Toneel: Marlowe & Molière

Vlaamse zotten

De Antwerpse toneelspelers van Zuidpool spelen een streng koningsgambiet. En die van STAN brengen goed kluchtwerk van dé godenzoon uit de Franse toneelgeschiedenis.

Medium  vde7624
Edward II © Koen Broos

Laten we beginnen bij Christopher Marlowe. Jaargenoot van William Shakespeare (1564), nog geen dertig geworden, vermoord tijdens een nooit opgehelderde kroegruzie in 1593. Marlowe was een schilderachtig sujet met een hoop kwaliteiten – zuipschuit, jongensjager, fanatiek pijproker, dubbelspion, gevierd dichter en auteur van Renaissance-smartlappen als Come live with me and be my love. En: toneelschrijver van een klein en zelden gespeeld oeuvre. Waaronder The Troublesome Reign and Lamentable Death of Edward the Second King of England with the Tragical Fall of Proud Mortimer.

Geef zo’n opgewekte titel aan Tom Lanoye en hij maakt er een stuk van met een nóg langere titel, die meteen het verhaal samenvat. Zet u schrap: De fel omstreden kroon en deerniswekkende dood van koning Edward II & zijn favoriet, jonkheer Gaveston, onder wiens betovering hij zich afkeerde van zijn koningin en kroonprins, tot steeds grotere woede van de verzamelde adel en het voor de rest onwetende gewone volk. Een hele mond vol, een echt Elisabethaans koningsdrama, én ook een echte Tom Lanoye. Bijna twintig jaar na zijn legendarische marathon Ten oorlog (vrij naar Shakespeare) is deze herdichting van een epos van Marlowe opnieuw spectaculair. De tekst wordt gespeeld door het ensemble dat opdracht gaf tot vertaling en bewerking, het Antwerpse toneelgezelschap Zuidpool. Regie voert Jorgen Cassier. De voorstelling is een wonder van eenvoud, vernuft, taalmuziek op ijle hoogte en tekstacrobatiek op het smalle en hoge koord zonder vangnet.

De toneelruimte is het evenbeeld van de tribune waarop wij hebben plaatsgenomen: rijen stapelbare stoelen. Zetels uit de conferentiezaal van een hotelketen zijn het eigenlijk. Op de eerste rij zitten de voornaamste protagonisten en hun tegenvoeters. Uitgedost in hagelwit en tijdloos fluweel. Van de 38 figuren schrapt Lanoye er dertig, de acht overgebleven personages worden gespeeld door zes toneelspelers. Om te beginnen de afgetakelde koning Edward de Eerste, die als een razende in een doodsrochel scheldt op zijn wufte zoon Edward de Tweede, ‘die ontaarde bruinwerker’. De minnaar van de vorst, Gaveston heet hij, is er ook, evenals de ongelukkige koningin en de perverse rivaal uit de oude adel, Mortimer. Tussen hen in zit het kind, de kroonprins, de latere Edward de Derde. Dat joch zal lange tijd ongenaakbaar en nors zwijgen en pas tegen het eind werkelijk losbarsten. Maar dan zijn z’n vader en diens vriendje al bloedig doodgemarteld. En is zijn moeder, die haar man aanvankelijk tegen de adel blijft verdedigen, al lang door de oude Mortimer vernederd in een bloedstollende seksscène, die zo begint.

Mortimer U wilt dat die bronstige aap hier rond blijft paraderen?

Koningin Jonkheer Gaveston heeft ook goede kanten.

Mortimer U weet dat deze jongen maar één kant kent. Kont omhoog en plat voorover op zijn buik. Welke andere deugden dicht u hem toe?

Koningin Hij telt veel vrienden onder het gewone volk.

Mortimer Gekocht in cafés, met geld van mijn familie. Zo worden zelfs melaatsen populair. Maar goed: ik wil niet contrair doen. Wat biedt hare majesteit mij aan, op de vrije markt van de genoegdoening?

