Vliegtuigbeslommeringen

JE KUNT, terwijl je rustig in je stoel zit, de hele wereld aan je voorbij laten trekken. Je blijft op één plek, verschuift zo nu en dan van de ene bil op de andere, slaat een glas achterover en verplaatst je ondertussen in gedachten afwisselend naar je geboorteplaats en naar het eind van de wereld, verkeert dan weer in het nu en dan weer in een grijs verleden.

Dat is precies wat gebeurt in Zwart van het volk, de nieuwe roman van Leo Pleysier. De hoofdpersoon zit in een DC10 van Londen naar de Nigeriaanse hoofdstad Lagos, blijft in zijn vliegtuigstoel gekleefd en ziet beelden van het zinderende Afrika waar hij al zo'n tien jaar woont en van zijn Vlaamse geboortgrond aan zijn geestesoog voorbij trekken. Het vliegtuig vliegt gestaag naar het zuiden en zijn gedachten maken een tegengestelde vlucht, terug naar het noorden.
De roman heeft daardoor een fragmentarisch karakter, steeds weer worden sprongen in de tijd en de ruimte gemaakt. De hoofdfiguur beziet het reilen en zeilen in het vliegtuig: zijn Liberiaanse buurman die telkens weer probeert een zinledig praatje te maken, zijn buurvrouw met slapende baby in de armen, de stewardessen die versnaperingen rondbrengen, de knoppen van de radio aan de armleuning waar de passagiers doelloos aan draaien, James Bond die geluidloos een horde belagers beschiet. Hij kijkt uit het vliegtuigraam en ziet Marseille, de Middellandse Zee en de Sahara, hij leest in The Guardian en ziet het wereldgebeuren aan zich voorbij trekken. Het zijn de overbekende ervaringen van elke vliegtuigreiziger.
‘Hij weet in ieder geval precies wat hem te wachten staat straks, over een uur of vijf, wanneer het vliegtuig in Lagos geland zal zijn’, staat er dan opeens na tien bladzijden vliegtuigbeslommeringen, en er volgen beelden van Nigeria. De bedelaars, verkopers, bagagekruiers en zwartwisselaars die je bespringen als je de 'stomende en walmende hel’ van het vliegveld betreedt; het wespennest van de sloppige buitenwijken; de corrupte politieagenten die hun willekeur op je botvieren; de auto’s die krioelen; de stank van de brandende afvalhopen en het open riool; de zwoelte; de kleuren; de chaos.
DE HOOFDPERSOON, zo leert de lezer brokje bij brokje, woont al een jaar of tien in Nigeria. Hij is tropisch landbouwkundige, bodemspecialist en woont met zijn Nigeriaanse vrouw en twee zoontjes in een 'antiseptisch getto’, het omheinde complex waar de buitenlanders wonen, met gladgeschoren gazons, zorvuldig aangelegde tropische tuinen en een blinkend zwembad. Ver weg kortom van de broeierige mierenhoop die de stad is.
Daarmee stuit je meteen op een van de vele tegenstellingen die het boek rijk is: terwijl de mensen in de stad bier drinken en musiceren en het geroffel van de talking drums in het complex te horen is, lezen zijn zoontjes een Noors prentenboek en A Christmas Carol. In de tropische warmte klinkt in de woonkamer Engelse renaissancemuziek.
Schaamte is het gevoel dat door die tegenstellingen wordt veroorzaakt: 'De koningspalmen, de irokobomen, de tamarindebomen en de rode jasmijnbomen dienden om de almaar oprukkende sloppenwijken van Ibadan aan het gezicht te ontrekken. De tuinperken en de Afrikaanse rozen, de flamingobloemen en de geurige bougainvillea dienden om de stank van de goten, van de open riolen en van de vunzende vuilnisbelten van de stad niet te hoeven ruiken.’
De ingewikkelde verhouding tussen noord en zuid blijkt heel mooi uit twee scènes die elkaar opvolgen. In de eerste bezoekt de hoofdpersoon een kasteel aan de Ghanese kust vanwaaruit de slavenhandel plaatsvond, 'een plek waar het lawaai van de geschiedenis nog talmt’. In de scène daarop bedrijft hij voor het eerst de liefde met zijn toekomstige vrouw Linda: ze vertelt hem dat het Ibo-woord voor 'blanke’ eigenlijk 'man-zonder-huid’ betekent, dat de zwarten zich vrolijk maken over de dunne streep van de lippen bij de blanken. Zijn lichaam verkent ze als een onbekend land.
