`vitaal, maar absoluut stuurloos’

Een gesprek met Bram van Stolk, auteur van S1, uitgeverij Meulenhoff, 159 blz., f29,90
‘IK HEB S1 geschreven om mezelf te troosten. Mijn vriend Rudolf overleed veertien maanden geleden aan aids. Tot zijn dood heb ik voor hem gezorgd, want ik ben een loyale jongen. Veertien jaar waren we samen geweest en toen was ik alleen. De eerste maanden na Rudolfs dood heb ik alleen over hem geschreven. Twintig bladzijden over onze vriendschap en zijn stervensproces. Dat verhaal ligt nu bij Meulenhoff. We weten nog niet precies wat we ermee gaan doen. Het is heel verdrietig proza. Je kunt je afvragen of je dat een lezer wel moet aandoen.

Ik ben over andere dingen gaan schrijven. Geen idee dat het ooit een roman zou worden, maar in gedachten ben ik teruggegaan naar een periode die bepaald werd door ongecompliceerde vriendschappen. Eerst werd het een kort verhaal, daarna een novelle die ik met de dood in mijn hart naar Meulenhoff heb gebracht. Ze vonden het mooi. En vervolgens heb ik er een roman van gemaakt.
Natuurlijk bestaat S1 uit autobiografische bouwstenen. Personages die geinspireerd zijn op mensen die ik kort voor en in mijn diensttijd heb gekend. Het verlangen naar vriendschap en troost heb ik geromantiseerd, mooier gemaakt. De jongens die in mijn roman voorkomen zijn allemaal vreselijk aardig; in werkelijkheid was dat niet altijd zo.
Ik had een sterk verlangen om in dienst te gaan. Ik wilde laten zien dat homo’s even goede militairen als hetero’s konden zijn, daar stelde ik eer in. Tegelijkertijd was het een bizarre onderneming, want ik kon aan niemand vertellen dat ik homo was. Ik kon hooguit mezelf bewijzen dat ik even geschikt was voor het leger als welke hetero ook.
Op een bepaalde manier werd ik gefascineerd door geweld. Soldaten die tegen elkaar opschepten over de dingen die ze in oorlogssituaties zouden doen. Je realiseerde je niet dat het in werkelijkheid kon gebeuren; daar vond ik het veel te spannend voor. Ik heb zelfs overwogen om mijn boek Het gevecht van man tot man te noemen. Twee mannen met bajonetten of dolken, en dan maar kijken wie er wint. Je ligt bovenop elkaar, de ene vermoordt de ander, je kunt het als een vorm van erotiek zien. Twee uitersten die elkaar raken.’
‘IK BEN altijd geinteresseerd geweest in het probleem van de gewetenloosheid. Als socioloog heb ik daar vroeger veel mee te maken gehad. Tienduizenden, misschien wel honderdduizenden mensen hebben geen gewetensorientatie om van te spreken. Dat is hun schuld niet, want ze weten het echt niet. Als ze elkaar iets aandoen - en ze doen elkaar voortdurend dingen aan - dan hebben ze geen idee van wat ze aanrichten. Een fascinerend probleem waar ik mijn leven lang niet uit zal komen.
Mijn ouders waren niet gewetenloos - ik ben nooit zwaar verwaarloosd - maar wel erg hard. Ze wilden hun eigen leven leiden en konden mij daarbij eigenlijk niet gebruiken. Vandaar dat ik op m'n dertiende in een kosthuis terecht ben gekomen. Mijn hele opvoeding was veruiterlijkt. Ik moest een beleefde en amusante jongen worden, daar ging het om. Niet om burgerlijke waarden als bijvoorbeeld eerlijkheid. Je moest presentabel worden. Net als ik zijn mijn ouders opgevoed door juffies en kindermeisjes, dus ze wisten ook niet beter. Ze hadden geen van beiden zin in me. Toch heb ik geen rancune tegen ze. In mijn boek heb ik een paar scenes aan ze gewijd. Voornamelijk om duidelijk te maken waarom die jongen uit S1 zo stuurloos is. Vitaal, maar absoluut stuurloos.
