Vlekken het boodschappentassenmuseum van nicolaas matsier

Nicolaas Matsier, Gesloten huis. Uitgeverij De Bezige Bij, 264 blz.,f39,50.
Mertens De koninklijke weg om de smaak van het verleden te proeven leidt langs de in onbruik geraakte voorwerpen en de daarbij behorende woorden. Zeg ‘kogelflesje’ en in mijn herinnering vloeit weer de schuimende smaak van champagnepils of citroengazeuse, gedronken in de speeltuin op hete vakantiedagen. Noem ‘inktlap’ en ik denk aan de kroontjespen, aan het zeemleren lapje en aan de smeerboel die ik er van maakte in de houten schoolbank. Met het woord ‘moedervel’ schiet ik ineens door naar het eind van de jaren zestig toen ik bij de stencilmachine stond te klungelen. Met het begrip ‘perronkaartje’ beweegt mijn geheugen zich weer achterwaarts, toen het nog een bijzondere gebeurtenis was wanneer je iemand van de trein afhaalde.

Al deze woorden komen voor in het ‘Vergeetwoordenboek’, dat het tijdschrift Raster in 1992 publiceerde. Tientallen auteurs leverden een bijdrage, waarmee uit het oog verloren woorden (en dingen) in ere werden hersteld: kwitantieloper, drollevanger, beerwagen, hondekar en zelfs het woord ziel. Het lezen van dat vergeetwoordenboek was vooral een reis naar de jaren vijftig en zestig. Afgaande op de personalia van de auteurs moet het voor hen een terugkeer naar de kindertijd hebben betekend, maar de aflevering van Raster maakte op mij allerminst een nostalgische indruk. Het vergeetwoordenboek kon, zoals de redactie in haar inleiding schreef, worden gezien als een creatieve aanvulling op de geschiedschrijving van een periode die pas twee decennia na de oorlog definitief werd afgesloten.
De autobiografische roman van Nicolaas Matsier (die met een viertal bijdragen in het Raster-nummer was vertegenwoordigd) levert aan die geschiedschrijving van het alledaagse in de eerste decennia na de oorlog een hartverwarmende bijdrage. De gelegenheid tot de inventarisatie van de onooglijke voorwerpen uit de verleden tijd deed zich voor toen hij (met broer en zus) na de dood van zijn moeder het ouderlijk huis in Den Haag moest opruimen. Als de roman begint, is dat opruimen al achter de rug. De schrijver leidt de makelaar door de woning en neemt voor de laatste keer de ruimte in zich op. Nog een keer ziet hij de stoppenkast, het toilet met het fonteintje, de eenvoudige keuken, de tuin achter het huis. Bij die laatste rondgang beseft hij dat zijn herinneringen zich al niet meer op die plaats bevonden, dat ze - zoals hij het treffend opschrijft - een 'nieuwe ring vormden rond het spinthout van hun kern - de meer dan half vergeten niet te vatten springlevende werkelijkheid van ooit en toen en weet je nog’.
Wanneer hij van Den Haag terugrijdt naar Amsterdam, bespringen hem de herinneringen aan de routes die hij aflegde van huis naar school. Die routes waren routines, gewoonten die het leven vorm gaven. Maar soms vormden minimale gebertenissen een inbreuk op die routines en kwam een wereld vrij die eronder verborgen lag en die de gewoonten haast onmerkbaar hadden ingekleurd. In de proloog tot de roman wordt zo'n moment van hapering exemplarisch beschreven. 'Soms overkomt het je’, staat daar te lezen, 'dat je opstaat uit je stoel, met een of ander doel: je wilde iets opzoeken, je moest wat halen, je ging koffie zetten - en opeens weet je niet meer waar het om begonnen was. Je staat ergens, zomaar halverwege de trap, midden op de gang, met je hand aan de kruk van een deur. En je vraagt je af: jij hier? (…) Het vreemde van deze gewaarwording is dat je voor korte tijd geen noemenswaardig heden bezit: je verkeert in een soort tussenruimte.’
Vanuit deze tussenruimte is de roman geschreven: de schrijver gaat weer terug naar de plaats waar hij vandaan kwam voor het moment van vergeetachtigheid hem overviel. Hij gaat terug naar de wereld van zijn ouders om er achter te komen wat hij vergeten was en wat hij ook weer moest doen. Hij gaat als het ware bladeren in zijn vergeetwoordenboek. Daarin kan men een prachtig hoofdstukje aantreffen over het vlekkenschrift. De schrijver heeft in het keukenkastje van zijn ouderlijk huis een groen cahier aangetroffen met een wit etiket waarop zijn vader eertijds de woorden 'Huishoudelijke Voorschriften’ had gekalligrafeerd. Met encyclopedische nauwgezetheid waren daarin alle tips opgenomen voor het verwijderen van vlekken. Hoe peau de suede kon worden gereinigd met een doorgesneden rauwe aardappel. Als je een vilten hoed wilt schoonmaken, moet je allereerst de hoed van binnen opvullen met wit papier en dan van buiten stevig afwrijven met een prop zijdepapier, vervolgens schuren met oud wittebrood, bestrooien met zemelen en ten slotte schuieren met een mengsel van een kopje waterstofperoxyde en heet water.
