Speurtocht naar vergeten sovjetstrijders

Vladimir kwam nooit meer terug

Op het Russisch ereveld in Amersfoort liggen 865 oorlogsslachtoffers begraven. Remco Reiding gaat op zoek naar de nabestaanden, en belt na jaren aan bij een flatje op de Krim.

Op het gras tussen de grafstenen staat een oude man. Met zijn forse jukbeenderen, brede lippen en kleine, amandelvormige ogen ziet hij er niet bepaald Nederlands uit. De oude man heeft een lange, vermoeiende reis achter de rug, maar nu is hij op het Russisch Ereveld in Leusden eindelijk op de plaats van bestemming. Hij houdt zijn gezicht strak in de plooi en staart naar de grafsteen voor hem. Met zijn linkerhand zoekt hij in zijn lichtblauwe jas naar een zakdoek. Ik sla het tafereel op een afstandje gade. Ik voel me opgelaten, een pottenkijker, maar als ík niet mag toekijken, wie dan wel? Jarenlang heb ik mij in alle stilte uitgesloofd voor dit ene moment.

Dmitri Botenko strijkt door zijn zilvergrijze haren en maakt een lichte buiging naar de grafsteen van zijn vader. Hoe lang heeft hij moeten wachten op dit moment? Wie had zijn pelgrimsreis na zo veel jaar voor mogelijk gehouden?

Witte salvo’s kleuren de akker, ­kanon­gebulder doet het land dreunen, granaten gieren als de wind. Intussen zijn mitrailleurs aan hun zoveelste tapdans begonnen. Af en toe verlicht een vuurpijl het tafereel, als een lucifer die eerst licht geeft maar dan langzaam afbrandt.

Met het opvouwen van zijn burgerkleren in het rekruteringsbureau is het oude leven van Vladimir Botenko geëindigd. Een saai, groen uniform vormt het omhulsel van een nieuwe identiteit: krasnoarmejets, soldaat in het Rode Leger, Vladimir Botenko. Het lijkt een ­eeuwig­heid geleden dat hij schapen schoor op de sovchoz in Toebaj en zijn vrouw en ­kinderen vaarwel zei. Nu zit hij hier, aan het front, in een ­handgegraven schuttersputje, nauwelijks beschermd tegen de kogels en granaten die over hem heen ­vliegen. Een oud geweer rust op zijn schouder. Zijn wapen en kogels, het ­kostbaarste goed van het Rode Leger, heeft hij pas op het laatst ­gekregen. Sommige ­kameraden zijn met lege handen het strijd­gewoel in gestuurd, ­domweg omdat er onvoldoende geweren waren. ­Soldaten zijn vervangbaar, kogels zijn schaars. Onder ­Stalin heeft de Sovjet-Unie zich rap ­geïndustrialiseerd, maar de moderne ­oorlogsmachine van de Duitse bezetter drijft Vladimir en zijn ­kameraden tot wanhoop. Sovjet­tanks lopen vast in de ­moerassen, de ­Luftwaffe schiet het ene na het andere vliegtuig uit de lucht en waar blijft nieuwe munitie?

Overdag bestaat de horizon uit een grijs rookgordijn waarin de onzichtbare vijand zich bevindt. ’s Nachts kleuren de vlammen uit brandende huisjes in het dichtstbijzijnde dorp de hemel karmozijnrood. Het aanhoudende gekraak van stalen rupsbanden betekent dat de vijand volop in beweging is. Ze ­verpletteren de jongens die levenloos op de akker zijn ­achtergebleven.

Bijna driekwart van de infanteristen is net als Vladimir voor de oorlog boer geweest. Hun uniformen zijn versleten, hun voetwindsels gerafeld, hun wapens verouderd. Bij gebrek aan scheppen hebben ze met hun helmen een schuttersputje gemaakt. Sommige mannen vloeken hartgrondig, als het gebrom van Heinkels en Junkers de hemel vult. Ze zijn hees van het geschreeuw om boven de herrie uit te komen. Jonge knullen kijken angstig om zich heen. De zware verliezen, de constante terugtrekking, de moeizame aanvoer van versterkingen en het gebrek aan voedsel en munitie heeft het moreel sterk aangetast. De soldaten hebben weinig vertrouwen in hun veelal incompetente officieren, ze zijn slecht getraind en lang niet altijd gemotiveerd om te vechten voor een staat die hun het leven zuur heeft gemaakt. De lange marsen en het eindeloze bivakkeren, doorgaans onder de blote hemel, maken de nachtmerrie compleet.

