Nogmaals de Nieuwe Bijbelvertaling

Visserslatijn

In nummer 43 van dit blad stond een recensie van de Nieuwe Bijbelvertaling

In de discussie over de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) is Hieronymus van Stridon (348-420) nog niet aan het woord geweest. Deze kerkvader schreef in op dracht van de bisschop van Rome een van de beroemdste Nieuwe Bijbelvertalingen: de Vulgata. Bij het vertalen van bijbelteksten hield hij zich zo strikt aan het Hebreeuws dat daardoor vaak inbreuk op het idiomatische karakter van het Latijn werd gemaakt. In een aantal gevallen zijn door zijn vertaling Hebreeuwse uitdrukkingen in het Latijn blijven doorklinken.

Geleerde outsiders stonden vaak vreemd tegenover deze stijl, die afweek van de vertrouwde literaire normen. Bij de verdediging van zijn vertaling benadrukte Hieronymus het sociale element. Het taalgebruik van de apostelen was niet bestemd voor een kleine elite, maar bewust aan de massa aangepast. Want het was een primitieve toestand geweest in die woestijn met die God van Israël. Deze militante houding van christelijke schrijvers tegen de «literaire grachtengordel» van Rome was vooral ingegeven door het feit dat de eenvoudige taal van met name het Nieuwe Testament geschreven was door vissers, tollenaars en tentenmakers. Hierdoor moest iedereen zien dat er geen sprake was van menselijke wijsheid of esthetisch genot maar van Gods Woord.

De begeleidingscommissie van de Nieuwe Bijbelvertaling ziet haar arbeid echter anders: «Het streven naar concordantie – het samenklinken van gelijke woordstammen – mag nooit (!) ten koste gaan van de natuurlijkheid van het Nederlands.» Met deze «natuurlijkheid» van het Nederlands is het wel goed gekomen. De complexe teksten van een zeer merkwaardige en belangrijke antieke religie zijn voor een breder publiek toegankelijk gemaakt. De notie dat het vertalen van de bijbel een arbeid is die verricht wordt vanwege het bevel van de Heer Jezus Christus om het evangelie te verkondigen, is stilletjes onder de mat geveegd. Religieuze cultuur is tegenwoordig immers de naam geworden voor al die dingen die cultuurliefhebbers praktiseren zonder erin te geloven. Is dit misschien wat hedendaagse critici verafschuwen aan fundamentalistische gelovigen? Noem de de Romeinse criticus de christenen daarom niet «barbaren»? Uit angst voor het feit dat zij hun geloof wél serieus nemen?

Tegenwoordig ziet de moderne mens groot gevaar bij gelovigen die hun religiecultuur wel «onmiddellijk» leven. De gelovige die niet een «gezonde» afstand kan houden tot zijn bijbeltaal wordt «vreemd» of «fundamentalistisch» genoemd.

Maar is het niet zo dat elke zaak van gewicht een taal met zich meebrengt? Of het nu om sport, economie, politiek of reclame gaat. Enige betrokkenheid vraagt van de deelnemer toch een fundamentele kennis van de taal, die hij alleen maar kan leren door de aard ervan goed te begrijpen.

Op welke punten moet die specifie ke taal naar de lezer toe gebracht worden? Van de taal moet verwacht worden dat ze te vertalen is. Dat gebeurt al eeuwen. Nog voor het begin van onze jaartelling werd de bijbel in het Grieks vertaald: de Septuaginta. Van de lezer op zijn beurt mag verwacht worden dat hij zich in aanraking laat brengen met een «realiteit» die volstrekt vreemd voor hem is. Op een gegeven moment zal hij zelf iets moeten herkennen in de tekst. Anders is de tekst de tekst niet meer.

In de oudheid las men de teksten van de bijbel hardop. De toehoorder onderging de werking van de tekst. Het «echte lezen» heet in het Hebreeuws dan ook kara, roepen. De apostelen en profeten schreeuwden hun primaire getuigenissen uit. Dit vreemde karakter van de oorspronkelijke teksten maakt de teksten tot bijbelteksten. Ze hebben een eigen Hebreeuwse logica. Volgens de regels daarvan is vertalen een uiterst interessante klus, die interessant blijft wanneer de eigenaardigheden als eigenaardigheden herkend blijven. Er zijn nog vertalers die deze noeste arbeid verrichten in Nederland. Zeker in de twintigste eeuw hebben vertalers gewezen op het belang van een kolometrische weergave van de teksten, die niet alleen een hulp bij het voorlezen is, maar ook inzicht geeft in de literaire opbouw van de tekst.

Huub Oosterhuis en Alex van Heusden zetten deze traditie voort in het project De hele bijbel gelezen en uitgelegd. De zojuist verschenen vertalingen van Genesis, Exodus en Numeri zijn bedoeld om voor te lezen, waarbij zo veel mogelijk de Hebreeuwse zinsbouw is gevolgd.

Bij het hardop lezen hoort de lezer hoe deze vreemde profeten en apostelen primaire getuigen waren van de openbaring van de God van Israël en dit gekend hebben als een werkelijk ge beuren. Dit is bij de NBV maar de vraag.