Vlechten

De gelukwensknipoog van John Chamberlain, de grote versie, is gemaakt naar een klein gedraaid figuurtje van aluminiumfolie. We zien dat het ding handgemaakt is – een warme sculptuur.

Doorgaans zijn de sculpturen van John Chamberlain in elkaar gezet met verbogen, geknakte, gescheurde fragmenten (flarden, scherven) van autocarrosserieën – materiaal dat van de sloop kwam. Het maken ging met eindeloos passen en meten en hier en daar duwen – de gestalte van zo’n werk groeit dan door de (tussen)ruimtes die de grillige flarden elkaar in het ensemble overlaten. De stukken hebben de harde kleur van autolak. Het kon gebeuren dat door het buigen en knakken de lak gebroken was en beschadigd. Dat werd meestal zo gelaten. Het was altijd het beste om het materiaal rauw te gebruiken.

Chamberlain was een goede vriend van Donald Judd. Natuurlijk zijn ze zeer verschillend maar er zijn sterke overeenkomsten wat betreft de concreetheid van hun werk. De specific objects van Judd zijn, kort samengevat, uitgemeten rechthoekige constructies van precieze vlakken die, als bekend, ruimtelijke vormen worden – vooral ook binnenruimtes. Ze zijn strak van kleur, zo hard en abstract mogelijk. Als iets blauw is heeft hij elke herinnering aan bijvoorbeeld het blauw van de nacht meedogenloos onderdrukt. Dat wil zeggen: atmosferische suggesties worden weggewist door de hardheid van de abstracte vormen die de kleuren dragen en articuleren. Daarmee vergeleken zijn de dingen van Chamberlain impulsief en rommelig. Ze zijn ook rauw en hardhandig in elkaar gelast. De werken van Judd werden veel zorgvuldiger gefabriceerd. Maar dat zijn te verwaarlozen verschillen. De verwantschap zit in hun nietsontziende concreetheid. Ze zijn wat ze zijn, stellen niet iets anders voor. De gekleurde flarden autometaal die hij gebruikt zijn in wezen net zo abstract als de panelen van Judds werken – het zijn alleen geen rechthoekige vormen. Eigenlijk gelden alleen die als abstract. Denk je hier verder over na, en zie je Chamberlain naast Judd, dan begint het te dagen hoe grof en daarom verwarrend (in de kunst) zulke nevenschikkingen als abstract/figuratief zijn. Vaak gaat het alleen om andere intenties of voorkeuren, zoals of je meer van hartig of van zoet houdt. Ooit begon Chamberlain met het assembleren van in elkaar gedrukte vormen en scherpe kleuren. De vormgeving van Judds werk draaide van begin af aan om ruimtelijke overzichtelijkheid. Koppig als kunstenaars zijn hebben ze volhard in wat ze zijn begonnen. Dan krijg je, zei Chamberlain me (in Eindhoven in 1979), dat mensen gaan klagen dat je almaar hetzelfde maakt. Dat klopt ook, zeg ik dan, maar na zoveel jaren kan ik het steeds beter.

Na al die jaren komen ook variaties. Eind jaren tachtig was hij al begonnen tussen zijn vingers kleine vormen te rollen van aluminium­folie – glimmend, knisperend spul dat in de keuken gebruikt wordt. Hij vertelde ook dat hij ze bij het ontbijt maakte, van resten van verpakkingen. Door het almaar tussen de vingers te draaien, kreeg je getordeerde slierten folie. Zulke draden kon je om elkaar vlechten en dan buigen en verknopen. We hebben dat allemaal wel eens gedaan, maar achteloos en zonder erbij na te denken. Ze konden ook zittend gemaakt worden. Als echter een kunstenaar zulke figuren maakt, doelloos als ornamenten, worden ze een nieuwe vertakking in zijn oeuvre. In de tweede helft van de jaren zestig, bijvoorbeeld, begon Chamberlain bizar uitstulpende plastieken te maken die je krijgt als je volumes van zacht schuimrubber met touw gaat samensnoeren. Hij was toen al weer een goede vijf jaar bezig met die werken van stukken carrosserie. Toen werkten die vreemd en dwars. Andy Warhol maakte die jaren zijn iconische versies van Marilyn Monroe in verschillende kleuren. Ik kan me voorstellen dat Chamberlain, wie weet eerst uit spielerei, ook wel weer eens iets anders wilde maken – iets anders maar wel binnen het eigen idioom. Op die manier zijn ook die gedraaide dingen van folie ontstaan. Het lijkt me niet dat je die kunt uitdenken. Ze ontstaan bijna terloops uit het gefrunnik met je vingers, zeker als je, wat Chamberlains hele werk laat zien, nogal onrustig van karakter bent.

Toen bleken uit die flexibele manier van doen vormen te voorschijn te komen van een mooie, slangenachtige lenigheid, zeker als je ze vergelijkt met de hoekige, kantige en abrupte samenstelling der delen in de gewone beelden. Kijk naar Wishingwellwink, hier de grote versie gemaakt naar een klein gedraaid foliefiguurtje in de fameuze werkplaats van Ernest Mourmans in Lanaken waar Chamberlain de laatste jaren veel gewerkt heeft. Het is niet zomaar een vergroting. Op basis van het kleine ding is er een roestvrijstalen staketsel gemaakt. Vervolgens is dat bedekt met een wat zwaarder, bestendig gekleurd aluminium. De grote versie, meer dan drie meter breed, is kloek omdat het geraamte strak omwikkeld is met een zwaarder folie. Daardoor zijn ook de kreukels in de oppervlakte (het eigenlijke handschrift) wat forser. De handgemaakte modellen zijn eerder frêle. Maar wat dan in de vergroting echt robuust werd, is de stevige schwung van de beelden. De energie in deze beelden was in het rijke oeuvre van Chamberlain een nieuwe verrijking. De titel is trouwens net zo’n vervlechting maar dan in taal: gelukwensknipoog. Ook in de vergroting zie je in de vreemde vervlochtenheid nog steeds dat het ding handgemaakt is en handgevoeld. Het zijn warme sculpturen die mooi bloeien.


PS In het kader van beeldenroute ArtZuid staan tot 22 september vier aluminiumbeelden van Chamberlain in de vijver voor het Rijksmuseum