Nieuwe armoede #5: De voedselbank

Vlees noch vis

Een week meedraaien bij de voedselbank in Amsterdam-West geeft Emma Brunt niet alleen inzicht in de nogal treurige samenstelling van de pakketten. Ze leert ook medewerkers en klanten kennen. Die zak andijvie? ‘Daar kan ik niets mee.’

Medium groene live2

‘Zijn er nog kerststollen?’ roept een vrijwilliger die kratjes staat te vullen voor de voedselbank naar een collega, die een eind verderop in de gigantische voedselhal tussen een stapel dozen aan het rommelen is. ‘De Chinese kruiden zijn hier trouwens ook op, staan die nog ergens?’

Elke woensdagochtend om half tien beginnen de vrijwilligers de dag met een bekertje koffie aan de picknicktafels die op het inpandige terras voor de bedrijfskantine staan. In dikke truien en winterjassen, want het is steenkoud in deze opslagruimte. Het zijn er meestal een stuk of acht, maar vandaag zijn er een paar ziekmeldingen, dus we zullen de klus moeten klaren met z’n zessen. Na de koffie begeven we ons naar een ruimte die gedomineerd wordt door een soort lopende band, bestaande uit ijzeren klossen waar je de kratjes met een flinke duw met donderend lawaai overheen kunt jagen. Aan weerskanten staan de voorraadrekken, waar onze ploeg de levensmiddelen uit moet pakken die we over de kratjes gaan verdelen. Voor elke partij is een inhoudsopgave voorhanden.

Onze ploegbaas is Jeroen, een voormalige manager uit de textielbranche die een andere baan zoekt sinds hij in zijn vorige hectische werkkring een burn-out opliep. Hij is degene die met tape de bewuste lijstjes op een stellage plakt en het overzicht probeert te bewaren. Ik ben nieuw, maar ik heb al snel in de gaten hoe het werkt.

Eerst werp je een blik op de lijst, vervolgens kijk je welke etenswaren door de mensen links en rechts van je worden weggegrist, om doublures te voorkomen. Ik ben de oudste in dit gezelschap en voel me uit dien hoofde niet al te schuldig als ik de items uitkies die niet zwaar zijn: het pak ‘theeleutjes’ bijvoorbeeld, dat weegt niks, of de zakjes ‘Chinese kruiden’ (twee stuks per kratje), want die wegen nog minder. Aan de fitte twintigers en dertigers in ons ploegje laat ik de ingeblikte spullen over.

Aan het eind van elke ronde moet iemand het lijstje hardop voorlezen, zodat we kunnen checken of alles er ook echt in zit. Een buitengewoon bevredigend karweitje, dat ik weer wel graag voor mijn rekening neem. Zo hebben ze toch nog wat aan me.

‘Eén blik kapucijners’, kondig ik met luide stem af. ‘Eén blik ananas zonder etiket. Eén pak tomatensoep. Tweemaal Chinese kruiden. Een pot knakworsten. Een half brood. Koekgoed. Een fles Bertolli-bakolie. Een plastic horloge van de Action. Een insteekmapje van Albert Heijn. Een kerststol. Een pak theeleutjes. En ook nog tweemaal Diversen.’ Dat laatste kan van alles betekenen, van een kleurblok voor kleuters tot een liefdesromannetje voor hun moeder.

Er wordt instemmend gebromd, alles klopt, en vervolgens worden de kratjes van de lopende band getild en afgevoerd. Dan is de volgende partij aan de beurt, we houden de vaart erin.

Intussen rijzen er bij mij nogal wat vragen, want mijn culinaire fantasie laat me in de steek bij de aanblik van dit curieuze allegaartje. Welke maaltijden zou de gelukkige ontvanger met behulp van deze ingrediënten voor zichzelf kunnen bereiden? Gegrilde knakworst op een bedje van kapucijnerpuree? Gevolgd door een toetje van opgewarmde ananas met een crumble van geplette theeleutjes? Geen opwekkend vooruitzicht, en bovendien ben je dan toch nog maar één avond onder de pannen. Moet je het de rest van de week soms doen met een dikke plak kerststol die je eerst in de Bertolli-bakolie hebt gedoopt?