Ik ben opgegroeid in Rotterdam en na de oorlog was dat een soort bouwput. Het levensritme werd aangegeven door het geluid van de heimachines. Op tientallen plaatsen tegelijk hoorde je ze stampen. Het was een potent geluid, want wij waren met zijn allen iets aan het opbouwen. Op school sloten we weddenschappen. Wanneer de Euromast of de nieuwe Bijenkorf klaar zou zijn. De opbouw van Rotterdam leefde voor ons uit het gevoel van onrechtvaardig behandeld zijn. Waarom was Amsterdam niet platgebombardeerd en wij wel?
Leraren op school vertelden over Rotterdam en hoe mooi het wel niet zou worden. Alles deden we zelf en dat gaf een gevoel van trots. We waren zowel chauvinistisch als defensief ingesteld; Rotterdam was in mijn ogen een verminkte vrouw en ze kon er niets aan doen dat ze zo lelijk was.
Als jongen begon ik te lezen over de oorlog en ik was diep onder de indruk. De manier waarop Nederland zich had gedragen, vond ik verschrikkelijk. Ik had een paar helden zoals Karel Doorman en de mariniers, maar voor de rest vond ik het maar een povere vertoning. Later begon ik steeds meer te lezen over de jodenvervolging. Nooit mocht zoiets opnieuw gebeuren, zo laf en weerloos als we ons hadden opgesteld, en aan mij zou het niet liggen. Ook om die reden wilde ik een goed soldaat worden. Ik vond dat ik mij, ook in fysiek opzicht, moest kunnen verdedigen.
Het is waar dat de geweldscene aan het eind van het boek een metafoor bevat voor aids. Samen met mijn beste maatje uit dienst werd ik in elkaar geslagen door zeven Britse soldaten; die scene is essentieel voor het boek. Het was een manier om het ziekteproces van Rudolf te beschrijven. Ook door aids word je gesloopt, genadeloos, en ik heb dat proces teruggebracht tot een gewelddaad van een paar minuten.
Rudolf en ik hebben genoeg meegemaakt op het gebied van geweld tegen homo’s. Gek genoeg niet in de jaren zestig, maar juist in de jaren tachtig. Een aantal keer hebben we voor ons leven moeten vechten. Het is angstaanjagend, want je beseft dat geen mens je te hulp zal schieten. Je voelt aan wanneer het gevaarlijk wordt. De manier waarop mensen je beginnen na te roepen. “Godverdomme, vuile poten!” Op dat moment weet je dat zulke jongens je op zo'n manier in elkaar willen slaan dat je dood bent. We hebben nooit gehuild en eigenlijk hadden we dat best gewild. Het is een griezelig idee dat er mensen bestaan die je zo minachten dat ze je het liefst willen doden.
Minachting is iets verschrikkelijks, want je gaat je schamen dat je dat gevoel oproept. Je mag niet meedoen. Ik denk dat veel mensen, vooral joden, zich in de Tweede Wereldoorlog zo gevoeld hebben. De samenleving is van anderen en jij wordt buitengesloten. En nooit kun je je helemaal onttrekken aan het gevoel dat er aan jou iets mankeert.
Gelukkig was Rudolf zo sterk als een beer. Hij sloeg er meteen zelf op los en in een tweede ronde kwam ik er dan bij. Ik was nooit bang. Zulke jongens zijn helemaal niet heldhaftig, dus als je hard terugslaat, schrikken ze zich dood.
Ik maak me geen enkele illusie: ze vinden het prima dat er aids bestaat. Als je de aidsgrappen hoort die er in de stad rondgaan, dan klinkt daar erg weinig compassie en zeer veel leedvermaak in door. Bij mij wekt dat verdriet, maar vooral verontwaardiging. Want je kunt er niks tegen doen. Je kunt er niet tegen praten.
Rudolf en ik hebben nooit de schaamte over aids gevoeld. Tegen onze vrienden hebben we het gewoon kunnen zeggen. Maar we waren er jarenlang bang voor. De eerste hulp, de hele ziekenhuismolen door en daarna eindig je dan op de aidsafdeling. Dat wat we het meest gevreesd hadden in ons hele leven.’
'IK BEN in analyse geweest. Zonder die analyse had ik dit boek nooit durven schrijven. Het heeft me van de noodzaak bevrijd om zoveel over mezelf na te denken. Ik heb ook nooit echt bedacht dat S1 over aids ging. Het is gewoon gebeurd, achter mijn pc. Als ik het van tevoren had bedacht, was het boek minder goed geworden. Het was nooit een naief boek over een jongen van negentien geworden.’