Vliegende hollander

Tussen het flirten met zijn Hollandse blondine door bezag Schnabelewopski met een schuin oog de slotscène van een toneelstuk over de Vliegende Hollander, de Ahasveros der oceanen, gedoemd over de zeven wereldzeeën te zwerven tot een vrouw, trouw tot in de dood, bereid was hem te verlossen.

Schnabelewopski, zo beweerde Heines romanfiguur, kende het verhaal dank zij zijn bejaarde oudtante, met één tand in haar mond en een excellent geheugen voor sagen en legenden. Heine op zijn beurt kende de legende in de dramatische versie die gebaseerd is op Frederick Marryats *Waarde =100 ptoentertijd beroemde - thans grotendeels vergeten - roman The Phantom Ship. Dat de zeevaarder thans nog een begrip is, dankt hij voornamelijk aan Heines literaire zijsprong, al moet worden toegegeven dat Richard Wagner bij het gegeven op zijn beurt alleszins passabele muziek heeft gemaakt.
De legende is Heine zijn leven lang blijven bezighouden, waarbij hij de neiging had om zich, in Parijse ballingschap, met de zwalkende zeeman te identificeren. Hij schreef aan zijn vriend August Lewald: ‘Ach, in mijn fabuleuze heimwee voel ik mij vaak als de Vliegende Hollander en zijn scheepskameraden, voor eeuwig wiegend op de ijskoude golven en tevergeefs terugverlangend naar de stille kades, tulpen, myfrowen, stenen pijpen en porseleinen theekopjes. Holland! Amsterdam! Wanneer mogen wij weer terug naar Amsterdam? verzuchten zij, terwijl de huilende wind hen genadeloos boven het verdoemde water heen en weer slingert.’
Geen passender decor voor De vliegende Hollander, zou men denken, dan een schouwburg in Amsterdam, internationaal vermaarde zeehaven aan het IJ. In welke schouwburg heeft de schrijver het stuk gezien? De Stadsschouwburg kan het niet zijn geweest. Die was gesloten, toen Heine in ’s lands hoofdstad logeerde. Een mogelijk alternatief is de Hoogduitsche schouwburg in de Amstelstraat. Het probleem is dat de geschiedenis geen melding maakt van een Vliegende Hollander op Hollandse plankieren, althans niet in de periode (augustus 1827) waarin Heine Holland bezocht. Menige geleerde toneelhistoricus heeft de archieven doorgeploegd, om tot de conclusie te komen dat de Vliegende Hollander even ontraceerbaar is als het beroemde, aan Heine toegeschreven, citaat over onze voorvaderlijke sulligheid.
Gelukkig is dit een literair vraagstuk waarvoor wèl een oplossing voorhanden is. Heine had, voordat hij Holland bereisde, een bezoek gebracht aan Engeland, waar een Londens toneelgezelschap een drama op het repertoire had dat The Flying Dutchman or The Phantom Ship heette. Het is een aanwijzing met de kracht van een bewijs. Heine heeft dit toneelstuk waarschijnlijk op Britse bodem gezien, om een deel van de handeling even later, als fragment van de gedenkschriften van de heer Von Schnabelewopski, naar Holland te verplaatsen. Hij maakte van de 'flying Dutchman’ een vliegende Hollander, zoals Wagner deze op zijn beurt tot de 'fliegende Holländer’ transformeerde, met als gevolg dat de Ahasveros der oceanen uiteindelijk, dank zij de joodse schrijver Heinrich Heine en de anti-joodse componist Richard Wagner, een onsterfelijke plaats in de cultuurgeschiedenis zou gaan innemen, net als de Hollandse blondines en de Hollandse bokking.