Jacques Brel (1929-1978)

Vlaming tegen wil en dank

Brussel is in 2003 in de ban van Jacques Brel (1929-1978). Het 25ste sterfjaar van de legendarische Belgische zanger/componist zal groots worden herdacht in zijn geboortestad, te beginnen met de feestelijke opening van de door dochter France Brel vormgegeven expositie ‹Le droit de rêver› (Het recht om te dromen) op 22 maart. Of dat de definitieve verzoening van het Vlaamse volksdeel met het gedachtegoed van de antiflamingant Brel zal opleveren, valt echter te betwijfelen.

«Hoera, Brel is dood», stond op een brug tussen Luik en Brussel gekalkt nadat op maandag 9 oktober 1978 het overlijden van Jacques Brel bekend was gemaakt. De verhouding tussen de zanger/componist en het land dat hij met chansons als Mon plat pays (Het vlakke land) en Marieke op de wereldkaart van de muziek had gezet, was van problematische aard. Fanatieke voorstanders van Vlaamse autonomie konden Brels bloed wel drinken: hier was een Belg die van New York tot Moskou triomfen vierde als «Vlaams zanger», en hij verbood het zijn kinderen thuis «Vlaams te blaffen», bestempelde het Vlaams als «koeterwaals» en toonde zich tot overmaat van ramp ook nog eens een unverfroren republikein. «Vive la république, merde pour les Flamingants», zong Brel in 1966 in het lied La… La… La. Het was niet de eerste en niet de laatste provocatie. In een interview met Johan Anthierens in 1966 lichtte de zanger zijn bezwaren tegen de Vlaamse nationalisten toe: «Voor mij is een flamingant een extremist en fanaticus, iemand die aan zijn Vlaams-zijn voldoende heeft en zich afsluit voor de buitenwereld. Het is een anachronistisch wezen dat zo onzeker op zijn benen staat dat hij vreest in een confrontatie met niet-Vlamingen binnen de kortste keren onderuit te gaan… Als ik de flaminganten aanpak is dat omdat ik een Vlaming ben, en alle kritiek bij zelfkritiek begint.»

Jacques Brel was inderdaad een Vlaming, zij het een van de Franssprekende soort, een zogeheten «franskiljon». Zijn vader, Romain Brel, kwam uit Zandvoorde in West-Vlaanderen, dicht tegen de Franse grens, bij Ieper. Na een mislukt avontuur in de Congo, waar hij in 1919 platzak van terugkeerde, wierp vader Brel, stammend uit een vermaard geslacht van herenboeren en notabelen, zich nog met het nodige elan in de taalstrijd in zijn geboortestadje, en later getroostte hij zich veel moeite om zijn kinderen het Nederlands bij te brengen. Na een tweede verblijf in de Congo, dat eindigde na de dood van een kind aan de tyfus, vestigden Romain Brel en zijn vrouw Mouky Lambertine Vanneste, eveneens van verfranste Vlaamse afkomst, zich in Brussel, waar op 8 april 1929 Jacques Brel werd geboren in het huis van de familie aan de Diamantlaan in de wijk Schaerbeek. Vader Brel was inmiddels partner geworden in de kartonfabriek van zijn schoonfamilie, Vanneste & Brel, en in 1935 verhuisde de familie Brel naar de beter gesitueerde Belgicalaan, waar de jeugd van Brel zich verder afspeelde.

In het lied Mon enfance (1967) beschreef Brel zijn kindertijd:

Mon enfance passa

De grisailles en silence

De fausses révérences

En manque de batailles

L’hiver j’etais au ventre

De la grande maison

Qui avait jeté l’ancre

Au nord parmi les joncs

L’été à moitié nu

Mais tout à fait modeste

Je devenais indien

Pourtant déjà certain

Que mes oncles repus

M’avaient volé le Far West

In de vertaling van de Nederlandse Brel-biograaf Mohamed el-Fers:

