David Vogel, Allen zijn ten strijde getrokken

Vlak verslag

David Vogel

Allen zijn ten strijde getrokken

Uit het Hebreeuws (Koelam jatsoe lakrav) vertaald door Kees Meiling

Meulenhoff, 192 blz., € 17,50

Vogel (1891-1944) schreef dit boek over zijn internering in een drietal Franse kampen tussen oktober 1939 en juni 1940 in het Jiddisch. Hij was in Rusland geboren en kwam in 1914 in Wenen terecht. Voor de Fransen was hij toen hij in Frankrijk verbleef op het moment dat in september ’39 de Tweede Wereldoorlog uitbrak geen Oostenrijker maar burger van Groot-Duitsland; reden om hem op te sluiten – in het begin samen met vooral Duitse en Oostenrijkse joden, daarna met vluchtelingen, criminelen, deserteurs én nazi’s. Bureaucratie troef, de willekeur even groot als de verwarring, taalproblemen en onwetendheid.

Hoewel er een fictieve hoofdpersoon is, Richard Weichert, 48 jaar, is het geen ro man, eerder een logboek of kroniek. Dat maakt op zich weinig uit, de stof is interessant genoeg, en zoveel verhalen over internerings- en doorgangskampen zijn er niet. Dat is op zich vreemd, maar een verklaring is wellicht dat toen eenmaal de berichten over de Duitse concentratie- en vernietigingskampen verschenen het kleinere leed niet meer het vertellen waard leek. Gemeten aan «het ergste» was het leven in de interneringskampen, zoals Vogel het be schrijft, immers draaglijk. Het is een vergelijking als tussen één been kwijt en twee benen plus een oog. In het kamp zelf krijgen de geïnterneerden telkens de vergelijking met de Franse soldaten aan het front te horen. Waar Vogels hoofdpersoon de meeste moeite mee heeft is het leven en de ruimte te moeten delen met wezensvreemde onbekenden. Interessant is hoe verschillend de mannen op hun gemeenschappelijke lot en elkaar reageren en hoe in het kamp een eigen samenlevingsvorm ontstaat. Het is alleen jammer dat de roman van Vogel er zo’n zeurverhaal van maakt. De verteller beschrijft van alles – inderdaad alles, alsof hij geen onderscheid kan maken – en vooral veel verschillende mensen, maar hij ziet weinig, alsof de weerzin hem ter plekke de blik deed afwenden.

Ik begreep indertijd het enthousiaste onthaal van de roman Huwelijksleven en de twee daarna verschenen novellen niet goed. Na dit boek denk ik dat Vogel, de vergelijking met Döblin, Schnitzler en Kafka ten spijt, gewoon niet zo’n goede schrijver is. Dit is zijn laatste prozawerk, maar het belang van het onderwerp wordt niet waar gemaakt in dit vlakke verslag. De titel, die ik niet begrijp, maakt het er niet beter op.