Vliegende hollanders frederik van eeden verliet midden in een redactievergadering de ovale tafel aan de keizersgracht, om er nooit meer een voet te zetten

DE GROENE IS een honderdtwintig jaar oud verwerkingsfabriekje van meningen en vreemde feiten, en wie intiem wordt met het weekblad komt onvermijdelijk ook met het familiebedrijf in aanraking. Er zijn ingesleten rangen en traptreden, in de kasten liggen de jaargangen van De Kampioen 1947-1952 vredig te ontbinden, de portretten van generaties ooms en tantes kijken streng naar beneden en in een bureaulade liggen nog de oude overhemden van een neef uit de jaren zeventig die ooit door zijn vrouw uit huis was gegooid. Maar tegelijk fungeert De Groene voor degenen die er werken, door alle jaren heen, als een combinatie van een sekte, een theekrans, een politieke partij, een kippenhok, een vriendenclub, een huwelijk en een tuchtschool waaruit geen ontsnappen mogelijk is.

‘HET WEEKBLAD verliest zijn vader - dat is het énig-passende woord…’ schreef de toenmalige hoofdredacteur van De Groene, Henri Wiessing, in 1909 bij het overlijden van Jan de Koo, de oprichter van De Groene, en zo was het inderdaad, toen al. De tekenaar Johan Braakensiek, een van zijn Groene-kinderen, beschreef het familieleven van die eerste jaren aldus: 'O, mijnheer, als hij van je hield, dan kon hij zoo zacht zijn! Zoo hartelijk! Die reizen naar Hilversum! Ik, met mijn vrouw en mijn dochters, allemaal tezamen trokken we naar hem toe. Dat zal nou niet meer wezen. Dan moest u hem gezien hebben, hoe hij ons bedierf, dan was de grond te koud waarop we liepen. Hij bestelde twee rijtuigen en daar zaten we met z'n allen in. Want als je met mijnheer De Koo was, dan zat je of dan reed je. Van loopen moest hij niets hebben. Hij had geweldig het land aan beweging.’
De schrijfster Top Naeff herinnerde zich enkele decennia later weer hoe zij als jonge Groene-medewerkster tegenover de toen al grijze 'Braak’ zat, terwijl die 'met vaste hand en zonder aarzeling de potloodlijnen trok op het wit papier vóór hem’. Dat was vlak na de Eerste Wereldoorlog, aan de Keizersgracht, achter de hoge ramen voeren de kolenschuiten voorbij, en aan de grote ovale redactietafel zaten, behalve Top Naeff, onder andere prof. H. Brugmans, Melis Stoke, Frans Coenen en Herman Heijermans, 'die wij letterlijk voor onze ogen hebben zien aftakelen, zo bar ziek dat hij zijn thee nog maar bij lepeltjes slikken kon’. Maar thee werd er gedronken, bij liters, en tegen Sinterklaas waren er zelfgebakken koekjes en boterletters, geserveerd door de redactrice van de wekelijkse rubriek Voor de Vrouw, Elisabeth M. Rogge.
Een vreemde familie, maar buiten kijf een familie. Toen ik zelf net redacteur van De Groene was, in 1975, dacht ik wel eens, zittend op de brede houten wc-bril van het bedrijfstoilet: 'Hier zaten voor mij Frederik van Eeden, Justus van Maurik, Alphons Diepenbrock, Emmy Andriesse, Sem Davids, A. Viruly, Harriët Freezer, Matthijs Vermeulen, Cas Oorthuys en al die anderen naar wie straten en prijzen zijn vernoemd, zij allen zaten hier.’ In werkelijkheid klopte dat meestal niet, want De Groene zou pas in later jaren aan het Westeinde belanden. Maar toch gaf die ouderwetse toiletbril een gevoel van oudheid, van een keten van generaties, van familiebanden met vreemde, onbekende mensen, ver terug in de tijd.
Een enkele keer waren - of zijn - die banden nog concreet. Opland, die al sinds eind jaren veertig voor De Groene tekent, houdt tot in deze tijd de generaties van Davids, Dijkstra, Van Dullemen, Van der Heffen en Van Amerongen enigszins bijeen. Maar tot ver in de jaren zeventig verscheen bijvoorbeeld ook de literator C.J. Kelk regelmatig op borrels en partijen, de laatste van het vriendenclubje rondom Slauerhoff en Roland Holst, broos en gebogen liep hij tussen onze truien en lange haren. En in diezelfde tijd ontving de bejaarde toneelrecensente Jeanne van Schaik-Willing, in de jaren twintig de ster van het Leidseplein, ons met thee en taartjes en hoogstaande gesprekken - haar ex-man had ooit iets gehad met de vrouw van Henri Wiessing, zo zaten die dingen ook nog eens in elkaar.