‘Tja’, zegt Jeroen desgevraagd, ‘dit zijn echt wel goeie kistjes hoor. We hebben wel weken dat er minder in zit. Bovendien komt er morgen ook nog wat groente en fruit bij, op de negentien uitgiftepunten die Amsterdam rijk is, want de verse spullen laten we uiteraard zo lang mogelijk in de koelcel liggen. Maar de inhoud van zo’n kratje is inderdaad niet genoeg om een hele week van te kunnen leven. Je moet het meer zien als een aanvulling.’

Iedereen in Nederland is onderhand vertrouwd geraakt met het begrip voedselbank, bedoeld ter ondersteuning van de allerarmsten, wat sowieso al een eigenaardig fenomeen is in een van de rijkste landen op het westelijk halfrond, maar je hoort eigenlijk nooit wat zo’n voedselbank precies te bieden heeft, en aan wie.

Tot voor kort had ik daar in ieder geval geen helder beeld van. Als ik er al over nadacht nam ik aan dat de voedselbank – niet al te bekrompen – voorzag in de eerste levensbehoeften van mensen die niet genoeg geld hebben om hun wekelijkse boodschappen te doen bij een gewone supermarkt. En dat klonk weliswaar exotisch, als iets wat meer thuis hoort in een rampgebied in Azië dan in een Amsterdams buurthuis op de Admiraal de Ruijterweg, maar het begrip had ook iets geruststellends. Kennelijk waren allerhande instanties druk doende om ervoor te zorgen dat niemand honger hoeft te lijden in dit land, dat bij buitenlandse bezoekers immers bekendstaat om zijn eersteklas stamboekvee, zijn roomboter en zijn Goudse kaas. Wij Hollanders waren toch bij uitstek degenen die altijd voedselhulp stuurden als ergens ter wereld een oogst was mislukt of een tornado had gewoed? Ik nam aan dat onze eigen minima er niet bekaaider afkwamen.

Mijn voorstelling van de voedselbank was dan ook gebaseerd op de manier waarop de meeste mensen hun normale wekelijkse boodschappen doen, aan de hand van een lijstje waar ze op hebben geschreven wat ze voor een bepaald recept nodig denken te hebben. Dat kan een simpel recept zijn, maar wel ‘gezond’ natuurlijk, want dat spreekt tegenwoordig vanzelf. De vraag is al lang niet meer of we wel brood op de plank hebben, maar of dat brood wellicht de gevreesde gluten bevat, en zo ja, of we dan niet beter kunnen ontbijten met een sneetje bruin van spelt.

Oké, nu overdrijf ik een beetje, niet iedereen is een health freak die zijn ingebeelde kwalen bestrijdt door quinoa te eten in plaats van pasta, maar de teneur is duidelijk: de Nederlandse consument wordt van alle kanten aangemoedigd om ‘bewust’ te kiezen en nauwkeurig te controleren wat er in zijn voedsel zit. >

De vaste klanten hebben zin in een kletspraatje en een bekertje koffie met een koekje: vooral de tarwekoekjes vinden aftrek

Je hoeft de tv maar aan te zetten om daarvan doordrongen te raken. Als je niet op een nuffig kookprogramma stuit waarin de meest excentrieke ingrediënten nog maar net goed genoeg blijken te zijn voor de ambitieuze hobbykok die naar de Masterchef-status streeft, word je wel gewaarschuwd voor de levensbedreigende gevaren van junkfood, verzadigde vetzuren en overgewicht. Obesitas geldt inmiddels als volksvijand nummer één.

Kerngezonde maaltijden, met veel verse, lokale groenten ‘van het seizoen’, als het even kan uit eigen moestuin, lijken onderhand in de westerse wereld wel een soort mensenrecht geworden te zijn. Jamie Oliver onderneemt zelfs een ware kruistocht om de Britse bevolking te redden van de vette chips en gefrituurde kroketten die ze in hun bedrijfs- en schoolkantines opgediend krijgen, en probeert ze fanatiek aan de rucola en de paprika’s te krijgen.