Terwijl het lichaamsvocht tegen de plinten klotst en pijn en haat voelbaar en tastbaar zijn, staren de spelers star en strak voor zich uit, ze praten ogenschijnlijk vlak, staccato, lijzig, alsof dit alles hun niks doet. Tot het moment waarop ze zich niet meer kunnen inhouden en hun woorden als zweepslagen in de ruimte worden gezwiept, de scheldtirades uit het achterste van hun strottenhoofd opwellen, tot ze ogenschijnlijk als vanzelf weer gaan liggen als een te vroeg piekende herfststorm. Je zit erbij, kijkt ernaar, je luistert, je gelooft het niet. Het is de schizofrene ervaring van de toeschouwer die almaar teksten om zich heen hoort grommen, terwijl hij kijkend naar die toneelspelers de stellige indruk heeft dat zij daar rustig naar elkaar zitten te luisteren. De tekst is één intense golfstroom Marlowe/Lanoye-poëzie, terwijl het onbewogen uiterlijk van de toneelspelers de indruk wekt alsof ze het telefoonboek van Sint Job in ’t Goor aan het reciteren zijn.

Met nuances en goed bedoelde subtiliteiten kom je in deze speeltuin van toneelanarchie niet erg ver

Met de speciaal voor deze voorstelling gecomponeerde muziek van Mauro Pawlowski is iets dergelijks aan de hand: ze is er steeds met een bijna dierlijke kracht, en wanneer de tonen zijn weggestorven, lijkt de muziek er nooit te zijn geweest. Het is de ultieme stilering: heftigheid getoond in een gedurfde, ‘schoon’ gemaakte kaalheid. Regisseur Jorgen Cassier moet een duivelskunstenaar zijn in een niet opdringerige nauwkeurigheid. Ik noem de toneelspelers, Peter Seynave, Sofie Decleir, Johan Van Assche, Koen van Kaam, Vincent Van Sande. Van de zeer jonge spelers zag ik die avond de getalenteerde Daan Roofthooft, een mirakel van sober acteren en precisie in het plaatsen van teksten. Wonderschone toneelavond, nog één keer in Nederland te zien.

We reizen zuidwaarts en belanden in de ‘Grande Madame’ onder de Belgische bonbonnières, de Bourlaschouwburg te Antwerpen, in 1827 ontworpen door haar naamgever, vanaf 1829 gebouwd en in 1834 pas geopend – de vertraging vanaf 1830 had alles te maken met de opstand van de Belgen tegen de noordelijke Nederlanden. Nu is dit prachtig gerestaureerde theaterpand de residentie van het Toneelhuis: een diepe speelvloer, een schuin oplopende parterretribune achter de stallesplaatsen, fraaie zijloges en drie balkons, waaronder ‘een schellinkje’ en het uitbundig beschilderde brandscherm – vanavond het decor voor het eerste ruime uur van de voorstelling. ‘De Bourla’ is namelijk in bezit genomen door een verbond van de toneelspelers van stan en een aantal andere Vlaamse en Nederlandse troepen. Hun stof komt uit de pen van de godenzoon van de Franse comédie, Molière, nom de plume van Jean-Baptiste Poquelin (1622-1673), zo ongeveer in z’n eentje de uitvinder van de burgerklucht met de sardonische bijsmaak van de tragische neergang die de Franse bourgeoisie als maatschappelijke kaste moet meemaken. stan brouwde veertien jaar geleden uit vier van Molière’s minder bekende lach-of-ik-schiet-komedies de hilarische ratatouille Poquelin I. Nu gooien ze twee van zijn bekendste blijspelen in een snelkookpan: uit De vrek en De burger edelman ontstond Poquelin II. Verschil met toen: ze zijn nu met veel. Overeenkomst met toen: de onderneming wordt met grootse middelen aangepakt.

Medium 3 de felomstreden kroon 3
Poquelin II © Kurt Van der Elst

Schrijver Molière heeft ten onrechte de stoffige reputatie van gepommadeerd pruikenrepertoire in Zonnekoning-kostumering. De pruiken zijn hier weggelaten, de pakken, hemden, rokken en broeken zijn zonderlinge naaisels uit lappenmanden op vlooienmarkten. Waar ooit de toeschouwersplaatsen van de stalles waren, staat nu het bouwsel van een reusachtig, uit ruw timmerhout opgetrokken tafelschavot, drie bij drie, een soort publieke executieplek zonder galg, slechts te betreden middels vier levensgevaarlijke trappetjes waarop continu wordt gescholden. Daar gebeurt het aanvankelijk allemaal, vlak voor onze neus, we zitten op rij 1 en kunnen de toneelspelers makkelijk beentje lichten.