Die avonden ademden de half progressieve, half deftige sfeer van de Groene-familie uit de jaren vijftig, terwijl Jeanne ondertussen roddelde over medewerkers die al veertig jaar dood waren, want zo zag haar Groene eruit, zowel door doden als levenden volgeschreven.
TOP NAEFF NOEMDE haar terugblik een soort 'Gespenstersonate’, en dat geldt ook voor dit verhaal. Echte kranten zijn altijd spookhuizen, waar ondanks alle wisselingen van generaties op een onverklaarbare manier toch eenzelfde sfeer blijft hangen, alsof bepaalde eigenschappen in de muren zijn getrokken en iedereen die binnenkomt vroeger of later bedwelmen. Iedere krant heeft bloed dat kruipt waar het niet gaan kan, braaf, liberaal, progressief, gereformeerd of jezuïeten-bloed, maar De Groene spant daarin wel de kroon.
Ondanks alle socialisme, marxisme, feminisme en postmodernisme is De Groene Amsterdammer in de kern altijd een typisch negentiende-eeuwse, progressief-liberale krant gebleven. Een typisch burgerlijke krant ook, meer citoyen dan bourgeois, soms gemaakt door die burgerij zelf - zoals in de tijd van Top Naeff - maar vaker nog door hun kinderen. En een avantgarde-krant - De Groene was bijvoorbeeld de eerste die op 21 februari 1892 een positieve beschouwing wijdde aan het werk van 'dien vreemden zoeker, dien oerartist’ Vincent van Gogh, en zulke verrassingen heeft dit weekblad altijd opgeleverd.
Al in de tijd van De Koo was de conservatieve sigarenfabrikant Justus van Maurik jarenlang een zeer gewaardeerd mederedactielid van dit links-liberale weekblad, en ook later waren er binnen de redactie opvallende politieke combinaties. Zelden was De Groene in één bepaald hokje te vangen - en als het al gebeurde, dan duurde het nooit lang. Daarvoor was de oude geest van liberale citoyens te sterk.
ER WAS NOG een opvallende trek, die deze familie al die honderdtwintig jaar beheerste: nimmer had De Groene geld - toen niet, nu niet en nooit niet. Altijd straalde de krant iets uit van berooide deftigheid, van borrels vol flitsende gesprekken waarbij na afloop - zoals de legende wil - de directeur de halflege wijnglazen teruggoot in de flessen om ze de volgende keer nog eens te kunnen serveren. Altijd was het zwoegen voor een schijntje, en vleien en inpakken, om auteurs zo gek te krijgen dat ze De Groene toch weer voor een dubbeltje op de eerste rang lieten zitten. In 1898 beschreef Willem Paap in zijn sleutelroman Vincent Haman de jeugdige Amstelbode- (lees: Groene-)redacteur Floris van Wheele (lees: Frank van der Goes) als een 'opkoper van onrijp ooft’, wanneer hij theaters, koffiekamers en cafés afstroopte om medewerkers een bijdrage af te troggelen. Immers, 'de Amstelbode was nooit zwaar bij kas’.
Toen ik meer dan drie kwart eeuw later voor het eerst op De Groene kwam, was de situatie nog nauwelijks anders. Het was op een zondagmiddag, het was prachtig weer, iedereen zat buiten, maar op het kantoor van De Groene zat de toenmalige redacteur Maarten van Dullemen in zijn eentje achter een miniem bureautje te zweten, met links en rechts fietstassen vol nota’s en stukken. Wat een baan, dacht ik toen. Wat een verschrikkelijk leven.
Drie maanden later zat ik er zelf, en ploeterde ik mee, altijd onderbemand, altijd zonder geld, terwijl het spookhuis op ons neerkeek.