De belangrijkste tegenstelling is natuurlijk die tussen Afrika en Vlaanderen. De hoofdfiguur zit in het vliegtuig omdat zijn moeder overleden is, meer dan een maand daarvoor al, en hij haar graf heeft bezocht. De ontvangst in België is koeltjes geweest, hij is al te lang weg. 'Een mens raakt al gauw vergeten wanneer hij een tijd weg blijft,’ verzucht hij tegen een oud vrouwtje op het kerkhof. Een 'vriendelijke, maar ook met enige argwaan nagestaarde vreemdeling’ is hij voor zijn familie geworden. Hij voelde zich een indringer in het huis van zijn moeder, hij ziet zichzelf in de spiegel en kijkt in de ogen van 'een gluiperd die hier niks meer te stellen had’.
Zwart van het volk is dan ook vooral een roman over ontheemding. Het keurige België past niet meer bij hem. De omgeving van zijn broer bekijkt hij met bevreemding: de weekbladen en tijdschriften die keurig in stapeltjes op het bureau liggen, de woordenboeken en encyclopedie die strak gelijnd in de kast staan, het gazon dat onberispelijk gemaaid is, de auto die proper gewassen op de oprit staat.
Tegelijk zal hij in Afrika nooit echt thuis zijn. Jawel, het is een continent dat hem meteen hevig beviel, 'love this country or leave it’ citeert hij ergens, maar hij weet ook heel goed dat Afrika ook onverbiddelijk is. De eerste keer dat hij in Nigeria kwam, zag hij het in ontbinding verkerende lijk van een overhoopgereden bedelaar op de pechstrook liggen. Het beeld heeft zich in hem vastgenageld, als een beeld van hoe gevaarlijk Afrika is.
Nergens thuis zijn, dat is het lot van de blanke die zich in Afrika vestigt. Het verhaal over Jim Cooper, de vriend van de hoofdpersoon die een halve inboorling is geworden, laat zich wat dat betreft als een voorafschaduwing lezen. Cooper heeft een 'onvoorwaardelijke liefde voor dit krankzinnige land dat wellicht nooit van hem af zal geraken’, hij woont als enige blanke tussen de zwarten, hij heeft vooral zwarte vrienden, beweegt zich door de wildernis als een volleerde Ibo-man en bewaakt monter zijn eigen erf tegen rovers en dieven. De onvoorwaardelijk liefde blijkt niet willekeurig: als hij een inbreker in de borst schiet, belandt hij in een onherbergzaam Nigeriaans cachot. Voor veel geld vrijgekocht, is hij een gebroken man.
IN ZIJN VORIGE romans bleef Leo Pleysier dicht bij huis. Vlaamse familiekronieken zijn het, waarin hij nauwgezet de sfeer en taal van zijn geboortegrond weergeeft, in Vlaamse spreektaal zijn moeder, nonkels en tantes neerzet. Alleen in zijn vorige roman De Gele Rivier is bevrozen beweegt hij zich over de grens. Daarin gaat het over zijn tante die als non in de missie in China verblijft. Zelf komt zij nauwelijks aan het woord, ze wordt als het ware uitgespaard in het boek. De familieleden, nonkels en tantes, praten over haar, citeren flarden uit haar brieven, koesteren hun vooroordelen en onbegrip. De roman is opgetekend door een toehoorder, een jong jongetje dat alle verhalen met verbaasde oren aanhoort.
Wim, de hoofdpersoon van Zwart van het volk, is al in eerdere romans van Pleysier ter sprake gebracht. Hij is de broer die naar Afrika is vertrokken en die door de moeder node wordt gemist. In Zwart van het volk wordt hij niet door de ogen van anderen gezien, hij komt ook niet echt zelf aan het woord, er wordt over hem geschreven in de derde persoon, in keurige Nederlandse schrijftaal. De magie van De Gele Rivier is bevrozen blijft daardoor achterwege. Hoe fragmentarisch de roman ook is gecomponeerd, hij blijft wat voorspelbaar - de geijkte vliegtuigbeelden, de min of meer bekende beelden van Afrika, beide missen de onvervreemdbare eigenheid die je in Pleysiers andere boeken vindt. Alleen de schaarse passages over de Vlaamse hoofdfiguur zijn vaak prachtig en precies.
HET LIJKT WEL of Pleysier dat ook zelf weet. Ergens in de roman beschrijft hij hoe de hoofdfiguur met een avontuurlijke vriend de stad intrekt, naar de cafés waar je palmwijn kunt drinken, naar de clubs waar 'juju’ en 'highlife’ wordt gespeeld. Hun tochten proberen ze later op papier vast te leggen, om op die manier de plattegrond van de stad in kaart te brengen. Het lukt ze niet: 'De stad was tè groot, tè onoverzichtelijk, tè labyrintisch. Het stratenweefsel bleek oneindig vertakt en gecompliceerd te zijn. (…) De chaos en de veelheid van deze stad bleken al spoedig veel te groot voor het papier.’