Dans: Van Manen, Forsythe, Arquès

Vlammenspel

Ze beweren het allemaal, Van Manen, Forsythe en Arquès: choreografie gaat over abstractie, over het dansen zelf. Dat blijkt niet uit hun drie choreografieën zelf, nu uitgevoerd door Het Nationale Ballet.

Kleines Requiem, Hans van Manen © foto’s Hans Gerritsen

‘Drie generaties, drie premières’, is het motto van Van Manen, Forsythe, Arquès. Dat van die premières is relatief: drie bestaande dansstukken worden nu door Het Nationale Ballet uitgevoerd. Maar de choreografen kun je in een tijdlijn plaatsen. Hans van Manen was al twintig jaar op dreef en huischoreograaf bij het Nederlands Danstheater toen het Amerikaanse talent William Forsythe daar in 1979 voor het eerst een dansstuk kwam maken. Zijn sensationele balletverhipping begon mede bij Van Manens dansers. Het werk van beide grootheden staat op het repertoire van Het Nationale Ballet. Daar was de Spanjaard Juanjo Arqués opgeklommen tot tweede solist, voordat hij zeven jaar geleden voltijds ging choreograferen. Arqués noemt Van Manen en Forsythe, die allebei een eigen draai gaven aan de academische ballettechniek, zijn inspiratoren.

Toch is de volgorde van de dansstukken in het Holland Festival-programma, waar een lekker grote bezetting voor aanrukt plus livemuziek van Het Balletorkest, niet chronologisch. De line-up Forsythe, Van Manen, Arquès neemt het publiek mee in een inhoudelijk verloop over het begrip abstractie. Dat zeggen de choreografen alle drie na te streven. ‘Het gaat vooral over dansers die dansen’, zegt William Forsythe over Pas/Parts 2018. ‘Het is een abstract ballet’, zegt Juanjo Arquès over Ignite. En Hans van Manen zegt over ál zijn balletten dat dans niets anders uitdrukt dan dans. Daar valt bij ál zijn werk over te twisten, en bij Kleines Requiem zeker.

Van Manen maakte dit majestueuze dansstuk in 1996 voor het Nederlands Danstheater. Centraal erin staat het duet. Maar de choreograaf ondergraaft de traditionele sekseverhouding uit het klassieke ballet, en geeft er een brutale, alternatieve wending aan. Vergeet het cliché van etherische nimfen die dankzij dienstbare mansfiguren boven het podium zweven. Hier is het duet een broeierige krachtmeting van partners die met een roofdierachtige traagheid om elkaar heen draaien. In de armen van de mannen zorgen de vrouwen merkbaar voor gewicht. Ze zetten zich schrap als ze zich laten verplaatsen, wijdbeens met hun (spitzenloze) voeten plat op de grond. Lenig maar zwaar buigen ze achterover of strekken zich loom uit richting vloer, zodat de mannelijke partners al hun spierkracht moeten inzetten om teder ondersteuning te geven. De vrouwen, gekleed in hooggesloten catsuits, zijn doelgericht en initiatiefrijk. De mannen, met alleen een maillot aan, maken hun blote basten breed, maar zwoegen aandoenlijk om aan hun rol van beschermende drager te beantwoorden.

Uitdagend in Kleines Requiem zijn de vele, vanzelfsprekende partnerwisselingen. De voorbestemdheid van twee geliefden uit het romantische ballet heeft plaatsgemaakt voor rusteloze, inwisselbare dates van zeven individuen. Bewust koos Van Manen voor een onevenredige verdeling: drie vrouwen en vier mannen. Vormen zich halverwege het stuk ineens drie paren, dan cirkelt de overgebleven vierde man rondom de stelletjes. Hij zette in het begin van de meeslepend opgebouwde choreografie, als de dansers rennend oversteken vanuit de glinsterende coulissen van vormgever Keso Dekker, de vertelling in gang met een vertraagde loop. Hij zal eindigen in de armen van een man, in het laatste duet, dat een grootse liefde oproept. De titel verwijst naar de muziek die Van Manen nauwgezet volgt: Kleines Requiem für eine Polka, een compositie vol wisselende tempi die Henryk Górecki in 1993 schreef voor het Schönberg Ensemble en hier door Het Balletorkest wordt uitgevoerd. Het mannenduet vindt plaats in een adembenemend verstild gedeelte, met het luiden van verre klokken tussen ijle, aangehouden tonen.

