haar veiligheidsbevoegdheden gaat. In de openbaarheid is de staat aan het krimpen; in onze particuliere sfeer krimpt zij zozeer dat zij klein genoeg wordt om zich te kunnen verschuilen in onze telefoons, onze computers, onze auto’s, onze koelkasten, onze slaapkamers, onze gedachten en onze bedoelingen.

We hebben veel horen zeggen over het verschil tussen inhoud en metadata – waarbij ‘inhoud’ over de zaken gaat die in de communicatie worden uitgewisseld en ‘metadata’ over de wie en het wanneer, waar en hoe van die communicatie, maar niet over de inhoud. Het idee is dat de spionnen zich op de metadata concentreren en de inhoud negeren – zodat zij wel kunnen zien dat je babysitter inlogt op het web, waar ze dat doet en voor hoe lang, maar niet kunnen lezen waar ze nu precies naar op zoek is geweest. Dit onderscheid is wettelijk vastgelegd, zowel in Groot-Brittannië als in de VS. Dit zou geruststellend zijn als er in de notities niet het volgende zou staan: ‘Het is het beleid van gchq om alles min of meer hetzelfde te behandelen, of het nu om inhoud of metadata gaat.’

Het beeld dat dit alles oplevert lijkt wel wat op het panopticon dat de filosofen van de Verlichting aanbevalen als ontwerp voor de ideale gevangenis van de achttiende eeuw. De Franse filosoof Michel Foucault heeft erover geschreven in zijn boek Discipline, toezicht en straf. ‘Hij die onderworpen is aan een alziend oog en zich daarvan bewust is, neemt de verantwoordelijkheid op zich voor de beperkingen van de macht; hij zorgt ervoor dat ze spontaan van toepassing zijn op hemzelf; hij gaat de machtsverhoudingen belichamen waarin hij zelf tegelijkertijd beide rollen speelt; hij wordt het principe van zijn eigen onderwerping.’

Toen ik voor het eerst deze beschrijving door Foucault van het panopticon las, waar het individu in het centrum tegelijkertijd een hele menigte andere individuen kan zien en beoordelen, vond ik die briljant maar overtrokken. Nu lijkt het erop dat het iemands plan is geworden. Dit is wat we dreigen te worden: een samenleving die in cruciale opzichten een gigantisch panopticon is, waar de mensen met toegang tot onze geheimen alles kunnen zien, horen, onderscheppen en controleren.

De leden van de veiligheidsdiensten willen altijd meer instrumenten en bevoegdheden voor zichzelf en minder rechten voor ons. Ze zeggen nooit: ‘Dank u beleefd, zo is het mooi geweest, we hebben alles wat we nodig hebben.’

***

Vanuit hun gezichtspunt bezien – waarbij ze steeds verder gaande geheime bevoegdheden willen hebben – zijn al-Qaeda en verwante organisaties de perfecte vijand. Omdat al-Qaeda de kenmerken van een ideologie en een netwerk in zich verenigt, is zij overal, is zij onzichtbaar, en is zij nooit gevaarlijker dan wanneer je haar niet kunt zien.

Als de onschuldigen niets te vrezen hebben, waarom leest de staat dan zoveel van onze e-mailtjes?

De nieuwe nadruk op het anticiperen op daden van ‘losgeslagen’ terroristen maakt dit gevaar alleen nog maar groter. Het gaat daarbij om de terreurdreiging die uitgaat van mensen die nog nooit op een misdaad zijn betrapt, geen bekende terroristische connecties hebben, onzichtbaar zijn en zich overal kunnen bevinden… Het is de ultieme versie van het spookverhaal over de ‘communisten onder je bed’. Hoe kan de staat ooit hopen ons tegen dat soort mensen te beschermen, als zij geen permanent, alomtegenwoordig en steeds verder ingrijpend toezicht kan uitoefenen?

Als we onze samenleving opnieuw willen inrichten om de strijd tegen de terreur te faciliteren, en als we die geheime oorlog tot de kern van onze democratische rechtsorde willen maken – wat de weg is die we zijn ingeslagen – dan moeten we dat in het openbaar bespreken.

