Intervieuw met historicus Piet de Rooy

Vlaggen van het vaderland

Historicus Piet de Rooy schreef een geschiedenis van het koninkrijk Nederland, waarin hij de «republikeinse verscheidenheid» en de concurrentieslag tussen de verschillen als rode draad ziet. Ook de komende decennia worden de Nederlanders verdeeld door twee vragen: wie hoort erbij? En: hoeveel dwang zijn we bereid te gebruiken om onszelf en elkaar in het gareel te houden?

«Ik vind het moeilijk om mezelf op mijn eigen motieven te betrappen. Dat vergt veel introspectie. Natuurlijk is het een ambitieus project, maar het boek zat al jaren in mijn hoofd, het vloeit voort uit wat ik al decennialang aan het doen ben.» Historicus Piet de Rooy werd bij een groot publiek bekend als voorzitter van een naar hem genoemde commissie ter hervorming van het geschiedenis onderwijs op de middelbare school. Met het deze week verschenen Republiek van rivaliteiten schaart hij zich in een illuster rijtje voorgangers die het aandurfden in kort bestek twee eeuwen Nederland door te nemen. Republiek van rivaliteiten, uiterst vlot geschreven en bij vlagen welhaast spannend, is een boek van de grote gedachte en de brede beweging. Zo luidt een van de eerste regels: «Het is een vlak land, waarover meestal de westenwind blaast, gelegen aan de rand van het Duitse laagland en eindigend in de golven van de Noordzee.»

De Rooy vermeed bijna alle internationale vergelijkingen en aan de hand van slechts de sappigste citaten heeft hij een geschiedenis geschreven van de hardnekkige, maar tot mislukken gedoemde pogingen tot het vestigen van een «nieuw Nederland» waar de koning in 1813 de mond van vol had. De Rooy: «Het is geen handboek, maar mijn verhaal van de vaderlandse geschiedenis. Ik heb er meer dan twee jaar over gedaan, en om de hoofdgedachte zichtbaar te houden, heb ik het boek drie keer volledig moeten herschrijven. Het verhaal voor de vakgenoten heb ik daarbij verbannen naar de voetnoten.»

Die hoofdgedachte is dat Nederland pas heel laat, en eigenlijk nooit helemaal, een politiek idee is geworden, dat het land slechts verenigd is door zijn tegenstellingen en verschillende verscheidenheden. Na het herwinnen van de onafhankelijkheid aan het begin van de negentiende eeuw heette het: «Alle partijschap heeft opgehouden». Maar de wens was slechts de vader van de gedachte. Dergelijke slogans moeten volgens De Rooy worden gelezen als een bevestiging van de verscheidenheid, niet als afrekening ermee. Anders dan vaak aangenomen ging het bijeenhouden van alle uiteenlopende groepen en belangen niet vanzelf. Het vergde voortdurend politiek overleg en onderhoud.

De Rooy is werkzaam aan de universiteit van Amsterdam als hoogleraar Nederlandse geschiedenis sedert de Middeleeuwen. In zijn werkkamer in het hart van de stad neemt hij de tijd voor zijn antwoorden. In menige zelfgekozen stilte kijkt hij ver voorbij de interviewer, om na een stevige trek van zijn shaggie zijn eigen beeld van de Nederlandse geschiedenis in volzinnen tot leven te wekken. De moeilijkheid daarbij is, zo legt hij uit, «dat ons land geen vaststaand, vanzelfsprekend gegeven vormt dat je als uitgangspunt kunt nemen voor een geschiedenis. Rond 1813 bestond er geen Nederland; de landsgrenzen lagen nog helemaal niet vast. Een zin als: ‹Honderd jaar voor Christus kwamen de Batavieren naar ons land› is echt klinkklare nonsens. Ons land was er niet. Het had heel anders kunnen lopen. Limburg had eraf kunnen vallen, België had erbij kunnen blijven, we hadden mee kunnen doen met de Duitse eenwordingsstrijd, en ga zo maar door.

Nu hebben we het voordeel dat we weten hoe het afloopt, en zelfs voor ons is het moeilijk te bepalen wat Nederland was en is. Je kunt ervan uitgaan dat het voor de toenmalige bewoners nog veel moeilijker was. Ze moeten veel hebben gesproken over het zogenaamde Nederlanderschap. Ik ben die geschriften nagegaan waarin Nederlanders rekenschap gaven van zichzelf en hun eigen land. Het beeld dat we van onszelf hebben, is als een voortdurend van vorm veranderende amoebe die door de geschiedenis trekt. In plaats van het spoor terug te volgen vanuit het heden ben ik gaan wandelen, net als Van Lennep en die andere Hollandse, protestantse student, tien jaar na de invoering van het koninkrijk. Ik vroeg me af wat ik als redelijk geïnformeerd lezer, als intellectueel wellicht, om me heen zou hebben gezien.»

