Vlieden

Sinds de eurocrisis zijn in Europa twee krachten aan het werk: die van de vlucht naar voren, Europa in, en een middelpuntvliedende kracht, uit Europa weg. Laat vlieden nou toch ook vluchten betekenen.

Medium den haag 50 2012 vlieden

Ter voorbereiding van de top in Brussel over de toekomst van de Europese Unie hield de Tweede Kamer een hoorzitting. Hoogleraren en universitair docenten, bankmannen en een vrouw van de vakcentrale, een europarlementariër en een ambassadeur – een achttiental mensen verduidelijkte een paar uur lang de eigen ideeën, voorkeur, harde kritiek of huiver over wat deze dagen in Brussel wordt besloten. Zoals gewoonlijk had je de indruk dat de Kamerleden vooral hoorden wat ze wilden horen, van standpunt zouden ze echt niet meer veranderen.

Dat is meestal het geval bij hoorzittingen in het parlement, maar als het over de toekomst van Europa gaat, wringt dat meer dan anders. Waarschijnlijk omdat, meer dan bij bijvoorbeeld het verkorten van de duur van de werkloosheidsuitkering, je het gevoel hebt dat zowel de voor- én tegenstanders van meer Europese integratie als de kritische weifelaars uiteindelijk geen idee hebben wat de daadwerkelijke gevolgen zijn van hun standpunten en beslissingen. Of is dat poneren in de discussie over de EU ook al een oordeel over het Europese project zelf?

Een van de hoogleraren, Wim Voermans van de Universiteit Leiden, vindt dat door de pogingen de euro overeind te houden, wij – landen en burgers – de EU in worden gezogen. Hoe kunnen we de regie in handen houden, vroeg hij zich bezorgd af.

Sinds de eurocrisis zijn in Europa twee krachten aan het werk, die van de vlucht naar voren, Europa in, waar Voermans op doelde, en een middelpuntvliedende kracht, eruit weg. Laat vlieden nou toch ook vluchten betekenen. Vluchten én de regie houden, dat wringt echter. Voeg dat bij de fouten die in het verleden zijn gemaakt bij de invoering van de euro, waarvan we nu de wrange vruchten plukken, en het is eigenlijk een wonder dat de scepsis over de EU niet nog veel groter is. Of zijn velen murw?

Wat praten over de toekomst van de EU zo ingewikkeld en daarmee soms zo frustrerend maakt, is dat de argumenten voor of tegen verdere integratie vaak van totaal verschillende orde zijn. Juist dat werd tijdens de hoorzitting weer eens duidelijk.

Een bankman zoomde in op de economische welvaart die de Europese samenwerking heeft gebracht en de veranderende wereld waarin een enkel Europees land volgens hem niet meer kan concurreren met grootheden als China of Brazilië. Een hoogleraar vloog binnen via het staatsrecht en zette vraagtekens bij het overdragen van bevoegdheden naar Europa op het terrein van belastinginning en de uitgave van belastinggelden. Volgens hem staat de Nederlandse grondwet die overdracht niet toe.

De vakbondsvrouw vroeg aandacht voor de ontbrekende sociale pijler in het Europese stappenplan dat de regeringsleiders en staatshoofden op de top bespreken. Nu eurolanden niet meer kunnen concurreren met hun munt doen ze dat volgens haar op hun sociale arrangementen. Een land zonder minimumloon, zoals Duitsland, heeft dan een sterke concurrentie­positie, maar werknemers zijn daar de dupe van.

Een volgende hoogleraar waarschuwde ervoor bij de Bankenunie niet dezelfde fout te maken als bij de introductie van de euro. Dus niet opnieuw eerst een datum prikken voor de invoering van de Bankenunie en daarna pas praktische zaken gaan regelen zoals het kunnen verkrijgen van goede informatie over banken en het krachtig kunnen ingrijpen als er problemen zijn. Nog weer een andere genodigde sprak over de illusies waarop Europa is gebouwd. Europa heeft volgens hem geen demos, is niet één volk dat samen wil werken in een politieke unie. Dat laatste is volgens hem echter wel de bestemming waar Europa stap voor stap naartoe op weg is. Hij vindt dat vvd en cda liegen, omdat ze dat ontkennen.

De economie, het staatsrecht, het denken over democratie en letterlijke grenzen aan solidariteit, de praktische haken en ogen bij verdere integratie – het buitelt allemaal over en door elkaar heen. Wie niet gelooft in Europese solidariteit omdat hij geen Europees volk ziet, heeft geen oor voor de argumenten vanuit de wereld van de economie. Wie inzoomt op geld en handel vindt beschouwingen over democratie en staatsrecht hinderlijk.

Binnen sommige hoofdstukken wordt dan ook nog verschillend gedacht. Want moet je nu bijvoorbeeld wel of niet een plan B hebben waarin je rekening houdt met het uittreden uit de euro van een van de huidige eurolanden? Ja, zegt de ene hoogleraar, anders wordt het een chaos als het onverhoopt zo ver komt. Nee, zegt de andere, een plan B is juist de dood in de pot, want dan stel je de financiële markten niet gerust en blijven ze speculeren.

In de Nederlandse politiek voert het geld-en-handel-argument de boventoon. Zolang je binnen dat kader blijft, valt prima te discussiëren, ook al gaat het ook dan vaak fel, over de praktische uitwerking van verdere integratie. Moet het bankentoezicht nu voor alle banken gelden of alleen voor de grote?

Maar zodra iemand laat merken te twijfelen over de vraag of inwoners van Europa zich wel één volk voelen dat bereid is met elkaar solidair te zijn, stuit hij op weerstand. Dan worden er wenkbrauwen gefronst en kan die persoon de vraag voorgelegd krijgen of hij ineens pvv’er is geworden.

Burgers zijn in Europa wel vaker hinderlijk gevonden, denk aan het chagrijn over het nee tegen de Europese grondwet. Nu de eurocrisis dwingt tot veel verder gaand handelen dan in die grondwet werd voorzien, wordt de cruciale onderliggende vraag of burgers méér Europa ook dragen opnieuw het liefst uit de weg gegaan. Dat versterkt het beeld dat we Europa worden ingezogen, het beeld van de regieloze vlucht voorwaarts. Terwijl méér Europa juist vergt dat burgers zich daarmee verbonden weten, dat ze willens en wetens soevereiniteit afdragen aan Brussel en dat ze zich één volk voelen.