Maar voor arme mensen gelden kennelijk heel andere wetten en voorschriften, want op dat soort noties is de inhoud van de kratjes waarmee de voedselbank wordt bevoorraad in het geheel niet gebaseerd. Wat daarin terechtkomt is namelijk het volslagen lukrake overschot dat grote voedselketens als Deen, Dirk van den Broek en Albert Heijn die week toevallig kunnen en willen doneren, bijvoorbeeld omdat ze een enorme berg spruitjes hebben liggen die al een beetje beginnen te verdrogen, of omdat hun appeltaarten over de datum zijn. Geen doorsnee thuiskok, hoe inventief ook, die met zo’n aanbod iets kan. En hoe het cholesterolgehalte van de vaste klanten zich ontwikkelt, is kennelijk geen overweging die de organisatoren erg bezighoudt.

Hele voedselgroepen ontbreken in die survivalpakketten, constateer ik andermaal als ik een avond ga meehelpen bij het uitgiftepunt in De Baarsjes, een volksbuurt in Amsterdam-Oud-West die nogal wat autochtone bejaarden en islamitische migranten herbergt, maar ook in trek begint te raken bij studenten en jonge gezinnen die op zoek zijn naar een betaalbare starterswoning. Wat ik bijvoorbeeld mis zijn de zuivelproducten: boter, kaas, melk en eieren. Vlees en vis zitten er ook niet bij. Geen sinaasappels en citroenen voor de vitamine C, en ook geen pasta, rijst of bloem.

Maar er is… groente! In overvloed zelfs, want als ik kom aanlopen zie ik van verre al dat er grote dozen met verse etenswaar uit de bestelbusjes worden geladen die bij de ingang van het buurthuis staan geparkeerd. En als ik de ruimte betreed waar op tafels en op de grond de kratjes worden opgesteld, blijken de vrijwilligers van vandaag in hoog tempo spruitjes en sperziebonen in porties aan het verdelen te zijn. Kleine zakjes voor de eenpersoonskratjes en tamelijk royale hoeveelheden voor de gezinskratten. Andijvie is er trouwens ook, en stronkjes witlof.

Al dat bukken en heen en weer lopen met volgestouwde dozen is behoorlijk zwaar, mijn rug begint uit protest te kraken. Na een paar rondjes besluit ik dan ook mijn heil te zoeken bij een groepje van drie gehoofddoekte, piepjonge moslimaatjes, die er op hun gemak bij zijn gaan zitten terwijl ze de beschimmelde exemplaren uit een berg tomaten ziften en de rest in porties van drie in zakjes stoppen. Een bezigheid die kennelijk erg op hun lachspieren werkt, want er wordt heel wat afgegiecheld. Ze vertellen dat ze leerlingen zijn van Het Amsterdams Lyceum en dat ze hier drie maanden lang een stage moeten lopen, waar ze vervolgens een verslag over moeten schrijven. Ze wonen zelf ook in deze buurt, maar die ervaren ze niet als uitgesproken armoedig: ‘Levendig juist, met al die winkeltjes en zo.’

Ze raken pas echt geïnteresseerd in het gesprek als ik onthul wat ik doe voor de kost. Een journalist, die ook van plan is om iets te schrijven over de voedselbank? Dan weet ik zeker wel hoe ze straks hun verslag moeten opbouwen. Ik suggereer dat het altijd goed is om met de deur in huis te vallen: met een gebeurtenis of een pakkende dialoog. De jongste van veertien zegt dromerig: ‘Dus ik zou zo kunnen beginnen: buiten dit gebouw verzamelen zich elke week honderden mensen die nauwelijks iets te eten hebben…’ – haar grote donkere ogen raken een beetje omfloerst. Zoiets ja, mompel ik.

Ik wijk uit naar de tafel met thermosflessen, waar het inmiddels een gezellige boel is geworden. De vaste klanten zijn gearriveerd en laden de inhoud van de kratjes geroutineerd in stevige plastic tassen, en als ze daarmee klaar zijn hebben ze wel zin in een kletspraatje en een bekertje koffie met een koekje: vooral de tarwekoekjes vinden aftrek, daar wordt bijkans om gevochten.

