Vlaamse januskop

In de loop der jaren zijn de verhalen steeds gruwelijker geworden en heeft de prozaïst zich meer en meer vereenzelvigd met de toneelschrijver. Wat blijft: Hugo Claus’ ontheiliging van al het heilige.
ZO'N VEERTIG JAAR geleden opende Hugo Claus De zwarte keizer (1958), achteraf gezien waarschijnlijk zijn belangrijkste verhalenbundel, met ‘Het huis in de struiken’. Het is een broeierige en beklemmende short story, zinderend van de Claus-motieven. Nu is dat verhaal het aangrijpende en ijzersterke begin van de selectie Verhalen die Claus bij zijn zeventigste verjaardag presenteert. In suggestief proza, kristalhelder en schijnbaar met een natuurlijk gemak geschreven, is daarin heel zijn deerniswekkende, soms wrange en groteske, maar vooral ook claustrofobische universum in alle hevigheid aanwezig.

Het verhaal gaat over het jonge meisje Lena. Ze is erg op zichzelf, een en al onschuld, leergierig. Vooral de ‘gewijde geschiedenis’ interesseert haar, al haat ze de non die haar onderwijs geeft. Haar moeder is overspelig, haar vader afwezig - hij vaart - en van wat er zich daardoor om haar heen afspeelt begrijpt ze niets. Op school wordt ze nagewezen, haar toevlucht zoekt ze in het aan kleinere meisjes navertellen van de bijbelse verhalen over Absolom en Holofernes. In huis ligt grootvader nu al drie dagen opgebaard omdat haar moeder hem niet kerkelijk wil begraven. Niemand is hem komen ophalen, constateert ze, 'geen enkele man van die hele bende die rond moeder draait als een bende honden’. Het verwondert haar. Ze kan de slaap niet vatten, kijkt naar een schilderijtje dat ze 'Het oog’ noemt en dat alles ziet, ze luistert naar de geluiden die van buiten komen, naar het geruis van de afvoerbuis van de suikerfabriek, het voortdurend geritsel in de struiken. Heel die alchimie van zintuiglijkheid, van religie en mythe, dood en verderf, bedrog en verraad waarmee De zwarte keizer zo boordevol zat, blijft voortdurend de katalysator die de meeste van Claus’ latere verhalen vloeibaar en goudglanzend maakt. Bijna vijfhonderd pagina’s verderop - een leesmarathon die geen moment vermoeit of verveelt - spiegelen het slotverhaal 'De zwaardvis’ (1989), indertijd geschreven als boekenweekgeschenk, en 'Het huis in de struiken’ zich in elkaar. En toch ook weer niet. Want hoewel Claus in zijn belangrijkste thema’s ontegenzeglijk trouw is gebleven aan zichzelf, waardoor het erop lijkt alsof er van een consistente kijk op dat menselijk gerommel gesproken kan worden, is er ondertussen wel degelijk het een en ander veranderd. Lena’s alter ego is de jongen Maarten, die met zijn moeder Sibylle Ghyselen een afgelegen boerderij bewoont. Hij gedraagt zich in zijn afzondering heel wat grimmiger. Zijn worsteling met het geloof en onvrede over het feit dat zijn vader in de stad verderop met een vriendin hokt, bezweert hij in een macaber spel, waarmee hij de aanstichter is van veel kwaad. Voor hem hebben de cowboyriem en indianentooi van zijn leeftijdgenoten definitief afgedaan. Een drukkende onheilsdag lang die zal eindigen met een bloedige moord, zeult hij de last van een houten kruis met zich mee door de tuin van hun woning. Evenals Christus aan het kruis voelt Maarten zich door zijn vader verlaten en verraden; en de verbittering daarover draagt hij op deze manier uit, lijkt het. De scènes over zijn escapades worden onder meer afgewisseld door fragmenten op een politiebureau, waar een vermoeide commissaris en zijn onbehouwen assistent hardhandig Ghyselens knecht, een aan lager wal geraakte veearts, aanpakken. IN DEZE NOVELLE kondigt zich de beklemmender roman De geruchten (1996) al aan. In het sensibele observeren van het menselijk bedrijf waarvan de eerste verhalen nog getuigen, zijn langzamerhand nieuwe elementen geslopen die zich laten duiden in termen van frustratie, ontluistering en vernedering. Voor kinderlijke onschuld is inmiddels geen plaats meer. Claus’ kijk op het 'onnozele theater Belgenland’, zoals hij zijn vaderland in de nieuwste gedichtenbundel Wreed geluk (1999) omschrijft, is danig versomberd. Gruwelijker en sardonischer geworden, laten de tussenliggende verhalen stukje bij beetje zien. En de stijl is meeveranderd. Hugo Claus heeft in zijn verzamelbundel alle verhalen uit De zwarte keizer opgenomen. Terecht. Ze hebben niets van hun oorspronkelijke kracht verloren. Dat komt voornamelijk omdat hij in beelden redeneert. De grilligheid van de intuïtie en associatie zijn hem vertrouwder dan het gebinte