Een volkomen verzonken wereld dringt zich vanuit dat schoolschrift naar de oppervlakte, een wereld van vergane woorden: van de schietmot en het zilvervliesje, van de weervlekken in de cretonnen gordijnen, van zwavelzure natron en het zeepschaven. Door te bladeren in dat schoolschrift vol huishoudelijke tips legt de schrijver als archeoloog van het huishouden van zijn ouders het dagelijks leven van een tijdvak bloot dat, nog maar zo kort voorbij, al bijna even moeilijk te begrijpen valt als het leven in Mesopotamie. Hij leest in het schrift de sporen van de tijd van de 'zorgvuldige reparatie, onzichtbare stoppages, tweede en derde gebruik, van “je weet maar nooit waar je het nog eens voor nodig hebt”, van gestadig en nooit eindigend onderhoud, vindingrijkheid, tips en rubberen overschoenen.’
De schrijver bladert door die knipsels vol huishoudtips als beoefenaar van, zoals hij het zelf noemt, een vederlichte wijsbegeerte. Hij moet zich voelen als een ontcijferaar van het lineair-B wanneer hij op de achterkant van de knipsels fragmenten leest uit de geschiedenis van het wereldnieuws, die hij aan elkaar moet lijmen om er een verband tussen te zien: 'Felle strijd langs spoorlijn Tientsin-Poekau.’ Zo weet hij de huishoudtips te dateren in hun dubbelzinnige betekenis van alledag. Terwijl de huishoudrubrieken ooit werden afgedrukt op de achterkant van het wereldnieuws, waren ze in het schoolschrift van plaats verwisseld - een mooie hieroglief van het tijdsbesef: 'Je leeft mee, en zet een knoopje aan; je gruwt, en doet een wasje; je staart even voor je uit en gaat boodschappen doen.’ Waar de geschiedschrijvers de grote politieke en maatschappelijke veranderingen in het oog houden, vinden we hier een geschiedschrijving van het meest nabije, van de onooglijke voorwerpen.
Meermalen geeft de schrijver in deze autobiografische roman er blijk van hoe deze geschiedschrijving van het concrete detail hem aan het hart gebakken ligt. Hij zou de filoloog willen zijn van het vlekkenschrift, materiaal aandragen voor een belangwekkend hoofdstuk uit de cultuurgeschiedenis van de vlek. Hij spreekt zijn verlangen uit naar een nauwkeurige geschiedenis van het Nederlandse huishouden, waarvan alleen al het doornemen van het register een feest van de (her)ontdekking zou zijn. Hij neemt een loopje met zijn eigen bijziendheid wanneer hij fantaseert over de oprichting van een boodschappentassenmuseum. Want ook dat was hem opgevallen: dat er zich grote veranderingen hebben voorgedaan in de wijze waarop we onze boodschappen verpakken. Waar is de oude, trouwe boodschappentas van leer, kunstleer, van canvas gebleven? Waar het boodschappennet van touw of nylon? Waar het rieten mandje met hengsel? Waar, in hemelsnaam, het stalen melkflessenrek? De chroniqueur van de geschiedenis van de boodschappentas weet -zoals vaker in zijn boek -de geestigheid van zijn hersenspinsels op een gedempte wijze de woorden binnen te smokkelen, zodat ik regelmatig bij het lezen heb moeten grinniken. De laatste zaal van het boodschappentassenmuseum, zo had hij bedacht op zijn weg van winkel naar huis, zou een tranche de vie van een avondwinkel moeten zijn, waar de voortreffelijk Nederlands sprekende Egyptenaar zijn klant een plastic tasje geeft waarvan de duurzaamheid net de afstand van kassa tot huisdeur kan overbruggen. En terwijl de hengsels onderweg naar huis al aan het losscheuren zijn, meent de boodschapper nog een grootser verband te ontwaren: tussen crematie en plastic enerzijds, begraven en boodschappen anderzijds.
Elders in het boek, waar zijn bijziendheid de allure van een gekte heeft aangenomen, noteert de schrijver wat hij allemaal zou willen schrijven: 'de geschiedenis van mijn kamerjas’, 'de geschiedenis van mijn slaap’, 'de geschiedenis van mijn naaktheid’, 'de geschiedenis van mijn zonnebril’. En wat hij ook wel had willen schrijven: de geschiedenis van het roken. De geschiedenis van de laatste sigaret, in voortdurende relatie tot Svevo. Het is dit soort smuilende geestigheid waardoor de roman een lichtheid krijgt die het vrijwaart van nostalgie en tegelijkertijd de ernst in het licht plaatst waaruit het boek is geschreven: de ernst waarmee de voorwerpen uit de tijd van zijn ouders worden bezien, de ernst van waaruit een verlaat saluut wordt gebracht aan zijn vader en moeder. De ernst ook van waaruit het sterven van zijn zus en zijn broer door de schrijver wordt herdacht of beter nog herbeleefd.
Met diezelfde mengeling van lichtheid en respectvolle aandacht beschrijft de verteller ook een periode van gekte in zijn eigen leven, en dat heeft mij als lezer overtuigd. Want dat is wat mij na het lezen van deze roman nog het meest bijblijft: de smaak van een voorbije periode, die men alleen maar kan proeven door de roman zelf te lezen. Een groter compliment kan ik niet bedenken.