Als de vijand uitrust, leveren de frontsoldaten een gevecht tegen de waanzin. Zwerende wonden zijn schering en inslag, evenals diarree, reumatische pijnen, steenpuisten, aambeien, kiespijn. Ratten en luizen zijn zo gewoon geworden dat ze het melden niet waard zijn. Alleen drank biedt de mogelijkheid aan de oorlog te ontsnappen en de geest tot rust te brengen. Als in een dorp wodka te halen valt, zijn soldaten zonder aanmoediging bereid de vijand te trotseren. De militairen hebben hun eigen jargon ontwikkeld en noemen het sterke spul product 61, vanwege de positie op de lijst met verstrekte goederen. De frontsoldaten verorberen, als er iets te eten valt, smakeloze, harde boekweitpap die ze cynisch granaatscherven noemen. Anderen spotten dat hun na de oorlog een toekomst wacht bij het departement van volksgezondheid of het departement van aarde, als invalide of als dode. Of ze citeren een vaak navertelde grap: ‘Ons leven is als het hemd van een kind – het is kort en zit onder de stront.’

Vladimir lijkt in dit surrealistische decor van overrazende bommenwerpers, ­rookpluimen en kogelbuien ten dode opgeschre­ven. Hij denkt aan zijn gezin. Hoe zou het zijn vrouw Aleksandra vergaan in Toebaj? Hoe lang duurt het nog ­voordat het gebrul van tanks daar te horen zal zijn, voordat de Duitse Wehrmacht met al zijn ­materieel en goed bewapende soldaten op de Krim dood en verderf zal zaaien? In gedachten ziet hij zijn ­kinderen voor zich: de puber ­Stepan, de ondeugende Pjotr, zijn enige dochter Valentina en de kleine Dmitri die nog maar net kon lopen toen hij naar het front ­vertrok.

Dan klinkt een aantal korte maar harde bevelen. Onder luid geschreeuw verlaat Vladimirs compagnie de loopgraven. Een enkeling roept ‘Za Stalina!’ Voor Stalin! De meeste boeren zijn minder enthousiast. Granaten slaan in, mitrailleurgeweren ratelen, bommen zingen als nachtegalen. Overal liggen dodelijk getroffen soldaten uit de reusachtige gehakt­molen die het Rode Leger heet. Vladimir loopt over hen heen alsof ze er niet zijn. Links krijgt een soldaat een kogel in zijn borstkas en stort kermend neer. Rechts gilt een soldaat het uit van de pijn. Zijn onderbeen is half afgescheurd. De soldaten hebben geen tijd om te hulp te schieten, ze trekken verder over de modderige hei. Dan volgt een enorme vuurbal, gevolgd door een harde knal en een dikke laag rook. Als de stofwolken zijn opgetrokken, blijkt het Rode Leger vijftig meter terreinwinst te hebben gemaakt. Het veld ligt bezaaid met lichamen. Maar van Vladimir Botenko is geen spoor te bekennen.

Op de fiets rijd ik naar de algemene begraafplaats Rusthof, aan de rand van Amersfoort, aan de overkant van de A28. Aan de linkerkant, voorbij de ingang, zie ik een muur van bruine bak­stenen, waarin de voegen loslaten. Op de toegangspoort staan twee stenen vazen, die tot 1947 de balustrade van de middeleeuwse, Amersfoortse waterpoort Monnikendam sierden. Hierachter moet een vergeten oorlogs­begraafplaats liggen. Ik loop door de poort naar binnen en zie aan twee kanten lange rijen identieke graven. Hier liggen ze dus: honderden Sovjet-Russische oorlogsslachtoffers. Het zijn er 865, lees ik op het informatiebord van de Oorlogsgravenstichting, die het onderhoud voor zijn rekening blijkt te nemen. Het ereveld mag goed worden verzorgd, het ligt er verlaten bij. Vrijwel niemand kijkt naar deze 865 vergeten oorlogsslachtoffers om. Naast elke tweede grafsteen staan narcissen, maar bij geen enkel graf zijn door bezoekers bloemen geplaatst. Wie zijn deze soldaten? Hoe zijn ze hier beland? En hoe komt het dat ik, als Amersfoorter nota bene, nooit van dit Russisch ereveld heb gehoord?