Molière is als toneelschrijver een open boek. Dramaturgisch gooit hij meteen al zijn kaarten op tafel en begint vervolgens als een suïcidale valsspeler te klaverjassen of zijn leven ervan af hangt. In De vrek is de centrale figuur een paranoïde zeikerd en ouwe snoeper die jaagt op de maagdelijkheid van hetzelfde veel te jonge burgermeisje waar zijn oververhitte zoon achteraan loopt. Verloving en huwelijk van de vrek mogen niets kosten. Zijn dochter is voorbestemd uitgehuwelijkt te worden aan een andere ouwe snoeper uit de stad, terwijl ze verliefd is op de knecht van haar vader, die hem constant naar de mond moet praten om maar in de buurt van zijn liefje te blijven.

Ziehier de ‘methode Molière’. Hij lonkt wantrouwige argelozen in hun eigen valkuil en gaat dan aan de rand alle kanten op staan wijzen. Je ziet de artillerie van de grappen van kilometers aankomen, maar je schrikt je iedere keer wezenloos van de klapsigaar vlak voor je neus of pal achter je rug. De plotwendingen, schaamteloos in hun effectbejag, zijn geheel gebaseerd op de basale eenvoud en wetmatigheid van de poppenkast: pas op, achter je!

Bij het tweede blijspel dat hier wordt gefileerd, Le bourgeois gentilhomme, eigenlijk een opgerekte reeks sketches voor revue of vaudeville, in Molière’s dagen ook wel keurig ingeboekt onder het label Comédie-Ballet, is iets dergelijks aan de hand. Een steenrijke burger die bij de adel wil horen, koopt een complete snoepwinkel aan snobistische hypes & trends in. Hij laat zich dusdoende door een kleurrijk ensemble van klaplopers en nonvaleurs optuigen tot een soort salonfähige kerstboom.

Wil je dit materiaal als toneelspeler over het voetlicht brengen, dan moet iedere schaamte over uitbundigheid in het acteren overboord. Met nuances en goed bedoelde subtiliteiten kom je in deze speeltuin van toneelanarchie niet erg ver. Zoals de enige Nederlander in het gezelschap, Dood Paard-acteur Kuno Bakker op de avond dat ik er was, leek te ondervinden. Molière, althans déze Molière, moet van onder uit de zak worden getoond.

Dat daarin onderscheiden registers van hilariteit bekwaam kunnen worden bespeeld toont Poquelin II ook haarfijn aan. Frank Vercruyssen, Stijn Van Opstal en Willy Thomas spannen de snaren van hun komediemuziek in de richting van verfijnde andantes, Jolente De Keersmaecker huppelt heen en weer in een frivool alegretto. Els Dottermans staat als volleerd comédienne de pipo’s uit het lichtplafond te spelen en geniet tegelijkertijd met volle teugen van de kermis van hogeschoolacteren en komediantesk vernuft waar ze tussen is geraakt. En het mag gezegd: Damiaan De Schrijver spant de kroon, zonder zijn collega’s geforceerd te overklassen of met virtuózo van het plankier te spelen. In De vrek is hij aanvankelijk een grommende souffleur en mag hij iets later de kok spelen die van afgekloven kippenbotjes en aardappelschillen een feestmaal moet bereiden en die hielenlikkers en huichelaars op niet mis te verstane wijze de mantel uitveegt. In de rol van de bedwelmde snob Jourdain in De burger edelman trekt hij in het slotdeel van de avond alles wat hij heeft (en dat is een hoop) gretig uit de kast. Molière triomfeert in volstrekte respectloosheid als brutale toneelvlerk van de buitencategorie. Deze avond van Vlaamse zotten biedt een type vitaal totaaltheater dat, als we niet uitkijken, langzaam maar zeker spaarzaam begint te worden.


Marlowe’s Edward II is alleen nog te zien op 22 december om 20.15 uur in Theater aan het Spui in Den Haag. Poquelin II door STAN c.s. staat op 4 december in de Stadsschouwburg Amsterdam en op 8 en 9 december in Toneelschuur Haarlem


Marlowe’s Edward II is alleen nog te zien op 22 december om 20.15 uur in Theater aan het Spui in Den Haag. Poquelin II door STAN c.s. staat op 4 december in de Stadsschouwburg Amsterdam en op 8 en 9 december in Toneelschuur Haarlem