Het enige onderdeel van Van Manens ruim twintig jaar oude choreografie dat ouderwets aandoet, zijn de mechanische poppenbewegingen die hij de zeven dansers laat doen op de vette polka waar Górecki zijn compositie grof mee doorsnijdt. Dit vertoon van collectieve ontzieling hebben we niet nodig om te begrijpen hoe de zeven figuren ingeperkt worden door het korset van traditionele verhoudingen waar elke samenleving zich mee denkt te stutten. De rest van het dansstuk vertelt al voldoende: het verlangen naar seksuele vrijheid en gelijkwaardigheid spreekt uit elke geladen beweging en elke blikwisseling tussen de zeven sterke individuen. En dat zijn de dansers van Het Nationale Ballet. Abstract is het dansstuk in de zin dat er geen concrete situatie of anekdote is en er geen emoties worden uitgespeeld. Alles wordt gekerfd in lichaamshoudingen, blikrichtingen, ruimtelijke posities. En in het contrast tussen de trotse, sexy elegantie waarmee Van Manen de academische techniek laat schitteren, de hoekige poses die hij eraan toevoegt en de momenten van moedeloos bouncen met ronde rug en afhangende armen.

Het Nationale Ballet, Pas/Parts, William Forsythe © foto’s Hans Gerritsen
Opwindend is het brutale zelfbewustzijn waarmee de dansers de vloer betreden

Voor Juanjo Arquès houdt abstractie juist in dat de individuele dansers opgaan in een totaalbeeld. Ignite is zijn vertaling van een schilderij: The Burning of the Houses of Lords and Commons van William Turner over de verwoestende brand die de schilder in 1834 zelf vanaf de overkant van de Londense Theems aanschouwde. 24 dansers treden aan in het groepsstuk. Indrukwekkend is hun verbeelding van oplaaiende vlammen, in non-stop wervelingen die de groep doen uitdijen en inkrimpen. Essentieel in dit vlammenspel zijn de wapperende blouses van decor- en kostuumontwerpster Tatyana van Walsum in de verglijdende kleuren van Turners olieverf: van lichtgeel via oranje naar verzengend dieprood. Een donkere achterwand met uitsparingen maakt het mogelijk dat de vuurdansers vanuit het niets verschijnen en daar ook weer in verdwijnen.

De groepsdynamiek is duizelingwekkend, en doet je bij vlagen vergeten dat je naar mensen kijkt. Onder de kleurrijke blouses dragen de dansers een tenue in lichtblauwe tinten: het water en de lucht van het schilderij. Ontdoen ze zich van het wappergewaad, dan brengen de dansers verkoeling in het beeld. Prachtig is het laatste deel, als één danseres lang met haar rug naar het publiek het vlammentafereel bekijkt, totdat ook zij opgaat in het koele blauw van de groep die front zaal het uitdoven van de brand markeert. Mooi is ook het inzetten van de etherische ballerina als omineuze aankondiger van rampspoed: trippelend op spitzen, het hoofd opzij geknikt en één arm dramatisch uitgestrekt. Bij het creëren van Ignite in 2018 bij het Royal Ballet van Birmingham werkte Arquès nauw samen met componiste Kate Whitley, en haar grote orkeststuk valt zo samen met de choreografie dat de beweging en muziek elkaar verhelderen. Maar de choreograaf wil te veel. Een wand met spiegels die tijdens het dansstuk wordt bewogen, leidt af in plaats van iets toe te voegen aan het beeld. En naast het groepstafereel zijn er afzonderlijke rollen die Sky, River en Fire heten, en een drietal dat wordt aangeduid als Ignition (ontsteking). Het bewegingsmateriaal geeft deze personages zo weinig contouren dat je niet begrijpt wat zij betekenen voor het geheel.

