Visser

Aan de waterkant zit een oudere man op een klapstoeltje, onder een enorme paraplu. Er staat een viskoffer naast hem. Op het deksel heeft zich een plasje water verzameld. Juist als ik passeer haalt hij zijn hengel op. Het haakje glanst tegen de grauwe hemel. De visser ziet me kijken. ‘Weer niks gevangen’, zegt hij. Hij ziet er vrolijk uit, wat me even verwondert. Ik heb altijd aangenomen dat het de bedoeling is om daadwerkelijk een vis boven te halen, wanneer mensen er met een hengel op uit trekken. Maar misschien is dit een andere, meer filosofische variant, waarbij het gaat om de aandacht voor het water. Of om het verstrijken van de tijd.

De visser begint nu aan een hendeltje te draaien. Een plantensliertje wordt van de lijn geplukt en tussen het riet geworpen. ‘U zit zeker al een poosje?’ vraag ik. ‘Och’, zegt hij, ‘een uur of vier.’ Hij opent zijn viskoffer en haalt een oranje thermoskan tevoorschijn, waar hij de dop van afdraait. Stoom kringelt omhoog. ‘Ik blijf nog wel even zitten ook’, zegt hij, terwijl hij koffie in een plastic bekertje schenkt. Ik kijk naar zijn gezicht, dat er met al die groeven en kraaienpootjes inderdaad standvastig uitziet, en naar zijn waterdichte jas. ‘Anders hang ik thuis rond’, zegt hij. ‘En dat is maar niks.’ Onwillekeurig vraag ik me af of dat zijn eigen woorden zijn. Misschien citeert hij zijn vrouw. Je hoort dat wel vaker, van mannen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. Dat ze thuis in de weg lopen, geen goed kunnen doen, naar buiten worden gejaagd.

De visser neemt een slok koffie en kijkt even naar de lucht. Er is nog meer regen op komst. ‘Nou’, zeg ik, ‘goede vangst dan maar.’ Hij kijkt me aan en lijkt even te aarzelen. ‘Ik doe er geen aas aan’, zegt hij dan. Hij gebaart naar de hengel. ‘Maar het is zo lekker rustig hier.’ Ik knik. Als ik een half uur later aan de overkant loop, zit hij er nog steeds, onder zijn paraplu. De man zonder aas. Hij ziet er heel tevreden uit.