Mijn jeugd ging voorbij

in trieste eentonigheid en stilte

in valse beleefdheid

die confrontatie schuwt

’s winters zat ik in de buik

van het grote huis

dat ’t grote anker had uitgeworpen

in ’t Noorden, tussen het riet

’s zomers liep ik halfnaakt rond

maar zo, dat niemand het merkte

dan werd ik een indiaan

maar ik wist al van tevoren

dat mijn volgevreten ooms

me van mijn Wilde Westen zouden beroven

Het idee van een gestolen jeugd is kenmerkend voor het werk van Jacques Brel. In feite kan zijn werk worden gezien als één groot protest tegen het volwassen worden, het ingebed worden in de kwezelige conventies van de kleine burgerij en de daarbij behorende hypocrisie, het verliezen van de natuurlijke wildheid van het kind. Het uitbreken van de oorlog, toen Jacques elf jaar oud was, vervolmaakte de tragedie. De rest van zijn jeugd zou zich afspelen in een aanhoudende depressie, waarvan hij zich pas als volwassen man zou kunnen herstellen. Toen hij in 1947 na een dramatisch slecht verlopen schooltijd werd ingelijfd in de kartonfabriek van zijn vader leek niets hem meer te kunnen redden van een gekortwiekt bestaan in het oerburgerlijke milieu van zijn ouders. In 1950, na het vervullen van de dienstplicht als korporaal bij de landmacht, trad Brel in het huwelijk met Thérese «Miche» Michielsen uit het Brusselse Etterbeek, met wie hij drie dochters zou krijgen.

Begin jaren vijftig krijgt Jacques Brel het echter opeens op zijn heupen. Als jongen heeft hij gezongen en theater gespeeld, en dat is uitgemond in een ware passie. Hij heeft een sterke drang naar het podium, wil de kartonfabriek achter zich laten, naar Parijs gaan om alsnog aan het avontuur te beginnen dat hem als kind is onthouden. Vader Brel is not amused en verbiedt zijn zoon aanvankelijk op te treden onder de familienaam. Zo doet Brel zijn eerste optredens onder de artiestennaam Jacques Bérel.

De eerste shows verlopen met wisselend succes. «Belachelijk die knaap», zo stelt een jurylid van een talentenjacht in Knokke, waar Brel zijn eerste, nog brave chansons laat horen. Via Angela Guller, presentatrice van een chansonprogramma op de Belgische radio, krijgt Brel zijn eerste plaatje geperst, La foire en Il y a. Er worden er slechts tweehonderd van verkocht, maar het plaatje valt wel op bij Jacques Canetti, broer van de literator en latere Nobelprijswinnaar Elias Canetti, een Parijse impresario van platenmaatschappij Philips, die eerder sterren als George Brassens en Félix Leclerc heeft ontdekt. Op 20 juni 1953 doet Brel auditie bij Canetti. Bij de kartonfabriek heeft hij dan inmiddels ontslag genomen. Canetti is aanvankelijk niet erg enthousiast, heeft de nodige kritiek op het onvolkomen Frans van de Brusselaar, als ook tegen diens mimiek en motoriek, die later zijn handelsmerk zullen worden. Voor Brel is er echter geen weg terug meer. Hij vestigt zich in een klein kamertje in Parijs en stort zich als een bezetene op het schrijven van meer chansons, terwijl hij een boterham probeert te verdienen in de kleine cabarets en de kroegen van de hoofdstad, waar hij niet zelden als «provinciaaltje» wordt weggelachen. Het Franse dédain voor de Belgen — zie La pauvre Belgique van Charles Baudelaire — gaat ook aan Jacques Brel niet onopgemerkt voorbij.

Vrouw en kinderen blijven in Brussel achter. «Beter een onzekere toekomst dan een ongelukkige man thuis», zo vindt Brels echtgenote Miche, die de muzikale aanvechtingen van haar echtgenoot beter kan verdragen dan de rest van de familie. De eerste langspeelplaat van Jacques Brel verschijnt in 1953 en is wederom geen succes. De critici vinden het Brusselse accent van de zanger bepaaldelijk irritant. De grote doorbraak komt in 1956 met het lied Quand on n’a que l’amour, dat wordt bekroond met de Grand Prix du Disque. Het zijn nog brave, pastorale chansons. George Brassens noemt Brel spottend «abbé Brel», priester Brel, vanwege zijn zalvende teksten en liederen.