Deze plek is nieuw voor mij, maar nu al heeft deze merkwaardige begraafplaats een vreemde aantrekkingskracht. Ik probeer me voor te stellen dat hier geen anonieme soldaten uit een ver land liggen, maar gewone jongens zoals ik, 22 jaar en onbekend met oorlog. Wie zijn deze jongemannen, waar en hoe groeiden ze op, wat waren hun hobby’s en ambities? Ik vind het moeilijk te verkroppen dat de families van deze sovjetsoldaten nooit zijn geïnformeerd over het lot van hun vermiste bloedverwant. Hoe kan het dat meer dan vijftig jaar lang niemand ook maar één nabestaande heeft weten te traceren?

Wie weet van hun bestaan af? Honderden anonieme strijders die hebben gevochten, ver weg van huis. Honderden graven, stenen met inscripties in een vreemd letterschrift. Kan ik van deze anonieme oorlogsslachtoffers met een onbekend verleden en met een moeilijke of onbekende naam weer mensen maken? Zodat men in Amersfoort én in hun geboortedorp in de voormalige Sovjet-Unie weet dat hier 865 strijders liggen. Wie zij ook zijn.

Ik waag me over het pas gemaaide gras tussen de grafstenen. Ik vraag me af of het wel gepast is het middenpad te verlaten, maar hoe kun je anders een bepaald graf bezoeken?

Mijn oog valt op het mysterieuze letterschrift, dat ik inmiddels ken door mijn bezoek aan Moskou. In elke steen is in het Cyrillisch een tekst gebeiteld. Ik ontcijfer enkele namen: Ivan Sacharov, Nikolaj Smirnov, Vladimir Botenko. Wie zijn deze jongemannen?

Ik loop het kantoortje van de naastgelegen begraafplaats Rusthof binnen. Tsja, de Russen. Veel weten ze er bij Rusthof niet van. Evert Jansen, tijdens en na de oorlog beheerder van de Amersfoortse begraafplaats, heeft zich om hun lot bekommerd en is er zelfs voor onderscheiden, maar hij wist geen familieleden te vinden. Wat resteert op de burelen van Rusthof is een kaartenbak. Daarop staan alleen de namen van de Sovjet-Russische slachtoffers en hun graf­locatie. Voor- en achternamen zijn fonetisch genoteerd, vadersnamen, geboortedata en -plaatsen ontbreken.

Dezelfde middag pleeg ik een telefoontje met de Oorlogsgravenstichting, die het ereveld onderhoudt, om informatie te verkrijgen. Mijn verzoek levert na een sceptische zucht in de trant van ‘daar heb je weer zo’n oorlogshobbyist’ een lijst van de grafbezetting op. Ook hier ontbreken personalia en zeker een op de vier soldaten blijkt als onbekende te zijn begraven.

Uit de namenlijst en de informatie op het bord van de Oorlogsgravenstichting maak ik op dat er drie groepen oorlogsslachtoffers op het Russisch ereveld begraven liggen. In het nabijgelegen Kamp Amersfoort, een gevangenen­kamp aan de rand van de stad, hebben 101 ­Sovjet-Russen gevangengezeten. Aan mishandeling, honger en ziekte zijn er 24 in het kamp gestorven. De overgebleven 77 zijn door de Duitsers op 9 april 1942 gefusilleerd. Na de oorlog zijn de stoffelijke resten van nog eens 691 Sovjet-Russen ­overgebracht vanuit het Limburgse dorp Margraten, waar de Amerikanen een permanente Amerikaanse begraafplaats hebben aangelegd. Voor Amersfoort werd gekozen omdat hier al 101 Russen begraven lagen. De overige 73 zijn her en der in Nederland overleden.

