Vitale gebaren

Ik heb me de hele dag afgevraagd wat hij van de jongste uitspraken van Frits Bolkestein had gevonden als hij er kennis van had kunnen nemen. Of wat zijn oordeel over het interview in Trouw van C. Kusters, secretaris van de Nederlandse Volksunie was geweest als zijn ogen nog voldoende leeskracht hadden bezeten. Van de post-anticommunistische depressie die de neuronen van de VVD-leider nog steeds teistert, had hij, zoals de gemiddelde Nederlander, waarschijnlijk niets begrepen. Bovendien heeft hij van huis uit altijd een flinke aversie tegen liberalen gehad.

Zijn vader was een tuinder. Een zwoegende kleine ondernemer met eeltige handen en een rood hart. Hem kennende denk ik dat hij over Bolkestein volstaan zou hebben door het topje van zijn wijsvinger met een licht draaiende beweging in het midden van zijn voorhoofd te priemen. Net als een roker die zijn peuk zorgvuldig uitdrukt in een asbak. Het interview met de neonazi Kusters zou hij niet uitgelezen hebben, zijn mondhoeken tot een bittere plooi vertrokken en zijn neus tussen zijn duim en wijsvinger fijngeknepen.
Zijn leven is een lange aaneenschakeling van gebaren. Eenvoudige en expressieve, dan weer gewikkelde of grappige, maar altijd vitale gebaren. Hij is doof. Niet dat hij niet kan praten. Maar zijn woorden zijn niet altijd verstaanbaar, en soms klinkt zijn stem als het gebrul van een Afrikaanse leeuw. Handen zijn voor doven meer dan een ondersteuning. Ze plaatsen de komma’s, de punten en de glimlachjes onder de woorden, ze boetseren de emoties in de lucht en kleuren de eentonige stemmen. Van hem heb ik die gebaren geleerd. Terwijl ik nog amper drie woorden Nederlands kon brabbelen, werd hij de eerste met wie ik uitsluitend in die eigenaardige taal kon communiceren. Hij las de lettergrepen op mijn lippen. Bracht me de kunst van het articuleren bij. Of liever gezegd, hij corrigeerde en moedigde me aan. En het werkte! Ook leerde hij me rare woorden met gekke klanken die hij te pas en te onpas gebruikte: flauwekul, huichelaar, pech of ouwehoeren. Bij dat laatste moesten twee gebaren als ondersteuning vliegensvlug achter elkaar worden gemaakt. Een gesloten vuist onder de kin (oud) en een vinger die de neus krabt (hoer). In zijn genre werd hij een soort mentor voor me, een bijna-vader, en daarom overwon ik de primaire gevoelens van schaamte en ging hem op een dag ‘Pa’ noemen. Toen zijn dochter en ik uitgingen, ben ik dat blijven doen.
Ondanks zijn handicap heeft hij altijd een onmetelijke belangstelling gehad voor de wereld om hem heen. Zijn intuïtieve intelligentie wordt sinds zijn geboorte door het ontbrekende zintuig dwarsboomd. Toch zag ik hem avonden lang zich door zware boeken worstelen of vechten tegen de strakke regels van het NRC Handelsblad. Moeilijke woorden hadden geen vat op hem: hij sloeg ze gewoon minzaam over om ze soms, later, in de rug aan te vallen. Gewapend met een woordenboek of geholpen door zijn toegewijde echtgenote.
Bolkestein, Kusters, Saddam, Clinton, een hele week nieuws is aan hem voorbijgegaan. Al die tijd ligt hij aan het infuus, badend in het vale licht van het ziekenhuis. De naald in zijn arm belet hem de lucht als vanouds te beeldhouwen en zijn stem van leestekens te voorzien.
Om zijn bed brouwen de artsen hun eufemismen. Ze reppen over een 'groot succes’ dat in zijn nenste aan de gang is. Maar iedereen vermoedt al dat het beest hem heeft gebeten. Toen de uitspraak van de dokter hem werd voorgelegd, boorde zijn blik zich door muren en mensen heen. Ik hoorde hem één van de woorden uitspreken die hij me vroeger zonder het te weten als eerste had geleerd. Pech. Een woord vol fatalisme en bezinning, moed en vermoeidheid. Kort daarop stond ik op en verliet ik het heldere gebouw, door een trage hand vanaf de galerij nagezwaaid.
Nee, nu weet ik het zeker: voor de bezetenheid waarmee Bolkestein achter zijn rode spoken aanjaagt, zou hij geen begrip kunnen hebben. Als ik me niet vergis stemde hij meestal D66. Men zegt dat wanneer een mens sterft, het een bibliotheek is die in brand vliegt.
Waarschijnlijk weiger ik in mijn binnenste deze, die me zo dierbaar is, in vlammen te zien opgaan. Te vroeg, te abrupt.
Want op zijn planken liggen ook mijn boeken en tal van andere die nog niet voltooid zijn. En misschien is dit stukje ook een manier om het lot te tarten, om met inkt en papier een beetje vernieuwde en vitale energie te kweken.