Eind jaren vijftig komt de echte explosie. Brel werpt alle conventies van zich af en begint chansons te schrijven waarin hij zich als een hongerige wolf gooit op de idealen die hij in zijn jeugd meekreeg: tegen de kerk, de bourgeoisie en de gedweeë Vlaamse cultuur. In 1959, het jaar dat ook zijn klassieke Ne me quitte pas verschijnt, is Vlaan deren woedend over het lied Les Flamandes, dat wordt gezien als een belediging van de Vlaamse volksaard. Les Flamandes is een satirisch lied, doch heeft nog lang niet het venijn van latere «anti-Flaminganten»-chansons. Het lied is gebaseerd op een jeugdervaring van Brel. Hij heeft zich altijd verwonderd over de vreugdeloze dansjes van de Vlaamse vrouwen tijdens begrafenisplechtigheden en verwerkt dit in het lied dat de sfeer ademt van werk van Bruegel.

Brel-fans van het eerste uur wenden zich desalniettemin teleurgesteld van hem af vanwege Les Flamandes. Op de Vlaamse radio wordt het lied geboycot en als Brel het in Vlaanderen ten gehore brengt, zijn er altijd wel verontwaardigde Vlamingen die boe beginnen te roepen. In het weekblad Humo legt Brel in december 1959 zijn veronderstelde «verraad» uit: «Het lied Les Flamandes heb ik als een grap en als een persoonlijke herinnering bedoeld. Het is een eenzijdige voorstelling van de Vlaamse vrouw, die ik verder niet beledigen wil. Als ik een karikatuur teken van de Amerikaanse president Eisenhower ben ik daarom zijn vijand niet. Als u het mij vraagt, hebben uw volksgenoten, die ook mijn volksgenoten zijn — mijn vader is een Vlaming, mijn moeder is van Vlaamse origine — het liedje door een te donkere bril beoordeeld. In Wallonië reageren de vrouwen nijdig omdat ik niet over hen zing. Om maar te zeggen hoe ik met uiteenlopende reacties word geconfronteerd.»

Later zou Les Flamandes nog leiden tot een diplomatieke rel in Israël. Toen Brel daar in 1966 op tournee was, kreeg hij van de Belgische ambassade in Tel Aviv te horen dat het omstreden lied niet ten gehore mocht worden gebracht. Brel over deze episode in een interview in 1971: «Ik zou in Tel Aviv een voorstelling geven, ik kom uit het vliegtuig en beneden aan de trap staat een verdrietige jongeman die bij wijze van groet waarschuwt: ‹U mag vanavond Les Flamandes niet zingen.› Ik barst in lachen uit, want ik weet dat de joodse humor bekend staat om zijn superieure kwaliteit. Maar die jongen, een heel chagrijnig kijkende knaap, was van de Belgische ambassade en zei dat de ambassadeur in de zaal zou zitten en ik Les Flamandes niet mocht zingen. Mijn vervelende karakter kennende, zul je begrijpen dat ik die avond Les Flamandes heb gezongen. En dáár is de oorlog van 1967 in het Midden-Oosten door uitgebroken. Nasser moet gezegd hebben: ‹Als Brel Les Flamandes mag zingen dan mag ik Israël aanvallen.› Kleine oorzaken, grote gevolgen.»

De Vlaamse pers informeert verontrust of Jacques Brel misschien lijdt aan Vlaamse zelfhaat? «Nee, nooit», is het antwoord. «Ik ben Vlaming. In België zijn er zeker drieënhalf miljoen die een soort Frans spreken. In feite een verbasterd Frans. Ik ben Vlaming van ras, stam af van de Spanjaarden. In zes eeuwen tijd zijn er in België 23 invasies geweest. Dat was nogal vermoeiend voor onze vrouwen. Ik denk dat als je geen Vlaming bent het niet in je op zou komen om Vlaanderen te bezingen. Maar ik ben Vlaming, veeg mijn eigen stoep. Les Flamandes gaat helemaal niet over de Vlaamse vrouw, het gaat over de overheersing van de katholieke clerus over de vrouw. Over het feit dat de vrouw door de kerk onder de duim wordt gehouden, dat de kerk haar vertelde hoeveel kinderen ze moest hebben, dat haar leven bestierd wordt door een macht buiten haar zelf en haar gezin. Daarover gaat Les Flamandes.»