De Rooy wilde de politiek daarbij niet het primaat geven dat het in vele bestaande historische overzichten wél heeft: «De politiek wordt daarin als te vanzelfsprekend ervaren, als uitgangspunt en niet als probleem. Terwijl juist hier, anders dan in omringende landen, zoiets als een definitie van Nederland niet door de staat wordt onderhouden. Dat wordt aan de verschillende groepen binnen de bevolking overgelaten. We zijn, zoals Frijhoff dat eens heeft genoemd, een ‹cultuurnatie›. Dat verklaart ook waarom we in onze symboliek niet vieren dat we in 1648 zijn ‹opgericht›, of het feit dat we in 1813 zijn heropgericht. We vieren niet de geboortedag, noch de sterfdag van Willem van Oranje. Toen al niet. De herdenkingsviering van 4 en 5 mei is in dat opzicht de uitzondering. En daarvan zie je dat die zich al enigszins onthecht van de gebeurtenissen tussen 1940 en ’45. Het is steeds meer een algemeen protest tegen alles waar we tegen zijn. Tegen onmacht, onderdrukking en discriminatie — een abstracte herdenking.»

Op zijn wandeling zag Piet de Rooy «een voortdurende concurrentieslag om de vraag wat het hoofdverschil is». «Ook de verzuiling moet je in dat licht zien. Dat was een systeem waarin alle verschillen ondergeschikt werden gemaakt aan geloofsovertuiging. De liberalen hebben daar altijd tegen geprotesteerd, maar die waren te zwak om de zaak te kantelen. Zij vormden ook niet de vierde zuil, zoals algemeen wordt beweerd. Zij gebruikten de staat als zodanig, als overheidsdienaren. Burgemeesters hadden de taak het gebouw bij elkaar te houden. Te sussen. Net als de universiteiten, ook gedepolitiseerd, moesten zij tegelijk scheidsrechter en bemiddelaar spelen. En je ziet het nog steeds. In Rotterdam hebben ze hoogleraar Van Schendelen tot formateur gemaakt, wat in Frankrijk ondenkbaar zou zijn geweest. Anders dan je leest in de handboeken van eerstejaars politicologie en geschiedenis stond het project van de verzuiling onder permanente spanning. De twist tussen de zuilen was vaak ongemeen fel. Vaak wordt de energie en kracht onderschat die het bewaren van het evenwicht kostte. Als een voetbalwedstrijd eindigt in 0-0 wil dat niet zeggen dat er niet enorm hard is gevoetbald.

Met studenten lees ik momenteel nummers van De Fakkel, een fel antipaaps blad uit het midden van de negentiende eeuw. Niks vreedzaam samenleven, niks stabiliteit. Als het aan de redactie van De Fakkel had gelegen, waren de katholieken eruit geslagen. De fik erin. Die kregen van hen niet eens het etiket medelanders, maar heetten ‹bijwoners›, slechts met moeite getolereerd. Daarom is het fascinerend om juist de crisisperiodes te bekijken, de momenten waarop het evenwicht bijna werd doorbroken. De Bataafse periode; de vestiging van het koninkrijk; de aprilbeweging van 1853; de opkomst van de arbeidersbeweging; de pogingen van de NSB en de Doorbraakbeweging om de verzuiling te doorbreken. Kortom, op momenten waarop de broze harmonie zonder harde politieke arbeid verloren zou zijn gegaan.»

Het evenwicht handhaven kostte veel energie, ook in de negentiende eeuw. Om de druk van de ketel te halen, riepen leidende opiniemakers om matiging en rust in gemoed en houding, ook buiten de directe sfeer van de politiek. Een van de parels die Piet de Rooy opviste om deze bewering aanschouwelijk te maken, is een in 1822 geschreven lofzang op de middelmatigheid door J.H. van der Palm, de vormgever van het nationale onderwijssysteem uit die tijd. In Over het middelmatige vroeg deze prominente Nederlander zich af wat er van een samenleving terechtkomt die uitsluitend bestaat uit genieën en grote geesten. Zijn antwoord was helder: het zou een janboel worden, een slagveld van tegen elkaar strijdende ambitieuze heren. «Het zijn toch altijd weer de middelbare verstanden, wier koelheid de hitte tempert, waardoor onbeperkte genie-zucht alles zou dreigen te verschroeijen; zij zijn het, die, door hun gewigt in de schaal te leggen, de altoos durende slingering tot evenwigt brengen», schreef Van der Palm. De middelmatigen zijn «de bewaarsters van goede zeden, en van het onbevangen, onbedorven oordeel».

En het werkte; bezadigdheid werd een deugd, en het handhaven van evenwicht een richtsnoer van het leven. De Rooy: «Daardoor werd het onmogelijk om zoiets als een openbare mening of publiek debat te ontwikkelen. Negentiende-eeuwse buitenlandse bezoekers verbaasden zich daarover: hier ontbrak elk spoor van bezielende romantiek of energiek nationalisme. Wat overigens allerminst betekent dat de eeuw van de trekschuit rustig en burgerlijk was. Je moet niet onderschatten wat voor een enorme processen de mensen in de negentiende eeuw zelf signaleerden: de eenwording van Duitsland, de toenemende rivaliteit tussen Engeland, Frankrijk en Duitsland, de kolonisatie. Nederlanders volgden die buitenlandse ontwikkelingen ademloos, maar vooral bezorgd of zelfs bang. Ze namen een houding aan van: letten jullie vooral niet op ons.