Eindelijk heb ik even tijd om de clientèle te monsteren: veel middelbare mannen in trainingsbroek, een vaal jack en een dikke sjaal, en vrouwen van uiteenlopende leeftijden met een wollen muts en plompe winterlaarzen. Of met een hoofddoek natuurlijk, want ik schat dat ongeveer de helft van de bezoekers moslim is. Naast mij aan tafel zit een tenger meisje met kortgeknipt haar – later blijkt dat ze al 42 is – dat zich voortbeweegt in een rolstoel. Zij is ook vrijwilligster en komt hier bijna elke week.

Een paar dagen later zoek ik haar thuis op om daar wat nader op in te gaan. Ze doet zelf open, want ze kan nog lopen en voor haar eigen huishouden zorgen, ondanks het feit dat ze drievoudig gehandicapt is: ze is spastisch, heeft diabetes en is manisch depressief.

‘Het is bevredigend’, zegt ze, ‘om wat voor anderen te doen en ook gewoon leuk om in aanraking te komen met mensen aan de andere kant van de maatschappij. Bij de voedselbank kom je van alles tegen, mensen met heel verschillende culturele en sociale achtergronden. Dat is mooi, daar leer ik van. Ik vind het heel erg dat arme mensen in een rijk land als het onze zo op kosten worden gejaagd, door de hoge huren en de ziektekostenpremies. Aan de andere kant vind ik wel dat iedereen zijn eigen verantwoordelijkheid moet nemen, maar dat is moeilijk, want niemand weet op dit moment of hij morgen zijn baan nog heeft.’

Zelf kan ze zich prima redden met haar arbeidsongeschiktheidsuitkering. ‘Luxe zegt me niet zo veel. Het allerbelangrijkst vind ik dat ik een dak boven mijn hoofd heb. Ik ben ook heel creatief met eten, van niets kan ik nog een lekkere maaltijd maken, dus als ik boodschappen doe haal ik er meestal een paar extra dingen bij voor de voedselbank, dat kan er best af. Een paar potten jam bijvoorbeeld. Natuurlijk is eten hartstikke belangrijk, maar als ik die tv-programma’s zie waarin heel bijzonder en duur wordt gekookt, denk ik vaak dat mensen zich te veel laten beïnvloeden door wat een ander doet.

Ik schrijf gedichten voor de buurtkrant en ik geniet van de contacten die ik opdoe in mijn eigen omgeving. De voedselbank is ook wat dat betreft heel nuttig, die haalt mensen uit hun sociale isolement. Ook met kleine dingen kun je veel goeds doen, een leuk kaartje bij een buurvrouw in de bus doen, of wat boeken weggeven als je je boekenkast hebt uitgemest. Ik besef dat geld het leven wel gemakkelijker maakt, maar als je er niet creatief mee omgaat, maakt geld je niet gelukkig. Gebrek aan creativiteit, dat is pas echte armoede! Ik voel me altijd rijk van binnen. Rijk in mijn hart. Als ik die creativiteit bij anderen zie, gaat voor mij de zon op.’

Spaghetti met worstjesvlees voor 0,95 euro per persoon. Te combineren met hartige paardenbloemsla, voor 0,40 euro

Ik heb die dag nog een afspraak met een trouwe bezoekster van het uitgiftepunt in De Baarsjes, Evelien van den Hoek (67), die daar veel spullen vandaan haalt. Niet voor zichzelf, want daarvoor heeft ze nét iets te veel boodschappengeld te besteden – geen 40 maar 45 euro per week – maar wel voor haar ex, met wie ze weer in één huis is gaan wonen toen hij invalide werd en verzorging nodig had.

Als ik aanbel zit ze achter de computer in haar piepkleine keukentje en bestudeert een recept voor biefstuk met olijvensalade op de website van Albert Heijn. ‘Zo doe ik het altijd’, legt ze uit. ‘Ik tik op Google een van de ingrediënten in die ik in mijn kratje had, en dan kijk ik wat je daarmee kunt beginnen. Drie preien had ik van de week, en daar heb ik wat aardappelen en een rookworstje bij gehaald, om er aardappel-preisoep van te maken. En van de zak andijvie die erbij zat kan ik ook een leuk stamppotje maken. Kijk, de biefstuk in dit AH-recept kan ik natuurlijk vergeten, die is me te prijzig, maar deze olijvensalade spreekt me erg aan. Misschien maak ik die nog wel eens.’

