De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Vitamine C met zink

In maart is het alweer twee jaar geleden dat de dichter F. Starik overleed. Je zou ook kunnen zeggen: ‘pas’ twee jaar geleden. Starik, pseudoniem van Frank von der Möhlen, was vooral bekend als dichter, prozaïst, en als Dichter van Dienst die het Groningse fenomeen ‘Eenzame uitvaart’ in Amsterdam voortzette. Maker van onopgesmukte, sardonische poëzie met een voorliefde voor het alledaagse, zoals in dat onvergetelijke gedicht waarin de dichter met zijn zoon Majoor op woensdagmiddag in het sportfondsenbad zwemt door ‘losgeschoten inlegkruizen’, ‘stukjes stront van tussen de bil geweekt’, ‘kalknagels’, ‘duizend kinderplassen’ en ‘bejaardenincontinentie’. Intussen rijst het beeld van een liefdevolle band tussen een vader en zijn zoon.

Hoe schrijf je als achtergebleven partner over je radeloosheid, je woede? Vooral als die overledene dus min of meer bekend is, en als schrijver een versie van jullie liefde heeft gecreëerd? Vrouwkje Tuinman probeert in Lijfrente, haar logboek in verzen over de dood van haar geliefde Starik, haar herinneringen los te weken van de gezamenlijke geschiedenis. Vandaar dat de bundel opent met een fragment uit Iggy Pops ‘The Passenger’: ‘So let’s take a ride and see what’s mine.’

Lijfrente is een sober boek. Geen lyriek die met de moed der wanhoop probeert de liefde ‘hier’ te houden, zoals in Doodsbloei van Pieter Boskma. Bitter, in de trant van Ted Hughes’ Birthday Letters, is deze bundel al helemaal niet. Liefde wordt beschreven via allerdagelijkste intimiteiten, zoals in ‘Wat ik mocht’:

Een steenpuist openmaken en op jouw aanwijzing steeds harder knijpen
Jou in geval van enorm goed humeur in een omgekeerde Heimlich nemen en optillen
Over jou beslissen in geval van reanimatie
Een foto maken van je katheter (mocht niet alleen, moest)
De hechtingen uit je doorgezaagde borstkas peuteren

Dat is een ander, belangrijk aspect van Lijfrente: deze gedichten concentreren zich voornamelijk op de laatste fase, op de ziekte, de aftakeling, de zorgen en het verzorgen. Wel krijgen we nu en dan een glimp te zien van de liefdesverhouding in de jaren voor de dood aan de deur klopte. Die relatie wordt gepresenteerd als harmonieus en liefdevol, zonder grote hartstochtelijkheid, zoals de dichter zelf beseft: ‘Lief is zuinig op grote woorden, lees ik in jouw computer./ Het gaat over mij, want jij zei dat gewoon: Lief./ Ik ben spaarzaam of: was dat.’

Grote woorden moeten op afstand gehouden worden, die leiden maar tot sentimentaliteit

Grote woorden moeten op afstand gehouden worden, die leiden maar tot sentimentaliteit. Je kunt beter een buurvrouw het woord geven, zoals in ‘Huiselijke scènes’: ‘De buurvrouw op de tuin vertelt wat ze het meeste mist aan jou. Dat we de hele dag zaten te lachen. Het hele weekend werd er geschaterd. Ze wist, aan de andere kant van de heg, niet waarom, en dat hoefde ook niet, het gelach was genoeg. En ik maar denken dat we altijd stil zaten te lezen.’

Natuurlijk zijn er de dromen waarin de geliefde weer aanwezig is, de machteloze omgeving die het goed bedoelt, aan het einde is er voorzichtig sprake van een nieuwe liefde. Vaste elementen die horen bij het rouwproces en bij het schrijven over de dood van de geliefde, zie het eerder genoemde Doodsbloei, Taal zonder mij van Kristien Hemmerechts of I.M. van Connie Palmen. Het is de invulling van die elementen die dergelijke teksten van elkaar doet verschillen. Het temperament in Lijfrente houdt het uitdrukkelijk klein – geen tranen, maar gedichten over het fenomeen van de automatische (ziekenhuis)deur, of over de berg aan schoonmaakmiddelen die de geliefde bezat, ‘schuurmiddel, teerzeep, ontstopper./ Zilverpoets, ossengal, chloor. Wc-eenden en ‑blokken./ Een value pack met 28 schuursponzen, allesreiniger’. Het is haast geen poëzie, maar het kan niet onvermeld blijven in een bundel die het rouwproces tot in het meest banale wil verkennen: ‘het is geen kunst en bijna alles is verdampt’. Een regel als ‘Mijn eerste cadeau aan hem was een pot vitamine C met zink’ uit het gedicht ‘Falsificatie’ past dan ook naadloos bij de toon van deze poëzie.

Niet elk gedicht is even sterk, maar Lijfrente is dan ook een bundel die je leest als geheel, niet zozeer vanwege de losse gedichten. Het niet-rechtstreekse benoemen heeft de overhand, zoals in ‘Moshpit’, waarin op een doordeweekse avond in de Melkweg ‘de allerhardste band/ de vloer polijst’. Zoek het gerust op, ‘The Future Has Been Cancelled’ van Dead Cross, en daar heb je de woede. En hier de tederheid, in ‘Ja, ik ga nog steeds naar het verpleeghuis’, waarin de dementerende schoonmoeder trouw wordt bezocht.

Voor ik er erg in heb zeg ik wat ik denk.
Weet je wat fijn zou zijn?
Nou, zegt schoonmoeder.
Als F nu ook de tuin in komt lopen.
Maar dat zit er misschien niet in, aarzelt ze. Toch?

Droste

Het is Nacht als we je voor het eerst weer in beweging
zullen zien, op drie schermen tegelijk. Ik zit op een trapje,
Majoor een treetje lager, alle andere mensen willen
naar buiten of juist naar binnen, om jou niet te missen,
en iedereen neemt heel veel ruimte in. De geluidsband
start, maar jij verschijnt niet, daarvoor moet plop een
knop om en dan ben je al midden in je verhaal.
‘Die is ook dood’, wijst een dame naast me naar de grootste
middelste van jouw drie aanwezigheden. ‘Kan het
wat stiller’, zeg ik. ‘Dat is mijn man.’ Bijna krijg ik toch
nog live een hartstilstand te zien, terwijl jij voorleest
op een vorige Nacht, maar ook op deze, en ik denk:
wat als ik hier nu eens over schrijf en dat dan ooit aan
de mensen voordraag, ja, praat maar door mij heen,
loop maar weg, ik houd je halsstarrig in beweging.