Geleidelijk werden matigheid en rust de vlaggen van het vaderland. Aan het begin van de twintigste eeuw wapperden zij fier: als onze gave aan Europa. Al dat machogedrag van omringende landen, zo stelden leidende Hollanders, dat is overdreven gedoe: doe maar gewoon, net als wij Nederlanders, dan zou de wereld er een stuk beter uitzien. Die gedachte is tot in deze eeuw blijven bestaan. In de jaren zeventig van de twintigste eeuw was de overtuiging vrij breed verspreid dat wij de beste verzorgingsstaat ter wereld hadden. En bovendien waren we het meest tolerante én vreedzame land, omdat de meerderheid van de bevolking tegen kruisraketten te hoop liep. Een voorbeeld. Als iedereen zich nou eens net als wij zou gedragen… Een constante is overigens ook dat de boze buitenwereld maar matig van die houding was gecharmeerd.»

Behalve de opkomst van de geheven vinger ziet De Rooy op het breukvlak van de negentiende en twintigste eeuw ook de eerste effecten van de verzuiling op het nationale debat, en de manier waarop dat werd gevoerd. De Rooy: «Iedereen besefte inmiddels dat men elkaar niet meer ging overtuigen van eigen gelijk. Die kennis verdichtte zich tot de gedachte dat het zelfs onfatsoenlijk was onder elkaars duiven te schieten. De permanente spanning waaronder het systeem stond, sloeg naar binnen. Het debat ging alleen nog binnen de zuilen verder. Dat duurde tot in de jaren zestig. Toen wapperden de meningen weer alle kanten op, en maakte de vierdeling van de verzuiling plaats voor een nog overzichtelijker tweedeling. Er vond een nieuwe mobilisatie van groepen plaats, zoals Abraham Kuyper tachtig jaar eerder had gedaan.

Representanten van beide kampen, progressieven en conservatieven, scholden elkaar stijf, op bijna elk gebied, niet alleen over het bestuur van het land. Opnieuw zonder de illusie elkaar te kunnen overtuigen. Daar ging het meestal ook niet om. Aan je morele gelijk had je genoeg. Er ontstond iets wat de socioloog Max Weber wel Gesinnungsethik heeft genoemd: het bedrijven van goede werken uit volle overtuiging, ongeacht de gevolgen. Als goede bedoelingen averechtse effecten hebben, is dat slechts te wijten aan de kortzichtigheid van de medemens, dan wel aan Gods ondoorgrondelijke wil. In de ban van de Gesinnungsethik is men geneigd met overgave te kiezen voor de uiting van de emotie, meer dan voor discussie. In een programma als In de rode haan ging het niet over gelijk halen, maar om de bevestiging ervan, elke week weer.

Dat keert de laatste maanden weer terug, net als Webers Gesinnungsethik. De multiculturele samenleving leidt tot nieuwe kampen waarin weinigen de illusie hebben de tegenstander te kunnen overreden. Daardoor is er na jaren bloedeloos onderhandelen plotseling weer aandacht voor tegenstellingen en onwrikbare posities. Het debat is terug, en ik weet niet zeker of ik dat positief beoordeel. Want laten we eerlijk zijn, Bolkestein had natuurlijk een punt toen hij beweerde: geprezen zij het land dat zich een saaie politiek kan veroorloven. Dit nieuwe debat is fundamenteel. De belangrijkste vragen betreffen onze identiteit — wie horen erbij en wie niet — en criminaliteit en veiligheid: hoeveel onderlinge dwang is deze samenleving bereid zichzelf op te leggen? Dat is een riskant debat, want het gaat écht ergens over. De zogenaamde Leefbaren en Pim For tuyn zijn allemaal reuze interessant, maar het debat was er ook zonder hen gekomen. Net als de grondgedachte van het kabinet-Den Uyl — spreiding van kennis, macht en inkomen — ook na die regering op de agenda is gebleven, en zelfs voor een groot deel is uitgevoerd. Zo zal ook dit debat over veiligheid en de multiculturele samenleving doorgaan, of Fortuyn nu wel of niet die twintig tot dertig zetels haalt.»

Hoe gedreven Piet de Rooy zich ook mengt in contemporaine vraagstukken, hij is en blijft historicus. In het heden ziet hij het verleden. L’histoire se répète. De Rooy: «Opvallend is dat de huidige vragen van dezelfde aard zijn als de vragen die de studenten zich in 1823 stelden. Zij vroegen zich af: ‹Horen die eenvoudige typen uit Frederiksoord en Veenhuizen er eigenlijk nog wel bij?› En: ‹Vormen zij meer dan meubilair? Zo ja, moeten we ze ook toegang geven tot ons onderwijs, tot onze levens? Is het terecht dat we stedelijke paupers opsluiten in een bedelaarskolonie als Frederiksoord om een omscholing tot brave landloner te ondergaan?› Opnieuw staat dezelfde soort vragen centraal. Dat zijn heel wezenlijke vragen. Bovendien geen gemakkelijke vragen. Dit is een riskant debat, want het gaat écht ergens over.»