Herman Hertzberger 75 jaar

Vitale ruimtes

‘In het gebouw van Hertzberger worden minder mensen ziek’, schreef J.J. Vriend in 1972 in De Groene Amsterdammer, doelend op Herman Hertzbergers kantoorgebouw voor Centraal Beheer in Apeldoorn. Nu de architect 75 jaar geworden is, wordt zijn oeuvre in twee exposities getoond.

MIJN EERSTE ervaring met de architectuur van Herman Hertzberger is een gebouw van architect Wout Eijkelenboom uit 1972. Bibliotheek De Lindenberg in Nijmegen, die ik overigens nooit in architectuuroverzichten terugvind, was mijn introductie tot wat in vaktaal humanistisch modernisme heet. Voor mij als kind was het vooral een vrij en avontuurlijk gebouw. De enorme centrale ruimte van de bibliotheek was een grootse en tegelijk intieme open ruimte die zowel drie verdiepingen de diepte als een aantal lagen de hoogte in verdween. Een atrium voor kennis en samenkomst met trappen en balkons in de vorm van een arena, veel planten en leeshoekjes op prominente plekken, overal contact met de rest van het gebouw. En als je eenmaal een afwijkend donker trappenhuis had overleefd – hier moest je geen pestkoppen tegenkomen – dan betrad je de paradijselijke kinderboekenafdeling. Het mooiste aan deze verdieping waren de extra brede vensterbanken aan het raam waar je uren kon doorbrengen – met strips vooral, als mijn geheugen me niet bedriegt.
Wat heeft De Lindenberg met Herman Hertzberger te maken? If nothing else het vertrouwde gevoel van mijn jeugd, de jaren zeventig, dat ook de architectuur van Hertzberger oproept met al zijn beschutte en (toen nog) veilige hoekjes en beschermende structuren van speeltuin, woonerf en zitkuil. Dit klinkt een beetje alsof Hertzberger de architect van de gezelligheid zou zijn, wat natuurlijk niet waar is en hem te kort zou doen. Vertaald in architectentaal klinkt het al veel beter: Hertzberger is de architect van de menselijke maat en het bereikbare ideaal. Met architecten als Jaap Bakema en Aldo van Eyck wilde hij via architectonische oplossingen een ‘open’, hiërarchieloze samenleving bewerkstelligen waarin elk individu tot volle bloei kon komen. Centrale thema’s als ‘sociale ruimte’ en ‘kansrijke ruimte’ zeggen voldoende.

Toch is het goed om feit en fictie van elkaar te scheiden en vast te stellen dat de waardering voor Hertzberger en de zijnen gestoeld is op meer dan nostalgie. Tijd om de beeldvorming nog eens aan de werkelijkheid te toetsen. Een goede aanleiding daarvoor is een tentoonstelling die op dit moment te zien is in architectuurcentrum Arcam, die gewijd is aan de naderende 75ste verjaardag van de éminence grise van de Nederlandse bouwkunst. Het is een sympathiek, helaas tot de Amsterdamse projecten beperkt, overzicht, dat een mooi inzicht geeft in de sociale dimensie van Hertzbergers architectuur.
De tentoonstelling voedt de nostalgie, niet in de laatste plaats door de altijd sfeervolle foto’s van gerealiseerde projecten: op straat spelende en lachende kinderen op zonnige dagen, vastgelegd in mooi grofkorrelig zwartwit. Maar wordt hier misschien ook het geheugen geënsceneerd? De redacteur van dit blad reageert in ieder geval diametraal tegengesteld op mijn warme gevoelens: ‘Die bizarre anti-autoritaire ik-zeg-lekker-niet-waar-de-ingang-is-opvatting, daar kan ik me zó aan ergeren.’ En ook als je de literatuur erop naslaat, zoals De kritiese jaren zeventig van Martien de Vletter, dan merk je dat de ontwerpen nogal verschillende emoties oproepen. Wat voor de één idealisme is, is voor de ander paternalisme. Wat voor de één be-geisterend is, werkt voor de ander ent-geisterend; in theorie klinkt het allemaal mooi, maar het werkt niet: ‘Als in zo’n hiërarchieloos gebouw de secretaresse een brief zit te tikken, kan de directeur door het lawaai geen telefoongesprek voeren.’
Zoals het een eerbetoon betaamt komt deze controverse, die Hertzberger lijkt te achtervolgen, niet aan de orde. Wel Hertzbergers streven om ruimte te creëren die niet alleen openbaar of privé is, maar vitaal en ontvankelijk voor gebruik – juist datgene wat zijn gebouwen ook omstreden maakt, want op het betuttelende af wordt een bepaald soort ‘lifestyle’ vormgegeven en dus opgelegd.