Ignite, Juanjo Arquės © foto’s Hans Gerritsen

Van vage bedoelerigheid heb je bij Pas/Parts 2018 geen last. Dit stuk gaat inderdaad over dansers die dansen. In een roomwitte, lege doos treden ze aan. Vanuit de vier hoeken komen ze op, richting het midden waar ze in solo’s, duetten, trio’s en een enkel groepsfragment hun kunsten demonstreren. Het is alsof Forsythe hun fysieke mogelijkheden maximaal uitbuit, door aan de elementaire passen en poses van academische techniek een extra verwringing toe te voegen: opzij knakkende heupen, een torso dat een andere richting op gaat dan de benen. De negen vrouwen zijn de blikvangers, met hun blote armen en hun met spitzen verlengde benen waarop elke spier is gedefinieerd. De zeven mannen dragen lange maillots en T-shirts. De vrouwen zijn (door Forsythe’s voormalige sterdanser Stephen Galloway) gekleed in sportieve tweekleurige badpakjes. Dit versterkt het speelse aanzien van de dansdemonstratie, en als die even stilvalt in een symmetrische frontale groepsformatie doet het denken aan een showballet, waar Forsythe’s leermeester Balanchine ook dol op was. Kenmerkend voor Forsythe zijn de plotselinge lichtwisselingen waar de choreograaf zelf zijn dansstukken mee oppimpt. Die brengen spanning aan en zijn tegelijk pure suggestie. Het is een spel dat de choreograaf altijd met veel plezier speelt: het aanbieden van een ordening die eigenlijk een exponent is van een grillige willekeur. De elektronische soundscape van Forsythe-componist Thom Willems vol knallen, ondermaans gerommel, vervormd gefluister en ritmische flarden, noemt de choreograaf in een interview structuurloos. ‘Het is aan mij om te doen alsof er wél structuur in zit.’ Dat doet Forsythe met een keur aan balletcitaten: een stukje chachacha van Petipa, een trio uit Balanchines Agon. Het weerbarstige eindresultaat brengt niet iedere toeschouwer in extase: het applaus na Van Manen was beduidend enthousiaster. Maar dat bewijst ook wat een dwarse choreograaf William Forsythe nog steeds is.

Pas/Parts 2018 is een herziening van een dansstuk dat Forsythe in 1999 creëerde voor het Ballet van de Parijse Opera. Nadat hij decennialang met toevoegingen als decorstukken, video en tekst heeft gewerkt, is Forsythe naar eigen zeggen weer teruggekeerd bij de pure dans uit zijn beginperiode. Toen dit vroege werk vorig jaar opnieuw werd ingestudeerd bij het Boston Ballet, kwam de meester er zelf nog even aan knutselen. In twee weken veranderde hij driekwart van de choreografie, in samenwerking met het gezelschap aldaar.

Het past bij de democratisering van het hiërarchische ballet die Forsythe voorstaat: iedere danser krijgt van hem de mogelijkheid om op zijn eigen manier te schitteren. Het is jammer dat hij dat niet bij Het Nationale Ballet is komen doen, want vooral bij de mannen is merkbaar dat niet elke solo op het lijf van de danser is geschreven. Want net als bij Van Manen gaat het bij Forsythe over het tonen van persoonlijkheid. Opwindend is het brutale zelfbewustzijn waarmee de dansers de vloer betreden. Het schijnbaar zelfgekozen moment waarop ze een frase inzetten. Het lef waarmee het publiek recht wordt aangekeken. Het bruuske stoppen en wegbenen. Het gaat over dansplezier, over het fysiek genot van de elegante extensie en de cartooneske verwringing. Over op en top aanwezig zijn in het moment. En dat is weer totaal niet abstract.


Van Manen, Forsythe, Arquès, nog te zien t/m 30 juni in de Nationale Opera &Ballet in Amsterdam, operaballet.nl en hollandfestival.nl