René Daniëls: muze tussen herrieschoppers

Vlinderdassen en mosselschelpen

Hoewel zijn werk in 1987 door een dubbele hersenbloeding abrupt werd stilgelegd, lijkt de betekenis van de schilderijen van René Daniëls alleen maar toe te nemen.

Het Nationale Museum Reina Sofia in Madrid organiseerde eerder dit jaar een grote tentoonstelling van het werk van de Nederlandse schilder René Daniëls (Eindhoven, 1950). Dat gebeurde in samenwerking met het Van Abbemuseum in Eindhoven, logisch, omdat daar een groot deel van Daniëls’ werk en archief in stichtingsvorm is ondergebracht. De aandacht van het grote Spaanse museum mag misschien een tikje merkwaardig lijken, maar Daniëls neemt al decennia een prominente plaats in in de Europese kunsten. Zijn betekenis lijkt alleen maar toe te nemen.

De feiten van Daniëls’ leven zijn echter wel merkwaardig. U moet weten dat hij in 1987, 37 jaar oud, door een dubbele hersenbloeding werd getroffen. Sindsdien is hij gedeeltelijk verlamd, kan niet spreken, en verder werken was jarenlang onmogelijk. ‘Het noodlot heeft bruusk ingebroken in een schilderkunstig avontuur’, schreef Dominic van den Boogerd in 1995. In de documentaire die ter gelegenheid van deze tentoonstellingen werd gemaakt is Daniëls te zien als een zwijgende verschijning, die bijna als een levende dode aanwezig is als er in Londen een enthousiaste museumrondleiding over zijn werk wordt gegeven. De tentoonstellingen in Madrid en Eindhoven tonen een oeuvre dat in niet meer dan elf jaar werd vervaardigd. Pas sinds 2006 maakt Daniëls nieuw werk, met de linkerhand, net als Paul Wittgenstein, op kleiner formaat met viltstift en spuitbus.

Tot aan het infarct was zijn opgang ‘komeetachtig’. Hij doorliep de Akademie in Den Bosch tussen 1972 en 1976, had zijn eerste solotentoonstelling in 1977. Hij maakte deel uit deel van 10 jongeren in het Stedelijk Museum Amsterdam in 1978, en van ’60-’80 Attitudes/Concepts/Images in hetzelfde gebouw, een jaar later. Daarna ging het verbazend snel. Grote internationale tentoonstellingen, eersteklas galeries, erkenning, docentschappen. Bij Daniëls openbaarden zich al vroeg psychische problemen. Na de hersenbloeding verdween hij van het toneel en werkte niet meer. Het Van Abbemuseum bleef hem trouw, in 1998 nog met The Most Contemporary Picture Show, die ook naar Wolfsburg, Bazel en Porto reisde, en ook in andere musea bleef je zijn schilderijen overal tegenkomen. Nog kort geleden zag ik ze in het Bonnefantenmuseum in Maastricht, bijna terloops gehangen naast de grote Tuymansen, volkomen tevreden in hun eigen vriendelijke speelse kalmte, verbazend krachtig, levend.

In Madrid werd Daniëls gepresenteerd als niets minder dan een belangrijk referentiepunt in de Europese schilderkunst van de laatste vijftig jaar. Aanvankelijk werd hij geschaard onder de ‘post-minimalisten’ of de ‘neo-expressionisten’, die zich in het midden van de jaren zeventig opdrongen. Dit waren schilders – Clemente en Cucchi in Italië, Combas in Frankrijk, Dahn en Dokoupil, Penck, Baselitz, Lüpertz in Duitsland, Basquiat, Schnabel en Salle in de VS – die terugkeerden naar de instinctieve grofstoffelijke emotie van het schilderen zelf, de expressie van de jaren twintig en dertig, weg van het dode spoor dat de ‘fundamentele’ schilderkunst in die jaren was opgegaan. Geen gemondriaan meer: hier kwamen weer grote verhalen tot stand, met grote gebaren op grote doeken met grote kleuren; de kunstenaars stonden open voor de rest van de wereld, de massamedia, de reclame, de literatuur, de poëzie, de politiek en het activisme op straat. In 1982 hing Daniëls tussen deze jongens op de tentoonstelling Zeitgeist in Berlijn en op Documenta 7 in Kassel, 1983. In Nederland werd hem het etiketje ‘nieuwe wilde’ opgeplakt.