van de rede. Aan dat gegeven ontleent met name een verhaal als 'Het mes’ zijn poëtische schoonheid, de geschiedenis van een seksueel ontwaken. Maar het geeft ook een bijzondere toets aan het autobiografisch getinte 'Suiker’, de beschrijving van zijn seizoensarbeid in de suikerbietenoogst in het Noord-Franse Compiègne. Daarentegen is de bundel Natuurgetrouw (1954) integraal afwezig, van het vervolg Natuurgetrouwer (1969) zijn slechts enkele verhalen gehandhaafd, van De mensen hiernaast (1985) alle. Ook ontbreekt Het laatste bed (1998), dat toch als ondertitel 'Een verhaal’ had. De bundel wordt gecompleteerd met het Vlaamse boekenweekgeschenk 'Château Migraine’ (1987), enkele verhalen die eerder in Playboy, het Nieuw Wereld Tijdschrift en Snoecks Almanak zijn verschenen en de weergaloze monoloog van een non, 'De verzoeking’ (1981). 'Naar aloud gebruik heb ik de verhalen hier en daar wat bijgeschaafd’, meldt de auteur achter in. Zo'n zin lijkt neergezet voor schrijvers die maar blijven schrappen en strepen in hun teksten. IN CLAUS’ VERHALEN wemelt het van de huishoudsters, kamermeisjes, bedienden, verpleegsters en sloven, behaaglijk snorrende poezen-madamen die zich graag onder de rok laten beetnemen en logge mannen die bij voorkeur onderuitgezakt voor de televisie avond aan avond soaps bekijken. In het België van Claus heerst de cultuur van de middelmatigheid en benepenheid, altijd een vruchtbare bodem voor ultrarechtse opvattingen, bordkartonnen fantasieën en goedkope burgermansdromen. Vooral opvoeders uit professie, nonnen, schoolmeesters en leraren moeten het bij hem ontgelden. Nog het meest in 'Martha, Martha’. Daarin voert hij twee leraren op, mannen op leeftijd, die hun vrije woensdagmiddag in allerlei kroegen hebben verbrast om hun schoolwerk te kunnen vergeten. Nu het avond is geworden, zijn ze de Caprice binnengelaveerd, waar ze zich amuseren met wat sullige hoertjes. Hun gedachtenwereld en taalgebruik zijn allang verloederd tot het niveau van: 'Geef er ons nog eentje, mijn schoon eendje, met je schone beentjes.’ Dronkemans gerijmel waar je in deze omgeving desondanks eer mee inlegt. Charmeurs worden ze genoemd, en ze vinden het prachtig. Een stamgast weet: 'Schoolmeesters hebben toch een voetje voor bij ’t vrouwvolk, want zij kunnen het zo goed zeggen, dat hebben wij niet geleerd.’ Maar met die mededeling is hun meewarige lot nog niet genoeg bezegeld. Het roze spiegelpaleis is slechts een tussenstation op weg naar Maxime, de oermoeder van deze uitverkoop-romantiek. Wanneer ze bij haar zijn binnengedrongen, ligt hun diva dood op bed in een lange witte jurk. Moord of zelfmoord, daarnaar is het gissen. Niet echter naar hun handelingen, of beter gezegd hun handtastelijkheden. Gezeten naast haar lijk verliezen ze zelfs hun laatste schilfer menswaardigheid. Minstens even schrijnend laat Claus de barsten, kloven en kwetsuren zien die de tijd aanbrengt in liefdes, huwelijken, gezinnen en vriendschapsrelaties. Hoe dieper je in de bundel Verhalen doordringt des te heviger het 'ludduvuddu’, het bedrog en verval zich aan de lezer opdringen. De eerste verwondering en bewondering houden geen stand, hartstocht en passie verdwijnen en maken plaats voor onverschilligheid, onbehagen en dubbelspel. Wat Claus bovenmatig boeit is het vergankelijke, de gratie die zich schuilhoudt in datgene wat nauwelijks of niet beklijft. Huwelijksontrouw bepaalt de teneur van 'De overtocht’ en 'In de schaduw van kapotte boten’. In het ene geval gaat het om een man die na een vakantie in een arm en warm land niet met zijn voortdurend jengelende vrouw terugkeert naar Antwerpen omdat hij in een duister blijvende relatie met een inlander verzeild is geraakt. In het andere voeren twee echtelieden een onderhuids gevecht om een vriendin die tussen hen beiden in staat. HIER, MAAR meesterlijker nog in 'De mensen hiernaast’ demonstreert Claus hoezeer de prozaïst zich in de loop der jaren heeft vereenzelvigd met de toneelschrijver in hem. Als geen ander weet hij in dit onverbiddelijke verhaal in de huid van zijn protagonisten te kruipen, waardoor de werkelijkheid omtrent hun relaties nooit onmiddellijk zichtbaar wordt. Als geldt dat een auteur een 'band met de gemeenschap’ moet vormen à la Shakespeare, zoals er ergens staat, dan is dat hier wel. In wisselend perspectief voert Claus een familiedrama op waarin een oude vrouw die zich heeft voorgenomen om haar aftakeling een handje te helpen, omringd is door twee gieren, haar zonen die