Het Russisch ereveld, zo begrijp ik, is een na de oorlog aangelegde begraafplaats waar de in Nederland gestorven of begraven Sovjet-­Russische oorlogsslachtoffers zijn bijeen­gebracht. Een verzamelplaats voor dode Russen.

Het ereveld is de hele Koude Oorlog lang een kille plek gebleven, waar de graven keurig verzorgd zijn, maar waar nooit een enkel graf werd gesierd door een bloemetje, neergelegd door de familie. Een begraafplaats vol onbekende soldaten uit een ver land, jongemannen zonder gezicht of levensverhaal, soldaten met een naam weliswaar, maar die staat geschreven in een mysterieus letterschrift. Een plek voor hoogwaardigheidsbekleders en diplomaten, die er eens per jaar een krans komen leggen.

Langzaamaan zijn Vladimir Botenko en de andere sovjetsoldaten uit beeld verdwenen, ook voor de inwoners van Amersfoort en Leusden. Als zelfs Kamp Amersfoort, waar tienduizenden landgenoten in doffe ellende gevangen hebben gezeten, uit ons geheugen is gewist, wie herinnert zich dan een stel anonieme soldaten uit het land van de nieuwe vijand?

Generaal-majoor Isjtsjenko sprak tijdens de opening van het Russisch ereveld in 1948 de verwachting uit dat het Nederlandse volk niet zal vergeten, maar zijn woorden lijken ijdel te zijn geweest. Vladimir rust in gewapende vrede en zijn familie weet nog steeds niet waar hij is gebleven.

Ik reis naar Delft om te kijken of daar informatie over de Russen ligt. Als ik een paar dozen uit het archief krijg aangereikt, til ik met spanning het deksel op. Eindelijk heb ik de door de Amerikanen opgemaakte Reports of Burial van alle 691 in Margraten begraven Sovjet-Russen gevonden.

Ik blader voorzichtig door de dikke stapel doorslagen, op flinterdun, vergeeld papier. Ik bekijk de velden op de formulieren: achternaam, voornaam, plaats en datum van over­lijden, doodsoorzaak en plaats van begraven in Margraten. ‘Allied Russian’ staat er boven elk rapport getypt. De Russische namen in Latijnse letters schieten aan mijn ogen voorbij. Steeds vaker herken ik de plaatsen van overlijden: Lüdenscheid, Bad Lippspringe, Aplerbeck en Hamm komen veelvuldig voor als plaats van over­lijden. Veel Sovjet-Russen zijn klaarblijkelijk in dezelfde stad overleden.

Ogenschijnlijk staat op deze documenten weinig informatie die kan leiden tot de opsporing van familie. Bij ‘emergency addressee’ staat niets ingevuld. Ik bestel toch een kopie van alle formulieren. Eén voor één gaan de Reports of Burial aan mij voorbij. Steeds meer namen, steeds meer grafnummers. Dan valt mijn oog ineens op getypte letters onder aan het rapport. Wat krijgen we nou? Ineens staat er bij ‘emergency addressee’ iets genoteerd. Ik lees: ‘Kulina Hordubeilo; Krasnoje’. Dit is een naam van de vrouw of moeder van de soldaat! En een adres! Dit is waar ik al een jaar naar op zoek ben.

Ik blader nu in razendsnel tempo door de stapel Reports of Burial. Vijf, tien, twintig, nee, meer dan dertig keer vind ik emergency addressees, gegevens van familieleden met wie in geval van overlijden contact moet worden opgenomen. Het is bondige, overduidelijk incomplete informatie. Soms staan er flarden van een adres. Namen en adressen zijn door het taalprobleem en de chaos aan het einde van de oorlog verbasterd of onherkenbaar verminkt. Geen wonder dat het grafregister een zootje is. Men heeft de namen rechtstreeks overgenomen van de Reports of Burial, zonder er maar een letter aan te verbeteren.

