Vliegen in een pindaschil

Het aantal kindheksen in Congo is de laatste twintig jaar sterk toegenomen. Reden voor theatermaker Guido Kleene om een voorstelling aan het fenomeen te wijden.

‘Ik vlieg ‘s nachts in een pindaschil naar de tweede wereld. Daar ben ik oneindig rijk en machtig. Ik heb een huis met verdiepingen, veel vrouwen en een Mercedes.’ Aan het woord is een Congolees kind in de theatervoorstelling Enfants Sorciers/Kindheksen van Compagnie Dakar. Regisseur Guido Kleene: ‘Antropoloog Filip de Boeck vertelde me over het bestaan van kindheksen. Hij zei dat de wereld van de doden die van de levenden steeds verder inpalmde. Dat intrigeerde me, het heeft geleid tot deze voorstelling.’

Kleene baseerde zijn voorstelling op een documentaire over kindheksen in Congo die hij zelf maakte. Hij probeert in de voorstelling de complexiteit van kindhekserij van verschillende kanten te laten zien. Sommige scènes zijn gespeeld vanuit het perspectief van de Westerse onderzoeker, anderen vanuit dat van een kindheks of van de vader van een kindheks. Priesters en studenten komen voorbij om hun mening te geven over het fenomeen. Veel wordt aan de interpretatie van de kijker overgelaten. Er is geen duidelijke lijn of hoofdpersoon.

Hekserij in Congo is van oorsprong een fenomeen dat het evenwicht terug moet brengen wanneer iets de samenleving uit balans brengt. Kleene: ‘Heksen opereren in de tweede wereld, een parallelle werkelijkheid die naast het dagelijks leven bestaat. Ze vliegen er ’s nachts naar toe, het lijkt alsof ze slapen maar eigenlijk hebben ze hun lichaam verlaten. Wanneer een heks iemand in de tweede wereld opeet, zal diegene in de realiteit ook sterven, misschien aan kanker, misschien door een ongeluk. Congolezen weten echter dat de werkelijke oorzaak van zijn dood in de tweede wereld lag. Ook positieve uitblinkers worden ervan verdacht heks te zijn: succesvolle voetballers bijvoorbeeld, maar ook oud-president Mobutu, een van de grootste heksen uit de geschiedenis. Alles wat niet normaal is, is hekserij.’

De afgelopen twee decennia veranderde de hekserij echter van een behapbaar fenomeen binnen families tot een besmettelijke ziekte die zich vooral onder kinderen snel verspreidt. ‘Het was altijd alleen overdraagbaar binnen de familie, via ingewikkelde rituelen. Tegenwoordig kan iedereen het van elkaar krijgen. Kinderen die beschuldigd worden van hekserij vertellen vaak hetzelfde verhaal. Ze krijgen overdag iets te eten van een volwassene, die hen vervolgens in hun droom bezoekt en zegt dat het eten mensenvlees was, en het terug eist. Daar kan het kind niet aan voldoen, dus moet het ter compensatie mensen doden in de tweede wereld’, zegt Kleene.

Deze verwarrende wereld waarin dromen en fantasie overlopen in de realiteit, of zelfs realiteit zijn, was voor theatermaker Kleene een bron van inspiratie. ‘Het is voor Westerlingen moeilijk te bevatten. Die dingen gebeuren niet echt, maar Congolezen geloven er zo heilig in dat het voor hen wel echt is. Kindheksen geloven echt in hun verhaal, ook al zijn die herinneringen in principe niet echt. De grens tussen realiteit en fantasie is weg.’

Kleene maakte de voorstelling met een cast die grotendeels bestaat uit Afrikaanse acteurs. ‘We hebben eerst een pilot gedraaid met een Nederlandse cast, maar dat werkte niet. Dit fenomeen was voor Westerse acteurs te onwerkelijk, ze konden zich niet goed inleven. Het oude Afrikaanse geloof zit heel diep, ook bij Afrikanen die al langer in het buitenland leven. Er zitten nu drie Surinaamse meisjes en een Nederlander in de voorstelling, de rest is Afrikaans.’

Tijdens de voorstelling zitten drie kinderen, meisjes, achterin het decor vrijwel de hele voorstelling ongeïnteresseerd kauwgom kauwen op hun stoelen. Alledrie spelen ze een paar minuten in een scène. Aan het einde jagen ze de hoofdrolspelers, op dat moment verwikkeld in een heftig debat over kindhekserij, met indringende blikken van het toneel. De meisjes weten, ondanks hun jeugdigheid, een beklemmende sfeer op te roepen.

Voor Kleene was de macht van kindheksen, die in deze scène uitgebeeld wordt, interessant. Kleene: ‘Door te vertellen wie hem behekst heeft, kan het kind enorme schade berokkenen aan de naaste omgeving. Beschuldigd worden van het beheksen van een kind is vergelijkbaar met beschuldigd worden van pedofilie bij ons. Dat maakt de situatie nog ingewikkelder: aan de ene kant is het kind slachtoffer, het wordt verstoten, maar aan de andere kant krijgt het veel macht door het predikaat heks.’

De fascinatie die Kleene had voor deze onbekende wereld leidde ook tot spanningen. ‘Op zoek naar iets anders, iets nieuws, ga je ethische grenzen over. Er is een interview in het stuk verwerkt dat ik had met een kindheks. Dat gesprek liep via een tolk, pas later hoorde ik dat die tolk heel naar tegen het meisje deed, haar onder druk zette en bedreigde. Dat meisje wilde eigenlijk niet vertellen. Ik heb me daar erg schuldig over gevoeld.

Kleene: ‘Ik zoek in al mijn stukken naar een wereld die groter is dan die van mij, dan Nederland. Maar je moet je ook afvragen of Afrikanen daar in dit geval wat aan hebben. Stigmatiseer je ze niet juist door dit voor Westerlingen onbegrijpelijke fenomeen te laten zien? Dat zijn belangrijke vragen. Uiteindelijk heb ik ertoe besloten het wel te doen, om de problematiek van een andere cultuur inzichtelijk te maken, te laten zien hoe gecompliceerd het werkelijk is. Je moet soms een hoge drempel over om de belevingswereld van anderen te kunnen begrijpen.’

Enfants Sorciers/Kindheksen van Compagnie Dakar toert tot 7 april door het land