Een prachtig voorbeeld van beide kwaliteiten is de bejaardenhuisvesting De Drie Hoven (1964-74) in Amsterdam-Slotervaart, die binnenkort deels ten prooi zal vallen aan de slopershamer. Een bezoek aan dit gebouw leert dat de goede bedoelingen van de architect uiteindelijk zijn ingehaald door tijd en realiteit. Dat laat onverlet dat de opzet van het complex interessant is. De gangen van de drie paviljoenen functioneren als straten binnen het gebouw, die samenkomen op pleinen, in gemeenschappelijke ruimtes en serres. Maar vooral de werking van de ‘drempel’ is hier tot op de dag van vandaag goed zichtbaar. De bewoners hebben straat en plein ingenomen door er allerhande spullen neer te zetten, plantjes, kleedjes, meubilair. Het is de Jordaan met een dak erop, vrij deprimerend, eerlijk gezegd. De drie ingangen die het gebouw ooit kende zijn inmiddels helaas om personele en veiligheidsredenen naar één enkele teruggebracht, wat het richtingsgevoel niet bevordert en de toch al labyrintische plattegrond tot een onontwarbare knoop van afdelingen maakt.
Hoe anders het is als een gebouw wordt gebruikt door kinderen tonen de Apollo-scholen in Amsterdam-Zuid. De uitgangspunten zijn in grote lijnen hetzelfde als bij De Drie Hoven, maar dan aangevuld met terminologie als ‘vertrouwd gebied’ en ‘veilig nest’. Een ietwat rommelig nest is het wel, volgeslibd met werkstukken die staan uitgestald op vensterbanken en richels. Voor Hertzberger is het een teken dat kinderen de omgeving als ‘eigen’ ervaren. De kracht van het gebouw zijn de gemeenschappelijke ruimtes. De portiekjes tussen hal en lokaal met hun lage muur en houten bankjes zijn even simpel als effectief. Stoepen en trappen worden gebruikt voor ontmoetingen en afspraakjes. En de zitmuurtjes en zandbakken op de speelplaats (gemaakt van die typische Hertzberger-betonblokken) benadrukken de informele en intieme opzet. Rondslenterend merk je dat in schaal Hertzberger hier de spijker op z’n kop heeft geslagen.
Een verdere rondgang langs zijn Amsterdamse projecten leert dat Hertzberger vooral scholen en ‘welzijns’-gebouwen heeft uitgevoerd: een basisschool in de Indische buurt en op Bickerseiland, Montessorischolen in de Jordaan en Oost, sociale woningbouw aan de Haarlemmer Houttuinen en natuurlijk het Studentenhuis aan de Weesperstraat. Het klopt allemaal prima bij het idealisme dat uit zijn werk spreekt.
Maar opvallend is ook dat, in Amsterdam tenminste, Hertzberger geen poot aan de grond heeft gekregen als het gaat om prestigeopdrachten als het stadhuis, de uitbreiding van het Van Gogh of Stedelijk Museum, het conservatorium of muziekpakhuis. Misschien omdat zijn uitgangspunten niet strookten met de levensstijl van de elite? Wie zal het zeggen.

Feit blijft dat Hertzberger een van de meest invloedrijke, interessante en consistente architecten is van de laatste decennia, die vele generaties na hem heeft beïnvloed, al was het alleen maar met de inspirerende lesboeken Ruimte maken, ruimte laten. Het zijn de ‘tussenruimtes’, ontmoetingsplekken, verbindingen als trappartijen, omsloten pleinen en galerijen die Hertzberger beroemd hebben gemaakt. Ook nu nog hebben deze hun kwaliteit, ze zijn effectief, bruikbaar en geliefd. De sociologische, bijna antropologische en inderdaad paternalistische benadering van het gebruik van ruimte mag dan misschien niet meer van deze tijd zijn, op de humanistische idealen valt weinig af te dingen. Ze zouden zelfs wel weer eens actueel kunnen worden, nu de openbare ruimte steeds meer wordt overgeleverd aan de markt en aan een autoritair begrip van ‘veiligheid’.

Hertzberger’s Amsterdam, Architectuurcentrum Amsterdam (Arcam), t/m 2 juni.
De Lindenberg, een bijzondere architectuurgeschiedenis, Architectuurcentrum Nijmegen (gevestigd in De Lindenberg), t/m 17 juni