Sinds 11 september 2001 zijn in Groot-Brittannië 53 mensen omgekomen bij terreuraanslagen. Elk van deze sterfgevallen is tragisch, maar dat geldt ook voor de 26.805 sterfgevallen die zich tussen 2002 en 2012 op de Britse wegen hebben voorgedaan, een gemiddelde van 6,67 doden per dag. Laten we dit eens de ‘sdrd’ noemen, de standard daily road deaths. De tol van het terrorisme over de afgelopen twaalf jaar bedraagt dan 0,0121 sdrd. Dit houdt in dat er in twaalf jaar van terroristische aanslagen in Groot-Brittannië net zo veel mensen zijn omgekomen als in acht dagen van verkeersongelukken.

De veiligheidsdiensten zullen daar onmiddellijk tegen inbrengen dat dit cijfer de terreurslachtoffers in het buitenland buiten beschouwing laat, evenals de levens die zijn gered dankzij hun geheime activiteiten; niets daarvan kan nu eenmaal bekend worden gemaakt zonder huidige en toekomstige operaties in gevaar te brengen.

Is dit rechtvaardiging genoeg voor de omvang en de reikwijdte van wat er met onze privacy gebeurt? Biedt het huidige regime van toezicht – waarbij hogere rechters de activiteiten van gchq ‘in het geheim’ onder de loep nemen en daar een geheim verslag van uitbrengen – voldoende tegenwicht tegen de macht van de staat?

Ik herhaal de stelling nog maar eens dat naarmate de bevoegdheden toenemen om met behulp van digitale technologie van alles en nog wat af te luisteren, deze macht vrijwel dagelijks groeit. Als de onschuldigen niets te vrezen hebben, waarom leest de staat dan zoveel van onze e-mailtjes, en vergaart zij zoveel metadata van onze telefoons en computers, onder het mom van sigint development?

***

De mensen begrijpen niet goed wat een politiestaat is. Dat is geen land waar de politie ostentatief in leren laarzen paradeert, dat is een land waar de politie kan doen en laten wat zij wil. Een veiligheidsstaat is een staat waarin de veiligheidsdiensten kunnen doen en laten wat zij willen.

We bevinden ons op de drempel van een geheel nieuw soort samenleving, waarin sprake is van een ongekende penetratie van de staat in gebieden die we altijd als ons privé-domein hebben beschouwd. Zijn we het daarmee eens? Als dat niet zo is, is dit onze laatste kans om hier een halt aan toe te roepen. Onze regeerders zullen zeggen wat alle regeerders overal en altijd hebben gezegd: dat hun bedoelingen goed zijn en dat wij hen kunnen vertrouwen. Zij vinden dat voldoende garantie.

Maar wij hoeven deze donkere weg niet verder af te gaan. Hier zijn twee specifieke voorstellen. Het eerste is dat aan degenen die toezicht uitoefenen op de veiligheidsdienst één of twee publieke figuren worden toegevoegd die bekend staan om hun pleidooien voor de mensenrechten en transparantie van de overheid. De ‘kring van geheimhouding’ moet een paar mensen omvatten van wie bekend is dat ze niet zo happig zijn op het idee van geheimhouding.

Mijn tweede voorstel betreft een digitale bill of rights. De belangrijkste clausule uit dit document zou moeten zijn dat bij het digitale afluisteren eenzelfde mate van expliciete doelgerichtheid moet gelden als bij de onderschepping van brieven en gewone telefoongesprekken. Er mag geen sprake meer zijn van gaten in de wetgeving die de massale onderschepping van allerlei vormen van communicatie mogelijk maken. En er moet korte metten worden gemaakt met de veronderstelling dat de staat het recht heeft om zomaar in ons digitale leven te interveniëren.

John Lanchester maakte naam met non-fictie én een roman, Capital, over de financiële crisis. Kapitaal verscheen in 2012 in Nederlandse vertaling bij Uitgeverij Prometheus.

© The Guardian

Vertaling Menno Grootveld