Wat hem in het bijzonder interessant maakt, zo schreef de samensteller van de Madrileense tentoonstelling, is dat hij werkt op het snijpunt van taal en beeld, het ‘niemandsland tussen literatuur, beeldende kunst en het dagelijks leven’, spelend met de dubbelzinnigheid van werkelijkheid en weergave. Daniëls kon worden gezien als een erfgenaam van René Magritte en Marcel Broodthaers. Het is moeilijk voor te stellen hoe de argeloze Spaanse museumbezoeker dat werk heeft beleefd, maar ik vermoed dat hij – en de honderdduizend die met hem de zalen bezochten – er gemakkelijk toegang toe vonden. De tentoonstelling, nu in Eindhoven, is wat dat betreft een onthutsende en ontroerende ervaring. Hier is iemand die nooit weg was, maar waarvan het werk, zo opeens bijeen, toch een overrompelende indruk maakt. Daniëls is niet dood, natuurlijk, maar ergens in het achterhoofd speelt mee dat die briljante activiteit zo kort geduurd heeft, en zo grof werd onderbroken, zoals het bij Basquiat en Keith Haring werd onderbroken, bij Derek Jarman en Franz Schubert, bij Bas-Jan Ader.

René Daniëls is om te beginnen een geweldige colorist en een heel inventieve tekenaar. Zijn composities kunnen onorthodox zijn, en druk, maar ze zijn nooit geforceerd, nooit opdringerig of drammerig, en zeker niet wild om het wilde. U wordt niet beledigd of op stang gejaagd. De effecten zijn subtiel. De schilderijen zijn altijd open. Je kunt er meteen ín, alleen al door de toepassing van eenvoudige, herkenbare en toch multi-interpretabele vormen, zoals de vlinderdas, het skateboard, de mosselschelp of de speelse haringen, die V-vormige staarten en V-vormige bekken hebben, waarmee ze elkaar opeten.

De verwijzingen naar andere kunstenaars, naar de literatuur en naar het dagelijks leven zijn ontelbaar, maar die betekenissen zitten het initiële contact, het plezier van het kijken, nooit in de weg. Betekenis was belangrijk maar nooit gewichtig, zei de kunstenaar ooit: ‘Het werk ligt onmiskenbaar in het verlengde van een culturele achtergrond waarin je geamuseerd omgaat met de werkelijkheid en de hogere betekenis die daarachter schuilt.’ Die geamuseerde omgang is overal voelbaar. Bijna alle schilderijen zitten vol met kleine tekstjes, woordspelingen, omkeringen, luchtspiegelingen, die écht verrassend zijn, en nimmer flauw, en bij ietsje langer kijken een hele wereld tot stand brengen.

Onthutsend, dus. Ik wist ’t al, ik ken die vlinderdasjes, die mosselschelpen, die haringen en toch: de mond valt erbij open. Die vormen bewegen voor je ogen tussen hun gewoonheid en hun abstractie, worden van een motiefje tot pure schilderkunst, en weer terug. Die virtuoze zinnelijke variatie, die intelligente en echt diepe visie op wat een schilderij met je ogen en je hersenen kan doen, de verrukkelijke verwarring die ontstaat, die trof me nog ’t meest. De ‘vlinderdassen’ zijn ruimtes, perspectiefjes van museumzaaltjes, maar dan weer platte vlakjes, zwevend in de ruimte of zwevend op een ander plat vlak. De schilder wéét dat de kijker er geen vat op krijgt, desnoods schildert hij er nog eens een fijn waasje overheen, waardoor alles tóch plat lijkt. Maar dan heeft je intuïtie je al weer iets heel anders verteld, het is een zee, met vliegende luchtschepen, het zijn vlaggen in een arena, het is een landschap. Vervolgens haalt de titel dat allemaal weer overhoop, dan heb je volgens de kunstenaar tóch naar de impressie van een stierenvechtersarena staan kijken, of naar de gevel van een huis. Of toch niet.

