Vitaal en fataal

L.F. ROSEN
DROOMVLEES
Wagner & Van Santen, 64 blz., € 15,95

Vlijmscherp. Dat is het eerste woord dat te binnen schiet om de nieuwe bundel van L.F. Rosen te typeren. De gedichten in Droomvlees kunnen bijna niet anders zijn dan zo. Al in zijn openingsgedicht schrijft Rosen: ‘Mocht ik iets kunnen leren,/ zou ik mij willen specialiseren/ in de longen’. Wie zich in het binnenste van de mens wil gaan begeven, moet wel met chirurgische precisie te werk gaan, anders beschadigen er dingen. Longfuncties heet het gedicht en het is meteen een kleine ontdekkingsreis in het menselijk lichaam en een lofzang op de longen, ‘dit machtig pulserend/ borstkoraal, met zijn vurige rokken/ als van een flamencodanseres’. Maar die lyrische uitbarsting neemt geleidelijk een sinistere wending, bijna onmerkbaar, en daarin schuilt voor een deel het vernuft van deze dichter. Zie de slotregels van dit gedicht:

En zijn binnenwanden bekleedt
met de huid van de wereld
om ons vertrouwd te maken
met het kelderstof
en de huidschilfers
van onze naasten.

Waar begint leven, waar eindigt het, hoe zit het in elkaar, wat doen wij in de tussentijd? Op die basale en alleringewikkeldste vragen zoekt L.F. Rosen een antwoord.
In het eerste deel van de bundel gaat hij – het openingsgedicht zette de toon – onderzoekend te werk, het lichaam in. Met de chirurg ‘Tenslotte bij de nieren aanbeland,/ daar waar de ziel in zijn bouwval/ woont’, met Rembrandt die met zuur op een etsplaat een gezicht tot leven wekt. Rosen heeft een fascinerende kijk op het lijf en op wat daar binnenin allemaal huist. Soms doet zijn poëzie even denken aan duizendmaal vergrote foto’s van ingewanden, de vergroting geeft een verrassend beeld, scherp en soms ietwat surreëel. De ene keer denk je: ‘Wauw?!’ Bijvoorbeeld als je leest: ‘het hart als dirigent,/ een bliksem zich vertakkend/ van je pols naar je keel, een nobele wilde/ die uit de hemel neerdaalde/ maar vlak voor hij de aarde zou raken/ werd opgevangen door het ribbennet’. Een andere keer zie je de bloederigheid, die ook in de gedichten zit, liever niet onder ogen. Maar fascinatie overheerst.
Na de anatomische lessen zoekt Rosen verder, naar hoe dat lichaam dan grip krijgt op de wereld. En met Eerste woorden opent het tweede deel van de bundel:
En kwam het woord in ons
leven, regende het sterren,
kwam ik, kwamen wij, in een
sprakeloos makende wereld terecht.

Een vrolijke wereld is het niet, die hier tot ons komt. We lezen scènes die herinneren aan de Dwaze Moeders, over beulen, de slacht – dit is het leven, lijken de gedichten te zeggen, en dat gaat over dood. Dit is wat dat machtige borstkoraal en die dirigent voortbrengen en ondergaan. Rosen schetst het allemaal in enigszins anekdotische gedichten, soms in de vorm van een monoloog, wat kaler van taal en met wat minder grootse beelden dan waar de bundel mee opende. Wat de naakte waarheid misschien nog wel harder doet aankomen.
Van de wereld gaat het naar de tijd, de herinnering ook, aan slaaprituelen van vroeger, aan een schoolreisje, of aan hongertochten in dromen:

Dat ook dromen dus verouderen,
een loszittend vel krijgen waarin
mannen hoeden dragen, vrouwen
handschoenen. En voedsel
nog voedsel is, maar nooit genoeg.

Wat het precies is met deze vitale en fatale bundel, het zal de scherpte wel zijn waardoor het me nogal raakt. Die mengeling van lyriek en milde ironie, die toon van bijna juichend naar krakend nuchter – maar niet cynisch. De speelse vergelijkingen die Rosen trekt, zoals in het gedicht Aan mijn vertaler – de dichter Craig Raine – waarin de vertaler tot kleermaker wordt en het vertaalde gedicht een nieuw pak: ‘In vreemde kleren ben ik/ ontwaakt. Maar het staat/ mij, al stond mijn eigen pak/ mij ook en lijkt het of/ daarin een ietwat eigen-/ zinniger heerschap stak.’ En hoe subtiel L.F. Rosen het rijm gebruikt, waardoor zijn gedichten hecht in elkaar gevlochten zijn. Zoals de hele bundel dat is. Droomvlees leidt van de oorspong van leven naar het einde ervan, het slotgedicht is getiteld Op weg naar zijn begrafenis. Is er dan niks aan te merken? Jawel. Zoals je soms op die duizendmaal uitvergrote foto niet meer kunt identificeren wat je ziet, kan ook Rosens beeldgebruik of de wijze waarop hij het gedicht een wending geeft, wel eens onnavolgbaar worden. En een enkele keer werpt een klein cliché als ‘Wel geeft een afscheid/ reliëf/ aan de tijd’ een schaduw over een gedicht.
De bundel verscheen bij uitgeverij Wagner & Van Santen, een sympathieke kleine uitgeverij, met een fonds dat behalve Nederlandstalig werk ook veel vertaalde poëzie bevat. Alleen al vanwege de zorgvuldige vormgeving is een boek van Wagner & Van Santen vaak een genot om in handen te hebben. De uitgeverij maakt weinig publiciteit, dat valt te prijzen. Maar iets harder roepen als er weer iets nieuws verschijnt, zou wel mogen.