moderne tijd symboliseren, en een vrek, haar man. Dat ze teneinde haar arts om de tuin te leiden een kwakzalver in de arm heeft genomen, is onderdeel van haar spel. In bloedstollende dialogen waarin de harteloosheid hoogtij viert, brengt Claus vervolgens de eenzaamheid in kaart waarin het gezin gevangen zit, zonder ook maar één moment de solidariteit met zijn karakters te verliezen. Toch zijn die identificaties nooit compleet, zijn beschrijvingen van achterdocht, list en kwaadaardigheid houden steeds afstand doordat hij ze in doeltreffende taalbeelden fixeert of via de opgevoerde personages van aanvullende kanttekeningen voorziet. Chateau Migraine is een schaamteloze klucht, een moderne variant op de boerde en sotternie uit de Middeleeuwen. In zijn poëzie en toneelwerk moderniseert Claus - niet alleen als schrijver van alle markten thuis maar ook als lezer een omnivoor - wel vaker vergeten geraakte literaire uitdrukkingsvormen. De titel is al een waarschuwing. Het relaas over de Dordtse buurtvereniging die voor de grap een dagje op stap gaat naar de Dagen van de Kunst in Gent zit zo boordevol lolbroekerij, platitudes, clichés en vooroordelen van Belgen en Nederlanders over elkaar, dat je als lezer aanvankelijk je ogen niet gelooft over alle meligheid en ongein die bij elkaar zijn gezet. Zoals in elke klucht liggen de patronen vast. Het gaat hier om een elfjarige etter - natuurlijk heet hij Jan-Hein - die zich bijna alles denkt te kunnen permitteren. Aanwezig is de onvermijdelijke vrolijke Frans, alleen maar uit op de Franse meisjes. De vrouwen uit het gezelschap houden zich voortdurend bezig met trivialiteiten. De gids in Gent is 'een blozende olijkerd’ die maar blijft ratelen over oude schilderijen en middeleeuwse resten. En de meeloper ten slotte bedenkt te laat dat hij in een waar onheil verstrikt is geraakt. De cumulatie van al die hilariteit en leut legt uiteindelijk vernietigend de verschrikking en ontluistering bloot die zich in deze gênante vertoning hebben schuilgehouden. En overigens nog iets anders, maar dan gaat het over de auteur zelf. Wie Claus nog steeds blijft vastpinnen op zijn oedipale preoccupaties en klassieke verwijzingen en echo’s, veronachtzaamt al te zeer de vileine lichtvoetigheid en venijnige hartstocht waarmee de Vlaamse januskop alle burgermansdromen in een nachtmerrie doet verkeren. HET BESTE VAN alle verhalen is 'De verzoeking’. Zelden zijn vleselijk verval en geestelijke onttakeling zo hardvochtig en liefdevol beschreven als in deze lyrische monoloog van de incontinente non Mechtild. Honderd jaar oud is ze, en die feestdag moet gevierd worden. Hoogwaardigheidsbekleders bezoeken haar, ze krijgt de Orde van Leopold(II opgespeld, vernoemd naar de koning die ooit de Kongo liet kerstenen en plunderen. Ze heeft suiker, haar huid verschilfert en sterft af, haar haren vallen uit, haar rug ligt open. In korte fragmenten uiterst associatief en suggestief proza ontvouwt zich een leven dat werd getekend door een miskraam op jeugdige leeftijd toen ze nog Madeleine, Madou of Malaise heette - ze weet het niet meer - gevolgd door haar als boetedoening bedoelde intrede in het klooster. Haar hoofd is een rommelzolder van herinneringen waar ze nauwelijks greep op heeft, zoniet een gruwelkamer waarin dwanggedachten, spot over de prelaten en de haar omringende zusters (de moeder-overste 'praat over de Heer als over een slagroomtaart. Ik ken die heer niet’), devote onderwerping en zwijmelarijen om voorrang strijden. Uit protest tegen de religieuze belofte over ziel en zaligheid laat ze haar urine de vrije loop bij de gedachte: 'Hoe kan communie mij smaken? Hij, hij, zout als brem, bitter als jodiumtinctuur, stinkend naar rotte eieren, hij zit in mijn kleren, snurkt er, danst er, hij is mager, hij is dood, hij is mismaakt, en met mijn onwijs geduld wil ik geen woorden meer, geen redenen, telkens, werken, deugden, ik wil Domine, mismaakt als ik ben naar uw beeld, treutig, kriekelend, het bakkes profetig, wasselijk over kaken, help, smorend, vrijlijk, vrijkantelijk, help, met lompen, bielen, meuren, hem, hem. hem.’ 'De verzoeking’ is een weergaloos wangebed, een ontheiliging van al het heilige. Zo doet Claus met alles, ongetwijfeld in de hoop dat ook de meest gelovige ten slotte leert zien. Aan het eind staat er dan deze voor zijn werk cruciale zin: 'Er zijn drie dingen. De tijd, het lijf en de veelheid.’ Claus reikt de lezer deze onverbrekelijke drieëenheid aan met begenadigde en gulle hand.