Bij de voedselbank had ze een poosje geleden nog een kookboek gevonden, op een stapeltje bij de ingang, Aan de keukentafel van Sandra Ysbrandy. Evelien houdt wel degelijk van koken en nieuwe gerechten uitproberen. ‘Maar ja’, verzucht ze, ‘als je ziet wat je voor de recepten die zij opgeeft allemaal moet halen! Dat is voor iemand met mijn budget gewoon niet te doen.’

Evelien is zelf ook nog een jaar of drie klant geweest bij de voedselbank, maar toen zich daar meer en meer mensen gingen aanmelden werd het toelatingsbeleid strenger en voldeed ze niet meer aan de norm. ‘Erg diep heb ik daar toen niet om getreurd’, zegt ze met een scheef ironisch lachje, ‘want vlees was er toch al bijna nooit bij, tenzij het zo’n pakje voorgebakken hamburgers was, en die kwamen op den duur mijn neus uit. Dan haal ik liever een pond gehakt van mijn eigen geld, want lekker eten is eigenlijk het enige wat je nog hebt. Gelukkig geef ik de laatste jaren steeds minder om vlees, dus we redden het wel, de ene week wat moeizamer dan de andere. Wat ik wel jammer vind is dat de voedselbank nooit blikjes eten heeft voor huisdieren, want ik heb twee katten, Beertje en Tijger, en die poezen mogen natuurlijk niks tekortkomen. Dat staat bij mij voorop.’

De klacht dat de voedselbank zich weinig gelegen laat liggen aan de specifieke behoeften van de mensen die erop aangewezen zijn, zal ik deze week vaker horen. Van Mina Youyou (50) bijvoorbeeld, een Marokkaanse moeder van zeven kinderen die op grond van haar geloof alleen voedsel mag eten dat halal is. De voorgebakken hamburgertjes zijn dus ook aan haar niet besteed, evenmin als de stronkjes lof of de zak andijvie, want ‘daar kan ik niets mee’. Noodgedwongen heeft ze onderhand wel leren woekeren met de fantasieloze Hollandse ingrediënten in haar kratjes, maar als haar uitgebreide familie over de vloer komt verwacht die toch op z’n minst ‘echt voedsel’, zoals een tajine met lamsvlees, aubergines, kikkererwten en verse koriander.

‘Het zou fijn zijn als er ook eens wat goede kruiden bij zaten’, zegt ze, ‘iets wat beter past bij ons Marokkaanse eetpatroon, maar die zitten er nooit in. En wat ik ook erg mis is broodbeleg, met het oog op de kinderen, en een paar pakjes appelsap die ik ze kan meegeven naar school, voor tussen de middag.’

In buurthuis de Tagerijn, op het Balboaplein in De Baarsjes, zit Annet Bos (45) een paar dagen later achter een kop thee op me te wachten in de keuken die tevens fungeert als ontmoetingsruimte. Ze is de drijvende kracht achter Foor El-Qaar, een clubje actieve vrijwilligers die elkaar kennen van het buurthuis en de voedselbank. Dat heeft geresulteerd in de uitgave van De voedselbankkrant, een blaadje met praktische informatie, en het opzetten van een populaire kookcursus. Bedoeld voor buurthuisbezoekers en de klanten die elkaar wekelijks treffen op het uitgiftepunt aan de Admiraal de Ruijterweg.

Bij deze gelegenheid wordt ze geflankeerd door Piet van Diepen (56), die een leidende rol speelt in de Stichting Wikistad, een netwerk van inventieve zzp’ers die alternatieve projecten willen ontwikkelen voor het kansarme segment in de maatschappij. Niet zoals het formele ambtenarenapparaat het aanpakt, door maatregelen op te leggen van ‘bovenaf’, maar op basis van wat er bij de mensen zelf leeft. Wikistad probeert zulke initiatieven van ‘onderop’ te faciliteren, bijvoorbeeld door fondsenwerving of door aan te kloppen bij potentiële sponsors en bij de stadsdeelraden – Wikistad is niet alleen actief in De Baarsjes, maar heeft haar werkzaamheden ook al uitgebreid tot Amsterdam-Zuidoost en Noord.