Kan ik dit allegaartje aan informatie herleiden tot een naam en een plaats? Kulina staat waarschijnlijk voor Akoelina, een oude Russische meisjesnaam. Of zou het fonetisch zijn genoteerd en verkeerd zijn gehoord? Misschien wordt Galina bedoeld, een veel vaker voor­komende naam. En Krasnoje? Help! Dat plaatsje komt alleen in Rusland al honderd keer voor.

Ik lees verder. ‘Petr Kowalj.’ Emergency addressee: ‘Hanila Kowalj, Stadt. Aluschta, Krim, Ssudatssjastr, Nr. 5.’

De Krim, dat is een schiereiland, in 1954 door partijsecretaris Chroesjtsjov aan ­Oekraïne geschonken, tot irritatie van veel Russen. Ik zoek driftig op internet en in atlassen naar Aluschta. De spelling leidt eerst tot problemen, maar dan vind ik, aan de kust van de Zwarte Zee, een plaatsje met de naam Aloesjta. Zou daar een Ssudatssja-straat zijn geweest? En wie woont er nu op nummer 5? Ik breng alle adressen in kaart. Het is een enorm puzzelwerk. Hoeveel provincies, rayons, steden en dorpen zijn niet hernoemd wanneer een nieuwe clan aan de macht kwam? Hoeveel regio’s zijn niet her­verdeeld? En wat zitten er veel fouten in de namen en plaatsnamen!

Mijn oog valt op het emergency addressee van een andere soldaat. Krimsemveropel staat er genoteerd. Zou ook deze soldaat op de Krim hebben gewoond? Ik lees de naam die erbij vermeld staat: Aleksandra. Zou zij de moeder of vrouw zijn van deze soldaat? De echtgenote of moeder van Wadimir Batjenko, zoals zijn naam op het Report of Burial staat geschreven?

huisnummer 14 blijkt een flatgebouw van vijf etages. Ik loop de betonnen trap op naar de tweede verdieping, door Russen aangeduid als de derde, omdat ze de begane grond als eerste etage bestempelen. Ik sta voor de houten deur van appartement 21. Ik haal diep adem en druk op de zwarte, ronde knop van de deurbel.

Vijf, tien, vijftien seconden blijft het stil. De seconden lijken uren. Anderhalf jaar onderzoek schiet als een film aan me voorbij. De honderden brieven, telefoontjes, faxen en e-mails, het gebrek aan medewerking van allerlei instanties. De vondst van de eerste emergency addressees, de eindeloze zoektocht in Aloesjta en de tragische afloop daarvan. En nu sta ik hier, voor een deur in een onbekend stadje. Hebben de bewoners van dit flatje een spoor dat uiteindelijk naar Vladimir Botenko en zijn familie leidt? Of heeft Vladislav Jeletski van het Veteranencomité mij doorverwezen naar mensen die niets van een vermiste soldaat weten?

Dan gaat de houten deur van het appartement eindelijk open. In de deuropening staat een kleine man met zilvergrijze haren.

Postscriptum: Vladimir Botenko groeide als boerenzoon op in een dorpje op de Krim. Hij trouwde met Aleksandra, een sterk meisje van de overkant van de straat. Ze kregen vier kinderen, die achterbleven bij hun moeder toen Vladimir in de zomer van 1941 naar het front vertrok.

Eind 1944 ontving Aleksandra bericht dat hun oudste zoon Stepan in Letland was gesneuveld. Zij vestigde haar hoop op de terugkeer van Vladimir. Tevergeefs. Nooit horen Aleksandra en haar kinderen wat er met Vladimir is gebeurd. Hij staat decennialang te boek als vermist, evenals de andere 864 oorlogsslachtoffers uit de voormalige Sovjet-Unie die op het Russisch ereveld in Leusden begraven liggen.


Remco Reiding is correspondent in Moskou. Hij werd genomineerd voor het Gouden Pennetje, onderscheiden door het Russische ministerie van Defensie en ontving de Rus Prix voor de bevordering van de betrekkingen tussen Nederland en Rusland op humanitair gebied. Zijn boek Kind van het ereveld verschijnt op 9 april bij D33 publicaties. www.kindvanhetereveld.nl