Begin jaren zestig is Jacques Brel de ongekroonde koning van het Franse chanson. Zijn optredens — telkens met een aan bezetenheid grenzende inzet, daartoe opgezweept door liters whisky-cola, zijn «stookolie», aangevuld met vijf tot zes pakjes Gauloises per dag — zijn onvergetelijke spektakels. «Als Gilbert Bécaud Monsieur 100.000 volt is, dan is Brel een kerncentrale op de drempel van een meltdown», zo schrijft een criticus. Brels stem is als een orkaan, zijn vaste begeleidingsband speelt alsof de duivel hen op de hielen zit — de bezieling spat er vanaf. Als tekstdichter ontwikkelt Brel zich tot een ware poète maudit, die even honend als lyrisch kan zijn. Zelf is hij bescheiden over zijn artistieke prestaties — «Als ik het een beetje te hoog in mijn bol krijg, lees ik een gedicht van Rimbaud en dan ken ik mijn plaats weer» — maar met liederen als Le Moribond, Amsterdam, Le plat pays en Mathilde krijgt Brel de gehele wereld aan zijn voeten.

Een wereldtournee brengt hem in 1965 in de Sovjet-Unie. Brel, terugblikkend in een interview: «Wij waren in Bakoe, Jerevan, Tbilisi, Leningrad en Moskou. Een coherent beeld van de trip bestaat niet, want in Bakoe wonen Turken, zij zijn voor driekwart Turk. Zij maken deel uit van de Sovjet-Unie, maar ze liggen niet wakker van het Franse chanson, had ik de indruk. Over Tbilisi daarentegen raak ik niet uitgepraat. Georgiërs zijn mooie mensen. Ik was er helemaal niet op voorbereid om met zulke tegemoetkomende en tedere wezens te maken te krijgen. De Georgiërs mixen droom en realiteit tot een buitengewone cocktail. Die mensen worden niet opgejaagd door de tijd, zitten niet onder de knoet van het geld. Op zo’n cultuurschok zat ik al twintig jaar te wachten. Ik heb daar broers achtergelaten.» Ook raakt hij bevriend met de Russische dichter Jevgeni Jevtoesjenko: «Een fenomenaal drinker, moet ik nageven. Ik kan hem lekker raken, maar bij Jevtoesjenko vergeleken ben ik een drinkebroertje. Een alcoholisch gehandicapte, zoiets.»

Hoewel Brel voor de Vlaamse taalstrijd de grootste verachting aan de dag legt, doet hij er op de toppen van zijn roem alles aan om zich ook in het Nederlands als zanger uit te kunnen drukken. De Nederlandse dichter Ernst van Altena wordt geëngageerd om vertalingen te maken. Eigenhandig schrijft Brel een deel van Marieke (1961), een zwanenzang voor een jeugdliefde in Vlaanderen, in het Nederlands:

Zonder liefde, warme liefde

Waait de wind, de stomme wind

Zonder liefde warme liefde

Weent de zee, de grijze zee

Zonder liefde, warme liefde

Lijdt het licht, het donker licht

En schuurt het zand over mijn land

Mijn platte land, mijn Vlaanderenland

Brel is zo verknocht aan deze Nederlandse passage in het verder Franse lied dat hij de Amerikaanse jazz-ster Nina Simone contractueel verplicht het Nederlandse gedeelte van het lied in de oorspronkelijke taal te zingen als zij Marieke in haar repertoire opneemt. Dédain voor het Nederlands had hij dus zeker niet, wel voor het «koeterwaals» dat daar in Vlaanderen van gemaakt werd. Hetgeen niet mag verhinderen dat er in Vlaanderen een ware volksopstand uitbreekt als Brel met het spotlied La… La… La zowel de flaminganten als het Belgische koningshuis dodelijk beledigt, ongeacht het feit dat koning Boudewijn tot zijn vaste schare fans behoort. Wederom wil Brel van geen wijken weten: «Als ik in mijn chansons een fout standpunt verdedig, is dat toch verkieslijker dan opportuun de andere kant op te kijken? Is het niet voorbeeldig dat ik als bekende persoonlijkheid kleur beken? Is het niet de hoogste tijd dat het dommelende vee nu en dan wakker wordt geschopt? In België durft men alleen verscholen in de massa voor een mening uit te komen, ik ken geen individuen die hun delicate opvattingen uitspreken of opschrijven. Welke Waalse of Vlaamse socialist durft aan te klagen dat onze socialistische minister van Buitenlandse Zaken Paul-Henri Spaak een miljoen Belgische frank per maand opstrijkt voor zijn aan de Amerikaans-financiële lobby bewezen diensten? In het door de Vlamingen gewraakte lied maak ik korte metten met de monarchie. Het is ondenkbaar dat wij anno 1966 nog een sliert koningen, prinsessen, prinsen plus hun hele hofhouding onderhouden. In Holland ageert men tegen het koningshuis, in België herkauwt het vee en dommelt door.»