Ik weet niet hoe het nu is, maar in die jaren was De Groene veel meer dan een familie. Het was een totale institutie die het hele bestaan bepaalde van iedereen die er werkte, een gedemocratiseerd gezin dat ogenschijnlijk met iedere traditie gebroken had, maar dat in werkelijkheid het roemrijke Groene-verleden trouw met zich meetorste en zich daar buitengewoon verantwoordelijk voor voelde. En dat alles zeven dagen per week, vierentwintig uur per dag, want het redacteurschap van De Groene was niet alleen (veel) werk, maar ook een Ideaal, een Ambt, een Roeping, of welke term de joodse of calvinistische achtergrond van de meeste redacteuren daar maar voor bezat.
Daarbij kwam dat het altijd slecht ging met De Groene. We voelden ons een eeuwige bemanning op een eeuwig zinkend schip, een soort vliegende Hollanders in krantenland. Weggaan rook altijd naar desertie.
Toch heeft bijna iedere oud-groene-redacteur op een dag het Grote Verraad moeten plegen. Toen ik bij De Groene aantrad vroeg de directeur H.P. van Leeuwen me of ik besefte waar ik aan begon, met werkweken van zestig uur voor een minimumsalaris. 'Maar’, zo sprak hij troostend, 'er is bij De Groene wel een voortreffelijk weduwen- en wezenpensioen.’
Inderdaad, Groene-redacteuren slijten vrij hard - een enkele uitzondering daargelaten. Ondanks alle gevoelens van eeuwigheid staat voor een doorsnee redacteurschap hooguit zeven à tien jaar - waaraan, uit loyaliteit, nog wel eens een enkel jaartje wordt vastgeplakt. Maar dan moet het toch gebeuren, de desertie, de breuk, en iedereen pakt dat op zijn eigen manier aan.
Een enkeling sterft in het harnas. Sommigen worden ziek, storten fysiek en/of psychisch in, en weten op die manier aan de familiebanden te ontsnappen. Anderen glippen weg in steeds meer deeltijdarbeid en nevenfuncties, en houden enkel via hun naam in het colofon het schuldgevoel op afstand.
Soms is er een plof nodig, een hartelijke ruzie, zoals dynamiet nodig kan zijn om een stuk rots weg te blazen. Frederik van Eeden verliet midden in een redactievergadering de ovale tafel aan de Keizersgracht, om er nooit meer een voet te zetten. Zo zijn er meer conflicten geweest die, achteraf gezien, waarschijnlijk vooral dienden om het noodzakelijke afscheid te vergemakkelijken en van een heroïsch sausje te voorzien.
OOK IKZELF brak tenslotte met de familie Groene, na tien jaar warme armoede. Op een dag kwam ik de passage tegen waarin Willem Paap mijn voorganger van een eeuw eerder typeerde, Groene-redacteur Floris van Wheele: 'Na een tiental jaren was hij in staat, op de vraag: “Floris, hoe laat is ’t?” een artikel te schrijven van twintig pagina’s druk. Je las het artikel; hoe laat het was werd je niet gewaar; je kwam in een soort van soes; in één dreun, in één draaierige dreun door, slenterden daar die zinnen achter elkaar; geen enkele uit de soes opwekkende verrassing was er in ’t hele stuk.
Behalve aan ’t eind: daar was je inderdaad verrast, want je vroeg met verwondering: waarom gaat die man niet door, waarom scheidt hij nou uit? Maar ook die verrassing raakte je kwijt in het volgende nummer van het tijdschrift, want, jawel, daar had je weer Floris; daar kwam Floris weer niet vertellen, hoe laat of ’t was.’
Toen ik dat gelezen had, dacht ik nog maar één ding: 'Het is de hoogste tijd, althans wat mij betreft.’
Maar altijd nog hoor ik de wc-bril van De Groene fluisteren: 'Hier zaten Top Naeff, Herman Heijermans, Frederik van Eeden, Melis Stoke, Jeanne van Schaik-Willing, Henri Wiessing, Frans Coenen, Johan Braakensiek, Emmy Andriesse, A. Viruly, Harriët Freezer, Matthijs Vermeulen, Cas Oorthuys, Opland, Jan van Keulen, Anton Koolhaas, Rients Dijkstra, H.P. van Leeuwen, Maarten van Dullemen, Max Arian, Trinette Koomen, Martin van Amerongen en al die anderen naar wie straten en prijzen genoemd zijn of zullen worden. En al wil je het niet zien, ze zitten er, en ze blijven er.’