POPMUZIEK Ry Cooder

VLAKKE CILINDERKOPPEN

Vastlegger van cultureel erfgoed of veelzijdig topmuzikant? In welke hoedanigheid Ry Cooder (1947) nu de meeste waardering krijgt is niet echt duidelijk. Eigenlijk is een keuze maken helemaal niet nodig, want al op jonge leeftijd bleek hij beide te zijn. Zo covert hij op zijn titelloze solodebuut uit 1970 oude folk- en bluesartiesten en drukt tegelijkertijd zijn eigen stempel met een uniek geluid en originele arrangementen. Met zijn steelguitarspel hielp hij nog eerder Captain Beefheart (Safe as Milk) en de Rolling Stones (Let it Bleed en Sticky Fingers) muziekgeschiedenis schrijven.
Cooder heeft er geen moeite mee om op de achtergrond te excelleren. Neem zijn soundtracks waarmee hij, voor films als Southern Comfort, Crossroads en Paris, Texas, in de luwte toch sfeerbepalend is. Of de albums met de Malinese Ali Farka Touré (Talking Timbuktu) en het Cubaanse project Buena Vista Social Club, die hij in de jaren negentig een nieuw podium geeft. Het is dan wel tien jaar geleden dat hij een eigen liedjesalbum opnam.
Als hij in 2005 met Chavez Ravine na lange tijd van zich laat horen staat dan ook duidelijk op de hoes: ‘A record by Ry Cooder’. Dit album over de buurt die vijftig jaar geleden moest wijken voor het honkbalstadion van de L.A. Dodgers blijkt het eerste van een Californisch drieluik. Met I, Flathead (The Songs of Kash Buk and The Clowns) is dat nu compleet.
Net als op de tweede cd My Name is Buddy (2007) kruipt Cooder in de huid van een verteller die je getuige maakt van zijn leven in de ‘Golden State’. Nu niet als rode zwerfkat Buddy in de tijd van de grote depressie, maar als de op zoutvlaktes racende muzikant Kash Buk. Het verhaal speelt zich af in de jaren zestig en daar is de muziek op afgestemd: ouderwetse folk, blues, country, latin en Tex-Mex. Buk besluit zijn Flathead (een oude V8-motor met vlakke cilinderkoppen) aan de wilgen te hangen en met zijn band The Clowns op tournee te gaan. Dat levert avonturen op vol hot rod cars and country songs (Ridin’ with the Blues, Johnny Cash) en honky tonks and dirty blondes (Pink-o-Boogie, Waiting for Some Girl).
Cooder neemt op dit derde deel zelf veel zang voor zijn rekening. Die is niet heel bijzonder, maar als hij zijn Tom Waits-achtige spannende-verhalen-stem opzet (Can I Smoke in Here) luistert I, Flathead bijna als een boek. (Jammer dat de bijbehorende novelle alleen in Amerika met het album uitgebracht is!) Het album is muzikaal misschien het minst avontuurlijke uit de reeks, maar het is bewonderenswaardig om nostalgie zo te laten klinken dat het veertien nummers lang boeiend blijft. Trouwens, wie met My Dwarf is Getting Tired een prachtig liefdesliedje maakt zonder dat het belachelijk wordt, kun je niet verwijten dat hij geen lef heeft. Met I, Flathead levert Cooder voor de derde keer op rij kwaliteit en voltooit hij een fascinerend tijdsdocument.

Ry Cooder, I, Flathead, Nonesuch/Warner