‘Wat ons voor ogen staat, is een radicaal andere manier van denken over hulp en over wat een participatiesamenleving zou moeten en kunnen inhouden’, betoogt Van Diepen. ‘Want alleen kunnen de mensen het niet, maar sámen kunnen ze het misschien wel.’

Annet Bos knikt, een tikje blasé, want ze heeft dit verhaal al vele malen eerder gehoord, wat niet wegneemt dat ze het een mooi, sympathiek uitgangspunt vindt. Alleen gaat haar belangstelling vooral uit naar de praktijk, ze is niet zo van de theorie. ‘Met de kookcursus ben ik een tijdje geleden vooral begonnen omdat ik dat boekje wilde hebben’, vertelt ze als Van Diepen uitgepraat is. ‘Een heel goed kookboekje dat ik had gezien in het tv-programma Geen cent te makken van René en Natasha Froger. Het boekje heet Lekker koken onder 1,50 euro, geschreven door Lydia Tuijnman, en dat moest en zou ik in handen krijgen, maar het bleek twaalf euro te kosten! Eerst heb ik toen nog geprobeerd of ik het gratis kon krijgen voor alle klanten van de voedselbank, maar dat lukte niet. Vervolgens heb ik vijfhonderd euro aangevraagd om een kookcursus op te zetten aan de hand van de recepten die erin stonden. Die kookcursus hebben we nu al een keer of veertien gegeven, hier in de keuken van het buurthuis, en daar hebben twaalf mensen aan meegedaan. Om bekendheid te geven aan de cursus hebben we een folder gemaakt waar alles in stond, en daar is de Voedselbankkrant toen weer uit voortgekomen.’

Ze springt op en haalt het bewuste kookboek erbij. En inderdaad: ik sta versteld. Spaghetti met worstjesvlees voor 0,95 euro per persoon. Eventueel te combineren met hartige paardenbloemsla, à raison van 0,40 euro per persoon. Toe maar! En wat te denken van spruitjes met tamme kastanjes, nootmuskaat en een scheut room, een gerecht dat volgens de schrijfster slechts 0,25 euro per persoon hoeft te kosten.

Geen wonder dat die kookcursus een wild succes is geworden en dat Bos met haar kookclub inmiddels door diverse instellingen is uitgenodigd om een maaltijd te komen bereiden. Ze is al gevraagd om de catering te doen voor een studentenflat en een verpleegtehuis. Als het zo doorgaat houdt ze er misschien nog wel een betaalde baan aan over ook. Bos straalt, en Van Diepen zegt: ‘Kijk, dat bedoel ik nou. Zo iemand als Annet, een ervaringsdeskundige met goede ideeën en organisatietalent, zou je veel vaker moeten inschakelen. Zulke mensen hebben we nodig, die weten tenminste waar ze over praten.’

Dat ben ik roerend met hem eens. Maar dat kookboekje zorgde toch voor een desillusie toen ik het zelf had besteld bij Amazon en de recepten nog eens wat beter bekeek. Die paardenbloemen moest je namelijk zelf plukken, in de berm, en ook de tamme kastanjes voor bij de spruitjes moest je eigenhandig uit het bos gaan halen. En dan heb ik het nog niet over alle keren dat een recept vermeldde dat er een flinke scheut sherry of witte wijn bij moest, plus een handjevol kruiden en andere smaakmakers, zoals tijm, oregano, verse basilicum, tabasco, olijfolie, Worcester sauce en (gerijpte) balsamicoazijn. Denkt Lydia Tuijnman nou echt dat arme mensen dat soort ingrediënten standaard in hun voorraadkast hebben staan, een voorraadkast die bovendien regelmatig aangevuld dient te worden als je haar receptuur volgt? Nee natuurlijk, dat is nu juist hun probleem.

Piet van Diepen heeft volkomen gelijk: er is op alle fronten behoefte aan ervaringsdeskundigen die weten waarover ze het hebben.


Dit is het vijfde deel in een reeks over nieuwe armoede door Emma Brunt. De reeks komt mede tot stand dankzij steun van het [Fonds Bijzondere Journalistieke](fondsbjp.nl)[Projecten](fondsbjp.nl).