In datzelfde jaar, op het hoogtepunt van zijn roem, kondigt Brel tot verbijstering van vriend en vijand aan dat hij stopt met optreden. In 1968 vlamt hij nog één keer op het podium in de van origine Amerikaanse musical Don Quichot, een rol die hem op het lijf is geschreven. Daarna houdt hij het podium definitief voor gezien. Brel behaalt zijn vliegbrevet, koopt een zeewaardig jacht, en vertrekt uiteindelijk met zijn minnares Madly Bami, een actrice uit Guadeloupe, met de boot naar de Markiezen-eilanden in de Stille Zuidzee, waar hij zich vestigt op het eiland Hiva Oa, de vroegere woonplaats van de schilder Paul Gauguin. In 1977, kort nadat een door kanker aangevreten long bij hem is verwijderd, komt Brel met zijn muzikale testament, het onvergetelijk mooie album B.R.E.L. Nog altijd blijkt de Vlaamse cultuur- en taalstrijd hem in de Stille Zuidzee te hebben gepreoccupeerd, getuige het als «chanson comique» aangekondigde Les F., een fel spotlied tegen de flaminganten, met de regel: «Messieurs les Flamingants, je vous emmerde». In het lied stelt Brel onder meer dat hij zich zo schaamt voor zijn patriottische landgenoten dat hij in China, gevraagd waar hij vandaan komt, met een van spijt vertrokken gelaat uitbrengt: «Ik ben van Luxembourg.» Over de politieke biotoop van het Vlaamse nationalisme laat Brel in het lied geen misverstand bestaan: «Nazis durant les guerres et catholiques entre elles», nazi gedurende de oorlogen en katholiek daartussen. Zelfs Brel-fan Johan Anthierens heeft het er moeilijk mee, getuige een recensie in het weekblad Knack: «Les Flamingants is een artistieke drol, het ontsiert de schijf waarop Brel met Jaurès, La ville s’endormait en Orly zijn zingende tijdgenoten overklast.»

Dat Brel in zijn afscheid van zijn publiek er toch voor koos de Vlaamse nationalisten nog één keer voor het hoofd te stoten, zegt iets over de intensiteit waarmee hij de Belgische taalstrijd heeft beleefd. Die strijd woedde in hemzelf, was een motor van zijn onvolprezen dichterschap. Een deel van de Vlamingen heeft hem dat nooit vergeven. Toen Johan Anthierens twintig jaar na de dood van Brel, in 1998, een initiatief lanceerde om de zanger te eren met een beeldje van Marieke in Brugge, ging dat met grote polemieken gepaard. Er werden zelfs dreigementen geuit dat het monument per bom ongedaan zou worden gemaakt. De door Anthierens bepleite «grote verzoening van Vlaanderen met zijn weerbarstige zoon» bleef vooralsnog uit. Nu, in het 25ste sterfjaar van Jacques Brel, een jaar nadat zijn biograaf Johan Anthierens ook al is verscheiden, komt er een nieuwe kans op normalisering van de betrekkingen. Het Vlaams Blok van Filip Dewinter staat wederom een beproeving te wachten.

Van Brel-biograaf Mohamed el-Fers verschijnt binnenkort de vijfde vermeerderde en geheel herziene druk van de biografie Brel bij uitgeverij Mets & Schilt te Amsterdam. Van wijlen Johan Anthierens verscheen in 1998 het boek Jacques Brel, de passie en de pijn (uitgeverij L.J. Veen)