Het is met van alles te vergelijken; kijkend komt in het achterhoofd een hele trein van Grote Namen op gang, die met deze manier van kijken en schilderen verbonden zijn, waar Daniëls zich merkbaar of onbewust aan spiegelt. De samenstellers van de tentoonstelling hebben gelukkig de neiging weerstaan om dat op zaal allemaal uit te venten. Dat laten zij aan de essays in de catalogus, waar Picabia en Picasso en Magritte en Duchamp passeren, en daar zou je wat mij betreft evengoed Cézanne en Chagall en Matisse aan kunnen toevoegen. Maar op zaal hangt het werk op zichzelf, zonder chronologie, als het oeuvre van een van de belangrijkste Nederlandse schilders van het laatste kwart van de twintigste eeuw. Of: de belangrijkste, voor mijn part. Met Robert Zandvliet dan.

Misschien is dat overdreven. De kunst­geschiedenis reikt geen gouden medailles meer uit. Niemand is een eiland. En: het is altijd ongemakkelijk om ferme uitspraken te doen over een schilder die werkte in een periode waarin je je zelf bevindt, of bevond, alsof je en passant bevestigt dat je eigen leven ook reuze bijzonder geweest is.

In de tentoonstelling God Save the Queen in het Centraal Museum Utrecht is in de heisa over punk en kraakbeweging ook een aantal werken van René Daniëls opgenomen. Die tentoonstelling laat zien wat de alternatieve scene rond 1980 zoal behelsde, en wat zij heeft voortgebracht, met name in Amsterdam, waar Daniëls, de Eindhovenaar, een tijdlang verbleef. Het is allemaal heel wild, wilde popmuziek, wilde seks, wilde schilderkunst, wilde beeldhouwkunst, wilde televisiemakerij, wild plakken, wilde toestanden op straat met de dienaren van de Hermandad. En drugs, natuurlijk. De reconstructie leek me correct; ik heb die toestanden ook zelf meegemaakt, een beetje van een afstand, daar ik niet wild was, maar die garde, die zich met veel herrie presenteerde in de hallen van Aorta, Maarten Ploeg, Peter Klashorst (toen nog ‘van de’), Bart Domburg, Peter Giele en het bijbehorende circus van Soviet Sex en Dr. Rat, dat kende ik. In retrospect bevestigde die tentoonstelling een oud gevoel, dat die krakerstijd toch ook erg banaal en onoprecht was, met krasse ideologieën die, onder een dun vernisje van betrokkenheid en activisme, vooral een hedonistisch machismo verborgen, gericht op dope en seks en, daarna, het grote geld. Wat er aan bevlogenheid in zat is goeddeels aan drugs en eigendunk ten onder gegaan. Giele, Ploeg en Rat zijn dood, Klashorst schildert tieten e.d. in Cambodja. Wat overblijft zijn een paar doeken van Maarten Ploeg, misschien, en de goede sculpturen van Henk Visch. En die stukken van Daniëls.

Ook in Eindhoven is iets van die historische herriecontext herschapen. Ook hier is dat wel te verklaren. Eindhoven was begin jaren tachtig een levendige plek, waar de Talking Heads en de Ramones op één avond in dezelfde zaal stonden en de Sex Pistols door de straten wandelden. Daniëls draaide hun muziek, hard, in zijn atelier, en in de zalen is die tinnef daarom weer te horen, maar ook hier is dat misplaatst, omdat die schilderkunst uiteindelijk zo ver van die herrie afstaat. Dit ís geen wilde. Het is alsof te midden van de punk en de bestormingen door de ME een dromerige, lyrische, zachtaardige Kandinsky aan het werk was, met een geamuseerde glimlach op de lippen en plaatjes van Magritte en Picabia aan de muur.


René Daniëls: Een tentoonstelling is ook altijd een deel van een groter geheel. Van Abbe­museum, Eindhoven, t/m 23 september, www.vanabbemuseum.nl. God Save the Queen, Centraal Museum, Utrecht, nog tot 10 juni, centraalmuseum.nl